ECLI:NL:TADRARL:2026:24 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-440/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:24
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 30-01-2026
Zaaknummer(s): 25-440/AL/MN
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, terwijl hij eerder - in het kader van onderhandelingen over een samenwerking tussen klaagster en zijn cliënte - werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. Omdat niet is gebleken dat klaagster schade heeft ondervonden als gevolg van het handelen van verweerder en gelet op de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, zal met de oplegging van een waarschuwing worden volstaan.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 26 januari 2026

in de zaak 25-440/AL/MN

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde: mr. R.W. de Pater

over

verweerder

gemachtigde: mr. H. Delhaas

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 16 juli 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2 Op 3 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2358629 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij waren K., V. (beiden directeur en mede-eigenaar van klaagster), de gemachtigde van klaagster, verweerder en de gemachtigde van verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail met bijlagen van klaagster van 12 november 2025 en de e-mail van verweerder met bijlagen van 13 november 2025.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Verweerder treedt sinds 2012 op als (huis)advocaat van E. B.V.

2.2 In de periode van 2016 tot 2019 hebben klaagster en E. B.V. diverse gesprekken gevoerd over een (mogelijke) samenwerking. Verweerder heeft in die periode diverse concepten van overeenkomsten opgesteld en met de vertegenwoordigers van klaagster overleg gehad over de inhoud van die overeenkomsten.

2.3 Sinds enige tijd is er een geschil ontstaan tussen klaagster en E. B.V. over de samenwerking tussen klaagster en E. B.V. Ook in dat geschil staat verweerder E. B.V. bij.

2.4 Van de zijde van klaagster is in de periode van 21 tot en met 27 maart 2024 aan verweerder verzocht om zich te onttrekken vanwege een tegenstrijdig belang. Verweerder heeft geweigerd om zich te onttrekken.

2.5 Op 11 juli 2024 is door verweerder op verzoek van E. B.V. ten laste van klaagster conservatoir bewijsbeslag gelegd. Vervolgens heeft verweerder een dagvaarding aan klaagster laten betekenen.

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met gedragsregel 15 (belangenverstrengeling) en/of gedragsregel 2 (onafhankelijkheid), dan wel met de kernwaarden onafhankelijkheid en/of integriteit als bedoeld in artikel 10a lid 1 sub a en d van de Advocatenwet, vanaf februari 2024 op te treden voor E. B.V. en op haar verzoek op 11 juli 2024 ten laste van klaagster conservatoir bewijsbeslag te doen leggen inzake een geschil over (de gevolgen van de) onderlinge samenwerking, terwijl hij in de periode van 2016 tot 2019 als 'onafhankelijk advocaat' heeft opgetreden voor c.q. gesprekken heeft geleid tussen klaagster en E. B.V. om te komen tot onderlinge samenwerking, hetgeen een belangenconflict oplevert.

4 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

Maatstaf

5.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.

Beoordeling klacht

5.2 Klaagster stelt – zakelijk weergegeven – dat verweerder voor zowel E. B.V. als klaagster is opgetreden en dat hij om die reden later niet tegen klaagster mocht gaan optreden. Verweerder stelt dat hij alleen voor E. B.V. heeft opgetreden en nooit voor klaagster. 

5.3 De raad stelt op grond van het klachtdossier en het verhandelde ter zitting de volgende gang van zaken vast. Verweerder is sinds 2012 de advocaat van E. B.V. In de periode van 2016 tot 2019 hebben klaagster en E. B.V. diverse gesprekken gevoerd over een samenwerking onder de (handels)naam S. De lezingen van klaagster en verweerder over de aard van die (niet tot stand gekomen) samenwerking lopen uiteen. Wat uit de stukken in ieder geval blijkt, is dat verweerder in deze periode diverse concepten van overeenkomsten heeft opgesteld. Over de inhoud van die overeenkomsten heeft verweerder besprekingen gehad met de vertegenwoordigers van klaagster (ook zonder dat een vertegenwoordiger van zijn cliënte daar bij aanwezig was). Verweerder heeft ook een conceptovereenkomst op basis van door klaagster ingebrachte informatie gewijzigd en hij heeft klaagster geadviseerd om die overeenkomst op een ander punt aan te passen. Verder volgt uit de stukken dat de cliënte van verweerder aan klaagster heeft gevraagd of een factuur van verweerder die zag op zijn werkzaamheden voor S. akkoord is.

5.4 Uit het bovenstaande blijkt dat verweerder hoofdzakelijk voor E. B.V. heeft opgetreden, maar dat hij in het kader van de onderhandelingen over de samenwerking tussen klaagster en de cliënte van verweerder, ook werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. Zeker onder deze omstandigheden had verweerder ervoor moeten zorgen dat er geen misverstand kon bestaan over de hoedanigheid waarin hij is opgetreden. Verweerder heeft dat onvoldoende gedaan. Verweerder heeft niet expliciet aan klaagster laten weten dat hij alleen voor E. BV. optrad en door de manier waarop hij zich in de richting van klaagster heeft opgesteld en met haar vertegenwoordigers heeft gecommuniceerd, is bij klaagster het gerechtvaardigd vertrouwen ontstaan dat er ook tussen klaagster en verweerder een cliënt-advocaat-relatie is geweest.  

5.5 De raad is gelet op deze gang van zaken van oordeel dat verweerder niet tegen klaagster had mogen optreden en dat hij had zich zeker aan de zaak moeten onttrekken op het moment dat klaagster daar gemotiveerd om had verzocht. Daarbij acht de raad van belang dat hij voor klaagster en zijn cliënte werkzaamheden heeft verricht om tot een samenwerking te komen, en vervolgens tegen klaagster is gaan optreden in een geschil dat ziet op deze zelfde (niet tot stand gekomen) samenwerking. Verweerder heeft zich echter niet onttrokken en is tegen klaagster blijven optreden. Daarmee heeft hij tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld. De klacht wordt daarom gegrond verklaard.

6 MAATREGEL

De raad heeft geoordeeld dat verweerder heeft opgetreden tegen klaagster, terwijl hij eerder - in het kader van onderhandelingen over een samenwerking tussen klaagster en zijn cliënte - werkzaamheden voor klaagster heeft verricht. Verweerder heeft daarmee tuchtrechtelijk verwijtbaar gehandeld.  Omdat niet is gebleken dat klaagster schade heeft ondervonden als gevolg van het handelen van verweerder en gelet op de omstandigheid dat verweerder niet eerder door de tuchtrechter is veroordeeld, zal met de oplegging van een waarschuwing worden volstaan.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

  1. € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
  2. € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
  3. € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht gegrond;

-    legt aan verweerder de maatregel van waarschuwing op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. A.W. Siebenga,
J.G. Molenaar, H.K. Scholtens en G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op 26 januari 2026