We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:152 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-090/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:152
Datum uitspraak: 06-07-2026
Datum publicatie: 06-07-2026
Zaaknummer(s): 26-090/AL/GLD
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht tegen een advocaat over het nemen van - in de ogen van klager - disproportionele incassomaatregelen tegen een oud-client. De raad is van oordeel dat de klacht ongegrond is.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 6 juli 2026

in de zaak 26-090/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

verweerster

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE

1.1 Op 14 april 2026 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.

1.2 Op 3 februari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 25/70 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 11 mei 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klager is verwikkeld geweest in een geschil over de aankoop van een restaurant. Verweerster heeft klager in die kwestie bijgestaan in de periode van november 2020 tot met juni 2023.

2.2 In die periode heeft verweerster aan klager diverse facturen voor de door haar verrichte werkzaamheden gestuurd. Het totaal van de verschillende facturen bedraagt € 15.162,21 (inclusief btw). Klager heeft aan verweerster in totaal € 10.941,01 (inclusief btw) voldaan.

2.3 Verweerster heeft in een procedure de betaling van de niet-betaalde facturen gevorderd. In een vonnis van 26 februari 2025 heeft de kantonrechter van de Rechtbank Gelderland geoordeeld dat klager een bedrag van € 4.768,23 aan verweerster moet betalen.

2.4 In opdracht van verweerster heeft de gerechtsdeurwaarder op 18 maart 2025 het vonnis van 26 februari 2025 aan klager betekend

2.5 Op 26 maart 2025 heeft de gerechtsdeurwaarder executoriaal beslag op de woning van klager gelegd.

2.6 Klager heeft in een e-mail 31 maart 2025 aan de gerechtsdeurwaarder laten weten dat hij niet in staat is om het verschuldigde bedrag in één keer te voldoen en hij verzocht de gerechtsdeurwaarder om een betalingsregeling toe te staan, waarbij hij maandelijks een bedrag van € 250,00 zou betalen.

2.7 De gerechtsdeurwaarder heeft in een e-mail van 29 april 2025 het volgende aan klager geschreven:

Uw voorstel heb ik zoals besproken voorgelegd aan cliënte. Zij gaat niet akkoord met een langlopende regeling. Het restant van de vordering ad € 6.157,48 zal in maximaal 2 termijnen mogen worden voldaan. (…) Indien de betaling niet tijdig wordt ontvangen heb ik opdracht gekregen de executie te vervolgen.

3 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door disproportionele incassomaatregelen te nemen tegen klager.

4 VERWEER

4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

5 BEOORDELING

5.1 Een advocaat moet zich onthouden van handelingen waardoor het vertrouwen in de advocatuur als zodanig wordt geschaad, en dient zich te allen tijde te onthouden van een handelen of nalaten dat een behoorlijk advocaat niet betaamt. Dergelijk handelen is immers in strijd met de in artikel 46 van de Advocatenwet omschreven normen. Uitgangspunt is dat een advocaat moet handelen met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelend beroepsbeoefenaar mag worden verwacht.

5.2 De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier en het verhandelde op de zitting het volgende vast. Verweerster heeft gedurende de periode dat zij klager heeft bijgestaan, facturen voor haar werkzaamheden aan hem gestuurd. Verweerster en klager hadden een betalingsregeling afgesloten om (een deel) van deze facturen te voldoen. Een deel van het gefactureerde bedrag heeft klager niet betaald. Verweerster heeft in kort geding betaling gevorderd van dat bedrag. De kantonrechter heeft geoordeeld dat klager een bedrag van € 4.768,23 aan verweerster moet betalen. Vervolgens heeft verweerster een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld. Die deurwaarder heeft het vonnis aan klager betekend en vervolgens heeft hij executoriaal beslag op de woning van klager gelegd. Daarna heeft klager aan de gerechtsdeurwaarder laten weten dat hij niet in staat is om het bedrag in één keer te betalen en heeft hij verzocht om een betalingsregeling. Die betalingsregeling is aan verweerster voorgelegd en verweerster is met dat voorstel niet akkoord gegaan. Klager stelt dat verweerster deze incassomaatregelen niet had mogen nemen.

5.3 De raad volgt klager niet in dit standpunt. Het staat een advocaat in beginsel vrij om incassomaatregelen tegen een voormalige cliënt te nemen als deze zijn facturen niet heeft voldaan. De raad is van oordeel dat de door of namens verweerster genomen maatregelen niet disproportioneel zijn. Bij dat oordeel is van belang dat er (op verzoek van klager) al tijdens de bijstand door verweerster een betalingsregeling was afgesproken. Nadat klager gedurende tien maanden het afgesproken termijnbedrag niet had betaald, heeft verweerster een gerechtsdeurwaarder ingeschakeld. Vervolgens heeft klager na het (betekenen van het) vonnis enige tijd niet gereageerd in de richting van verweerster en de gerechtsdeurwaarder. Onder die omstandigheden is het niet disproportioneel dat namens verweerster beslag op het huis van klager is gelegd en dat verweerster niet heeft ingestemd met het (nieuwe) betalingsvoorstel van klager. De door klager aangevoerde omstandigheid dat de raad van discipline een andere klacht van klager over het handelen van verweerster gegrond heeft verklaard, maakt dat niet anders.

5.4 Het voorgaande betekent dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen geen sprake is. Deze klacht wordt ongegrond verklaard.  

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart de klacht ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, voorzitter, mrs. A.W. Siebenga en M.M. Mok, leden, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 6 juli 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 6 juli 2026