We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:145 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-365/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:145
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 18-06-2026
Zaaknummer(s): 26-365/AL/GLD
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht tegen een deken. Klacht is kennelijk ongegrond. Misbruik van klachtrecht.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 15 juni 2026

in de zaak 26-365/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over

mr. I. Aardoom-Fuchs

in haar hoedanigheid van deken van de orde van advocaten
in het arrondissement Den Haag

advocaat te Den Haag

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 23 april 2026 met kenmerk K25/82 . Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de e-mail met bijlage van klager van 12 mei 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

  1.  

1.1 Klager heeft op 17 augustus 2023 een klacht tegen mr. S. ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag.

1.2 Op 23 september 2024 heeft klager een verzoek om aanwijzing van een advocaat (artikel 13 Advocatenwet) ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag. Verweerster heeft aan klager op 14 november 2024 een mr. K. advocaat te Den Haag aangewezen.

1.3 Klager heeft vervolgens een klacht tegen mr. K. ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag.

1.4 In de klachtzaak tegen mr. S. heeft de waarnemend deken in een brief van 23 december 2024 zijn dekenvisie aan klager gestuurd. In de klachtzaak tegen mr. K. heeft verweerster in een brief van 9 mei 2025 haar dekenvisie aan klager gestuurd.

1.5 Op 14 mei 2025 heeft klager een klacht ingediend tegen verweerster. In een beslissing van 22 mei 2025 van het Hof van Discipline is de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen naar de deken in het arrondissement Gelderland.

1.6 Klager heeft op 13 juni 2025 opnieuw een verzoek om aanwijzing ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag. Verweerster heeft aan klager op 3 juli 2025 mr. C., advocaat te Den Haag aangewezen.

1.7 Klager heeft vervolgens ook tegen mr. C. een klacht ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag.

1.8 Klager heeft op 18 juli 2025 opnieuw een verzoek om aanwijzing ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag. Verweerster heeft aan klager op 21 juli 2025 mr. Sp., advocaat te Den Haag aangewezen. Klager heeft verweerster op 24 juli 2025 verzocht om een andere advocaat dan mr. Sp. aan te wijzen. Verweerster heeft dat verzoek op 30 juli 2025 afgewezen. Klager heeft tegen die beslissing beklag ingediend bij het Hof van Discipline. Op 10 oktober 2025 heeft het Hof van Discipline het beklag van klager tegen de beslissing van verweerster van 30 juli 2025 ongegrond verklaard.

1.9 Klager heeft vervolgens ook tegen mr. Sp. een klacht ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag.

1.10 Klager heeft op 8 oktober 2025 opnieuw een verzoek om aanwijzing van een advocaat ingediend bij de Orde van Advocaten Den Haag. Verweerster heeft op 17 oktober 2025 het verzoek om aanwijzing van klager van 8 oktober 2025 afgewezen. Klager heeft tegen die beslissing beklag ingediend bij het Hof van Discipline. Het Hof van Discipline heeft in een beslissing van 31 oktober 2025 het beklag klager ongegrond verklaard. Die beslissing van het Hof van Discipline luidt – onder meer – als volgt:

Het hof constateert op basis van de stukken dat klager zich blijkbaar niet kan neerleggen bij de werkwijze van de deken bij aanwijzingsverzoeken, die inhoudt dat de aangewezen advocaat eerst wordt gevraagd een procesadvies uit te brengen alvorens eventueel, indien naar het oordeel van de advocaat sprake is van een gerede kans op succes, een procedure te starten en de verzoeker daarin bij te staan. Klager blijft om een ‘onvoorwaardelijke’ aanwijzing verzoeken en heeft naar aanleiding van de afwijzingen van zijn verzoeken nu tweemaal een beklagschrift ingediend. Dit ondanks het feit dat de klager ermee bekend is dat deze invulling van artikel 13 Advocatenwet naar vaste jurisprudentie van het hof is toegestaan. Klager moet er rekening mee houden dat, indien hij blijft volharden in het indienen van beklagschriften over dezelfde kwestie, het hof een volgend beklag tegen de afwijzing van enig (aanwijzings)verzoek door de deken in het arrondissement Den Haag, wegens misbruik van recht, buiten behandeling zal stellen.

Het hof voegt daaraan toe dat naar het oordeel van het hof van de deken niet kan worden gevergd dat een volgend verzoek van klager tot toewijzing van een advocaat in dezelfde kwestie in behandeling wordt genomen.

2 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld omdat verweerster

a) de aanwijzingsverzoeken van klager op onjuiste wijze te behandelen;

b) klachten op onjuiste wijze heeft behandeld en de klachtonderzoeken op onjuiste wijze heeft uitgevoerd.

3 VERWEER

Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Het in artikel 46 en volgende van de Advocatenwet geregelde tuchtrecht heeft betrekking op het handelen en nalaten van advocaten als zodanig en beoogt een behoorlijke beroepsuitoefening te waarborgen. Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van advocaat, zoals die van deken, dan blijft voor hem het advocatentuchtrecht gelden.

4.2 De aard en functie van deken brengen met zich dat bij de tuchtrechtelijke controle de nodige terughoudendheid moet worden betracht vanwege de grote beleidsvrijheid die een advocaat in die functie toekomt. De manier waarop een deken uitvoering geeft aan een onderzoek naar een klacht valt binnen deze beleidsvrijheid. Uitsluitend als zou blijken van feiten waaruit kan worden afgeleid dat de deken door zijn handelwijze het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad, kan sprake zijn van klachtwaardig handelen. Dat betekent dat alleen in uitzonderlijke gevallen de raad van discipline tot het oordeel kan komen dat een deken een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt.

Klachtonderdeel a)

4.3 Artikel 13, derde lid, van de Advocatenwet bepaalt dat een belanghebbende na een afwijzing van het verzoek om een advocaat aan te wijzen, beklag kan doen bij het Hof van Discipline. Klager heeft van deze mogelijkheid ook gebruik gemaakt. De vraag of verweerster inhoudelijk juist heeft gehandeld, is op grond van deze bepaling voorbehouden aan het Hof van Discipline. In deze tuchtprocedure is alleen de vraag nog aan de orde of verweerster - los van haar inhoudelijke beslissingen - door haar optreden het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De voorzitter beantwoordt die vraag ontkennend. Verweerster heeft naar aanleiding van de verzoeken transparant, tijdig en respectvol met klager gecommuniceerd. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster in het kader van de aanwijzingsverzoeken is dan ook geen sprake. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.4 Klager stelt dat verweerster zijn klachten op een onjuiste manier heeft behandeld. Klager heeft - kort gezegd - aangevoerd dat verweerster zich partijdig heeft opgesteld, dossiers heeft gemanipuleerd en de tuchtrechtelijke toetsing heeft belemmerd.

4.5 De voorzitter is van oordeel dat op grond van de klacht van klager en de overige stukken in het dossier de door klager gemaakte verwijten in het geheel niet vast zijn komen te staan. Van het onjuist behandelen van de klachten of van ander tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerster is dan ook niet gebleken. Dit klachtonderdeel wordt daarom kennelijk ongegrond verklaard.

Misbruik van klachtrecht

4.6 Het Hof van Discipline heeft in de hierboven onder de feiten opgenomen beslissing van 31 oktober 2025 geconstateerd dat klager zich niet kan neerleggen bij de werkwijze van de deken bij aanwijzingsverzoeken. Het Hof van Discipline heeft daarbij overwogen dat klager er rekening mee moet houden dat als hij blijft volharden in het indienen van beklagschriften over dezelfde kwestie, een volgend beklag tegen de afwijzing van enig (aanwijzings)verzoek, wegens misbruik van recht, buiten behandeling zal worden gesteld. Het Hof van Discipline voegt daaraan toe dat van de deken niet kan worden gevergd dat een volgend verzoek van klager tot toewijzing van een advocaat in dezelfde kwestie in behandeling wordt genomen.

4.7 De voorzitter constateert dat ook de onderhavige evident ongegronde klacht grotendeels ziet op het handelen van verweerster als reactie op de aanwijzingsverzoeken van klager. De voorzitter beschouwt ook deze klacht als misbruik van klachtrecht. Het klachtrecht is immers bedoeld om het functioneren van advocaten te controleren en niet om herhaaldelijk te klagen over hetzelfde handelen van dezelfde advocaat. Een volgende klacht die op enigerlei wijze samenhangt met deze klacht of waaraan hetzelfde feitencomplex ten grondslag ligt, zal door de raad dan ook niet in behandeling worden genomen.  

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

  • de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond;
  • bepaalt dat een volgende klacht van klager over verweerster, zoals hiervoor is overwogen, niet in behandeling wordt genomen.

Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff , voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026