ECLI:NL:TADRARL:2026:22 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-831/AL/NN 25-833/AL/NN

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:22
Datum uitspraak: 26-01-2026
Datum publicatie: 28-01-2026
Zaaknummer(s):
  • 25-831/AL/NN
  • 25-833/AL/NN
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Jegens wederpartij in acht te nemen zorg
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing in twee identieke klachten van een advocaat (in loondienst) en het bedrijf (klager 2) tegen dezelfde verweerder. De cliënt van verweerder heeft per abuis onder een e-mail aan klager 2 een lint van e-mails meegestuurd. Die e-mails zijn daarna ook bij klager 1 bekend geworden. Een van die mails betrof correspondentie tussen die cliënt en verweerder. Het is evident niet de bedoeling geweest dat die e-mail bij klagers terechtkwam, zodat in die zin geen sprake is van een opzettelijke belediging. Die vertrouwelijke cliënt-advocaat e-mail kan naar het oordeel van de voorzitter, zonder toestemming van verweerder of bemiddeling door de deken, niet ten grondslag liggen aan de klachten. Hoewel de gewraakte opmerking zeker grievend is, hadden klagers daarvan geen kennis mogen nemen of had dit anderszins openbaar gemaakt mogen worden. Naar het verdere oordeel van de voorzitter is verweerder niet verantwoordelijk voor de e-mails van zijn cliënt. Dat verweerder daarop inhoud heeft uitgeoefend en heeft geprobeerd om via die weg zijn tuchtklacht van tafel te krijgen, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Overige verwijten zijn niet vast te stellen. Klachten kennelijk ongegrond.  

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 26 januari 2026
in de zaken 25-831/AL/NN en 25-833/AL/NN

naar aanleiding van de klachten van:

klagers

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief in beide zaken met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) van 1 december 2025 met kenmerken 2025 KNN066/2505205 en 2025 KNN067/2505212. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mails van klagers van 18 december 2025.

1    FEITEN IN BEIDE ZAKEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1    Klager 1 werkt als advocaat in loondienst bij klager 2, een vereniging. 

1.2    Klager 2 en de cliënten van verweerder komen op voor de belangen van de aandeelhouders in het faillissement van RI NV. Verweerder staat de stichting I en haar bestuurder, de heer L, bij.

1.3    Medio februari 2025 hebben klager 2 en de cliënten van verweerder samen met de curatoren een schikking gesloten ten behoeve van de gedupeerde beleggers. Over de uitvoering van deze schikking is daarna tussen klager 2 en de cliënten van verweerder een discussie ontstaan.

1.4    Op 26 juni 2025 heeft verweerder naar het kantoor van klagers gebeld in een poging om klager 1 te spreken. Een medewerker van klager 2 heeft hem te woord gestaan. 

1.5    Op 4 juli 2025 heeft de heer L een e-mail aan - onder meer - de bestuurder van klager 2 gestuurd, met verweerder in de CC. Onder deze e-mail zat een ketting van e-mails, waaronder ook een e-mail tussen verweerder en de heer L van eerder die dag. Daarin schreef verweerder:  
 

Ik moet nu weg. Wat een zuigwijf…
 

Waarop de heer L reageerde met:
 

Gewoon dagvaarden. Enige wat werkt. En Fd.

1.6    Op 9 juli 2025 hebben klagers bij de deken een klacht ingediend over verweerder. 

1.7    Op 16 juli 2025 heeft de heer L aan de bestuurder van klager 2 gemaild dat hij abusievelijk op 4 juli 2025 een ‘mail trail’ heeft meegezonden met daarbij ook correspondentie tussen hem en zijn advocaat. De heer L heeft daarbij gemeld dat die e-mail van verweerder aan hem onder geheimhouding was gestuurd en niet voor klager 1 was bedoeld. De heer L heeft verder zijn verontschuldigingen aangeboden voor het taalgebruik en de bestuurder van klager 2 gevraagd om (ook) deze strijdbijl te begraven en de tuchtklacht over verweerder in te trekken om het conflict niet groter te maken. 

1.8    Op 17 juli 2025 hebben klagers hun klacht aangevuld.

1.9    Op 23 juli 2025 heeft verweerder aan klager 1 onder meer inhoudelijk gereageerd op de klacht van 9 juli 2025 en de aanvulling daarop. Verder heeft hij geschreven:

Even terzijde: ik schrijf u thans aan als “Geachte heer [naam] en “u”, dit in tegenstelling tot de vele maanden dat wij elkaar [bij de voornaam] hebben genoemd. Uit uw klacht merk ik voor het eerst op dat u dit als vervelend heeft ervaren. (…)
 

In zijn algemeenheid ben ik van mening dat ik als advocaat gesprekken mag voeren met mijn cliënt zoals ik dat wil. Wanneer echter de inhoud van een gesprek, althans een e-mail ongewild onder ogen van een derde komt, moet ik natuurlijk enige zelfreflectie toepassen.
 

Daarom wil ik u kenbaar maken dat het beter was geweest, als dit woord niet door mij was gehanteerd. Op grond van het gevoerde e-mailverkeer was ik enigszins geïrriteerd, vandaar dat ik dit woord heb gehanteerd. Maar en nogmaals: dit was niet voor uw ogen, althans oren bestemd, hetgeen thans helaas wel is geschied.
 

Natuurlijk: dit had beter niet kunnen gebeuren, maar nu dit wel is gebeurd, bied ik mijn excuus aan voor hantering van dit woord. (…)
 

Vanzelfsprekend krijgt u een veel uitgebreidere reactie in het door mij in te dienen verweer. Het leek me echter passend om op voorhand deze reactie naar u te zenden. 

1.10    Op 23 juli 2025 hebben klagers hun klacht opnieuw aangevuld. 

2    KLACHT IN BEIDE ZAKEN

2.1    De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door in strijd met de gedragsregels 1, 2, 4, 7, 12 en 24:

a.    zich in zijn e-mail van 4 juli 2025 onfatsoenlijk, beschamend, ongeciviliseerd en onnodig grievend uit te laten en daarmee het vertrouwen in de advocatuur en beroepsgroep te schaden.

Toelichting: Verweerder heeft in die e-mail ‘wat een zuigwijf’ geschreven. Die onbetamelijke uitlating heeft verweerder gedaan richting klager 1 en zijn cliënte tevens zijn werkgever, klager 2, en ook richting zijn eigen cliënten. Dat die e-mail (bewust of onbewust) door de eigen cliënt van verweerder aan de bestuurder van klager 2, tevens aan de cliënte van klager 2, is doorgezonden speelt geen rol. Een advocaat dient zich ten allen tijde in zijn uitlatingen zakelijk en professioneel uit te laten. Verweerder heeft van bedoelde e-mailketting van zijn cliënt aan klager 2 een bericht in CC ontvangen maar heeft nagelaten om zijn onfatsoenlijke uitlating meteen te corrigeren. Van schending van de advocaat-cliënt vertrouwelijkheid door gebruik te maken van citaten uit bedoelde e-mail van verweerder met zijn cliënt, is volgens klagers geen sprake geweest. Het schaadt geen enkel belang van de cliënt van verweerder maar toont enkel de ontluisterende wijze van opereren van verweerder;

b.    met de onder a) genoemde uitlating zijn cliënten jegens klagers op te hitsen.

Toelichting: Volgens klagers moet een advocaat met zijn uitlatingen de bezwaren en vorderingen van zijn cliënten jegens een wederpartij zakelijk vormgeven en zodanig kanaliseren dat een normale inhoudelijke discussie kan worden gevoerd. Dat is niet wat verweerder heeft gedaan. Hij heeft zijn cliënten met de gewraakte uitlating als genoemd onder klachtonderdeel a) opgehitst, zoals blijkt uit de kerende reactie van de bestuurder van zijn cliënt daarop. Niet alleen wil de cliënt van verweerder daarna dagvaarden, hij wil ook dat dit in de publiciteit komt door melding aan de krant, het ‘fd’. Het gevolg is ook dat de cliënten van verweerder door diens gebrek aan zakelijke leiding hetzelfde gedrag zijn gaan vertonen, wat de welwillendheid en het vertrouwen in de advocatuur schaadt;

c.    in zijn correspondentie klager 1 te vereenzelvigen met klager 2, wat de effectiviteit van een zakelijke discussie met de wederpartij schaadt.

Toelichting: Verweerder laat in zijn communicatie na om klager in zijn hoedanigheid van advocaat te onderscheiden van de wederpartij van zijn cliënten. Klager 1 is niet de bestuurder of beleidsmaker van zijn cliënte/ klager 2. Hij is slechts de spreekbuis en heeft in zijn hoedanigheid van advocaat een juridisch adviserende taak richting klager 2. Verweerder deert dat niet. Hij verwisselt al tutoyerend telkenmale klager 2 met klager 1 in zijn e-mails;

d.    tijdens een telefoongesprek op 26 juni 2025 een medewerker van het kantoor van klager 2 te schofferen en intimiderend te bejegenen.

Toelichting: Verweerder heeft het kantoor van klagers gebeld. Hij is door een medewerker op vriendelijke en adequate wijze te woord gestaan. Dat klager 1 afwezig was, beviel verweerder niet want binnen een minuut kreeg dat gesprek door de toonzetting en woordkeuze van verweerder een grievende en intimiderende wending;

e.    het tuchtrechtsysteem op verschillende momenten op onbehoorlijke wijze terzijde te stellen en te minachten dan wel te doorkruisen door op alternatieve wijze door zijn cliënt tegen de klacht inhoudelijk verweer te laten voeren.

Toelichting: Na indiening van de klacht door klagers op 9 juli 2025 heeft de bestuurder van klager 2 op 16 juli 2025 een e-mail van de heer L ontvangen. Uit de inhoud daarvan blijkt duidelijk dat verweerder zijn cliënt heeft geïnstrueerd en voorzien van inhoudelijke argumenten en teksten om te interveniëren in deze klachten van klagers over verweerder. Dit terwijl de cliënten van verweerder daarbij helemaal geen partij zijn. Niet zijn cliënt maar verweerder zelf had dat verweer in het kader van de klachtprocedure bij de deken moeten voeren, niet bij monde van zijn cliënt. Door zijn cliënt bovendien aan te laten dringen op intrekking van de klachten over verweerder, heeft verweerder dat kennelijk als wisselgeld laten gebruiken voor beëindiging van het conflict. Het verwijt wordt daarnaast onderbouwd met de e-mail van 23 juli 2025 van verweerder zelf.  

3    VERWEER IN BEIDE ZAKEN

Klachtonderdelen a) en b)

3.1    Verweerder erkent dat de gewraakte uitlating in zijn e-mail van 4 juli 2025 van hem afkomstig is. Hij heeft daarvoor op 23 juli 2025 aan klagers zijn excuses aangeboden. Die e-mail was niet gericht aan zijn eigen cliënt. Het is nooit zijn bedoeling geweest om daaraan openbare ruchtbaarheid te geven. Per abuis heeft zijn cliënt ook die e-mail in een e-mailketting doorgestuurd aan de directeur van klager 2 en is klager 1 daarmee bekend geworden. Volgens verweerder kan de vertrouwelijke advocaat-cliënt e-mail niet dienen als basis voor de klacht omdat die niet onder de ogen van klagers had mogen komen. Daarmee vervalt volgens verweerder ook de grondslag van het in b) gemaakte verwijt van ophitsing. Los daarvan betwist verweerder ten stelligste dat hij zijn cliënten heeft opgehitst of onvoldoende regie heeft genomen of onvoldoende distantie van hen heeft. Iedereen mailde met elkaar, met daarbij de anderen in CC. Dat was de werkwijze.

Klachtonderdeel c)

3.2    Klager 1 is advocaat in loondienst bij klager 2. Zo’n bijzondere constructie kan ertoe leiden dat de advocaat zich met zijn cliënt vereenzelvigt omdat er maar één cliënt is. Volgens verweerder presenteert klager 1 zich extern ook als adjunct directeur van klager 2 en als haar advocaat maar verweerder betwist dat hij klager 1 met klager 2 heeft vereenzelvigd. Daarover is hij ook nooit eerder door klager 1 aangesproken.

Klachtonderdeel d)

3.3    In het gehele afwikkelingsproces was klager 1 voor verweerder telefonisch onbereikbaar. Tijdens het telefoongesprek op 26 juni 2025 heeft hij een medewerker van klager 2 gevraagd naar het mobiele nummer van klager 1. De betreffende medewerker gaf te kennen dat het beleid was geen mobiele nummers te verstrekken. 

3.4    Verweerder heeft toen gezegd dat hij dit beleid niet passend vond in de 24-uurs economie van het jaar 2025, waarin het van groot belang is dat advocaten dingen kunnen bespreken met elkaar en dat de telefonische bereikbaarheid hoog is. Hij heeft dit met enige verontwaardiging gezegd, maar betwist dat hij daarbij krachttermen heeft gebruikt. Van onheuse bejegening en zwaar onder druk zetten van de medewerker was geen sprake. 

Klachtonderdeel e)

3.5    Verweerder handelt als advocaat vrij informeel en probeert oplossingen tussen partijen te laten bereiken. Kennelijk hanteert klager 1 een andere werkwijze. 

3.6    Hij betwist de heer L te hebben geïnstrueerd om een e-mail over intrekking van de klacht aan klagers te sturen. Dat heeft de heer L uit eigen beweging gedaan, aangezien hij het vervelend vond dat hij per abuis een e-mail van vertrouwelijke e-mail met verweerder had meegestuurd in de e-mailketting aan klagers. 

4    BEOORDELING IN BEIDE ZAKEN

Maatstaf

4.1    Het is vaste rechtspraak van het Hof van Discipline dat een advocaat zich dient te onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en zich te allen tijde dient te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.

Klachtonderdelen a) en b)

4.2    Deze verwijten lenen zich vanwege hun samenhang voor gelijktijdige beoordeling.

4.3    Klager 1 wordt als advocaat verondersteld op de hoogte te zijn van het fundamentele belang van geheimhouding en het verschoningsrecht. Voor hem moet ook kenbaar  zijn geweest dat de e-mail van verweerder van 4 juli 2025 binnen de relatie advocaat-cliënt als vertrouwelijk is aan te merken. Die e-mail is immers per abuis door de cliënt van verweerder in een lint van e-mails aan de bestuurder van klager 2 gestuurd en daarna bij klager 1 bekend geworden. Het is dan ook evident dat het niet de bedoeling is geweest dat dit stuk bij klagers terecht kwam. In die zin is er geen sprake van een opzettelijke belediging. 

4.4    Nu uit de stukken verder niet is gebleken dat klagers voor het gebruik van die vertrouwelijke informatie toestemming van verweerder hebben gekregen of daarover is bemiddeld door de deken, kan die vertrouwelijke e-mail van verweerder met zijn cliënt naar het oordeel van de voorzitter niet ten grondslag liggen aan deze klacht. Hoewel de gewraakte opmerking zeker grievend is, hadden klagers daarvan geen kennis mogen nemen of had dit anderszins openbaar gemaakt mogen worden. 

4.5    Nu van een tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder niet is gebleken, worden klachtonderdelen a) en b) kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel c)

4.6    De juistheid van dit verwijt is door de voorzitter, tegenover de betwisting daarvan door verweerder, niet vast te stellen. Voor zover klagers dit zo hebben ervaren, had het op de weg van klager 1 gelegen om daarover contact op te nemen met zijn collega-advocaat om dat te bespreken. 

4.7    Tuchtrechtelijk heeft verweerder in deze niet verwijtbaar gehandeld, zodat ook klachtonderdeel c) kennelijk ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel d)

4.8    Gelet op de tegengestelde verklaringen over hoe het telefoongesprek op 26 juni 2025 tussen verweerder en een medewerker van klager 2 is verlopen, kan de voorzitter niet vaststellen wat er tijdens dit gesprek precies is gebeurd. Voor de beoordeling of een bepaalde verweten gedraging tuchtrechtelijk verwijtbaar is, moeten eerst de daaraan ten grondslag gelegde feiten  worden vastgesteld. Deze feiten kan de voorzitter, nu aan het woord van de medewerker van klagers en dat van verweerder evenveel geloof wordt gehecht, niet vaststellen. Voor nadere bewijsvoering ziet de voorzitter geen aanleiding.

4.9    De voorzitter kan dan ook niet vaststellen of verweerder op dit punt tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld, zodat klachtonderdeel d) eveneens kennelijk ongegrond wordt verklaard.

Klachtonderdeel e)

4.10    Naar het oordeel van de voorzitter is verweerder niet verantwoordelijk voor de e-mails van zijn cliënt , dus ook niet voor die van 16 juli 2025. Dat verweerder op de inhoud van die e-mail bij zijn cliënt invloed heeft uitgeoefend en heeft geprobeerd om via die weg zijn tuchtklacht van tafel te krijgen, is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. Los daarvan staat het een cliënt vrij om zelf aan een wederpartij een voorstel te doen en in die context te vragen om intrekking van een tuchtklacht tegen de eigen advocaat. Zeker in het onderhavige geval, waarbij het de cliënt van verweerder was die per abuis de e-mailketting aan klager 2 heeft doorgestuurd met ook vertrouwelijke e-mails met verweerder, is dat een niet onbegrijpelijke gang van zaken. 

4.11    Het is de voorzitter verder niet gebleken waarom de e-mail van verweerder van 23 juli 2025 een nadere onderbouwing van dit verwijt zou zijn. Verweerder heeft daarin in algemene zin zijn standpunt uitgelegd en voor het gebruikte woord zijn excuses aangeboden. 

4.12    Voor het handelen in deze treft verweerder tuchtrechtelijk geen verwijt. Dat betekent dat ook klachtonderdeel e) kennelijk ongegrond wordt verklaard.

BESLISSING IN BEIDE ZAKEN

De voorzitter verklaart: 
de klacht in alle onderdelen, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 26 januari 2026.

Griffier         Voorzitter
 

Verzonden op : 26 januari 2026