ECLI:NL:TADRARL:2026:23 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-376/AL/MN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:23
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s): 25-376/AL/MN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Beslissing op verzet
Inhoudsindicatie: Verzetbeslissing. De raad verklaart het verzet ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 26 januari 2026
in de zaak 25-376/AL/MN

naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 4 augustus 2025 op de klacht van

     
klaagster 
  

over

 
verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1    Op 23 december 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.

1.2    Op 11 juni 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2435856 van de deken ontvangen. 

1.3    In een beslissing van 4 augustus 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Klaagster heeft verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter. 

1.4    Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 1 december 2025. Daarbij was alleen de gemachtigde van klaagster aanwezig.  

1.5    De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift. 


2    VERZET

De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in. Het oordeel van de voorzitter dat verweerder door het aanzeggen van dwangsommen de voor alle betrokkenen minst bezwarende weg heeft gekozen om duidelijkheid over het geschil te verkrijgen, is niet een oordeel waarover redelijkerwijs niet anders gedacht kan worden. Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft voorzitter met zijn oordeel miskend dat wat klaagster niet weet, en ook niet heeft kunnen weten omdat het voor haar verborgen is gehouden, door haar ook niet als argument in het kort geding kon worden ingebracht.

3    FEITEN EN KLACHT

3.1    Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter. 

4    BEOORDELING

4.1    Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen, moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.

4.2    Op de zitting van de raad is namens klaagster (nogmaals) betoogd dat verweerder in de kortgedingprocedure heeft verzwegen dat de notaris weigerde om de akte te passeren, terwijl verweerder hiervan wel op de hoogte was en klaagster niet. Het oordeel van de voorzitter dat klaagster tegen de door verweerder aangevoerde standpunten verweer had kunnen voeren is daarom niet begrijpelijk, aldus klaagster. De raad sluit zich aan bij de overwegingen van de voorzitter op dit punt en overweegt daarbij in het bijzonder dat uit de pleitnotities van verweerder in die procedure volgt dat hij deze informatie - waaronder de inhoud van de e-mail van de notaris aan verweerder - wel degelijk naar voren heeft gebracht. De juistheid van de beslissing van de voorzitter op deze klacht, kan daarom niet in redelijkheid worden betwijfeld. 

4.3    De raad is van oordeel dat ook de overige door klaagster aangevoerde verzetgronden niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. De voorzitter heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond verklaard Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren. 


BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart het verzet ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. A.W. Siebenga en 
G.W. Roest, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op : 26 januari 2026