We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:142 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-068/AL/OV

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:142
Datum uitspraak: 15-06-2026
Datum publicatie: 16-06-2026
Zaaknummer(s): 26-068/AL/OV
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Beleidsvrijheid
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt, subonderwerp: Belangenconflict
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Verweerder heeft naar het oordeel van de raad in een procedure als advocaat voor zijn zus (klaagster) en andere familieleden tegen een derde opgetreden en daarna als advocaat namens twee broers in een procedure - zonder haar instemming - tegen klaagster opgetreden. Door verweerder is niet voldaan aan de cumulatieve voorwaarden van lid 3 van regel 15. Verweerder heeft zich op advies van de deken daarna alsnog onttrokken aan die procedure tegen klaagster, maar had naar het oordeel van de raad de zaak van de twee broers tegen klaagster nooit moeten aannemen. Hij had toen al moeten inzien dat de familieverhoudingen en zijn optreden in de jaren daarvoor, onder meer bij de afwikkeling van de nalatenschap, daaraan in de weg stonden. Verweerder heeft hierdoor niet alleen gedragsregel 15 overtreden, maar ook anderszins onvoldoende inzicht getoond in het belang van de kernwaarde partijdigheid. Ook heeft verweerder de kernwaarde onafhankelijkheid geschonden. Omdat verweerder zichzelf heeft uitgeschreven als advocaat en door het Hof van Discipline in februari 2026 is geschrapt, volstaat de raad met de maatregel van berisping. Het gewenste effect van een anders opgelegde maatregel van (voorwaardelijke) schorsing is in dit geval afwezig.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem‑Leeuwarden

van 15 juni 2026

in de zaak 26-068/AL/OV

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

gemachtigde: mr. M.M.H. Ceelen, advocaat te Doetinchem

over

verweerder

1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE 

1.1 Op 22 januari 2025 heeft de gemachtigde namens klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Overijssel (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Op 2 april 2025 is de klacht aangevuld.

1.2 Op 27 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2445828 van de deken ontvangen.

1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026. Daarbij waren klaagster, tijdens de zitting bijgestaan door haar echtgenoot, en verweerder, in bijzijn van de heer B, aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.

1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier.

2 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.

2.1 Klaagster is de zus van verweerder, zij zijn onderdeel van een gezin met vijf kinderen.

2.2 Na overlijden van hun langstlevende ouder in 2010 zijn klaagster en verweerder met de andere kinderen erfgenaam geworden.

2.3 Tussen de erfgenamen en mevrouw T is een geschil ontstaan. In de daarop gevolgde procedure heeft verweerder voor zichzelf en zijn twee broers en twee zussen, waaronder klaagster, als advocaat opgetreden.

2.4 Bij vonnis van 14 oktober 2020 heeft de rechtbank mevrouw T in conventie veroordeeld om haar medewerking te verlenen aan de verdeling van de nalatenschap als overwogen in het vonnis en bepaald dat bij weigering tot medewerking het vonnis daarvoor in de plaats zal treden. In reconventie is een broer veroordeeld tot betaling van € 75.000,- aan mevrouw T met veroordeling van de eisers in de proceskosten. Op 9 november 2020 heeft verweerder dit vonnis aan klaagster gestuurd.

2.5 Op 5 december 2020 heeft verweerder over de verdeling van de nalatenschap vanaf zijn privé mailadres een e-mail aan klaagster en andere zus gestuurd met in de bijlagen (onder meer) een voorstel tot verdeling en een kostenoverzicht. Verweerder heeft het verdelingsvoorstel daarin toegelicht. Over de kosten heeft verweerder daarin geschreven:

Bij mijn kosten heb ik een bedrag van 3.500,00 voor de gedane arbeid en de komende arbeid. Ik hoop dat jullie het daarmee eens zijn.

2.6 Over de wijze van afwikkeling van de nalatenschap is tussen klaagster en twee broers (niet verweerder) een geschil ontstaan over de nakoming door klaagster van de afspraken over de verdeling van de nalatenschap door klaagster.

2.7 Op 19 juli 2024 heeft verweerder als advocaat van twee van zijn broers in hun twee zaken klaagster gedagvaard. In beide zaken is gevorderd klaagster te veroordelen tot betaling aan haar broers van de daarin genoemde bedragen op grond van de tussen de erfgenamen gemaakte verdelingsafspraken van de nalatenschap. Klaagster is bijgestaan door haar advocaat, gemachtigde in deze procedure. In de beide dagvaardingen staat onder meer vermeld:

9. Al tijdens de procedure tegen [mevrouw T] zijn de erfgenamen bij elkaar gekomen om te overleggen over de verdeling van de nalatenschap. De broers en zusters kwamen in een drietal bijeenkomsten (op 26 april 2017, 29 juli 2021 en op 2 november 2021) overeen dat de schulden aan de nalatenschap van diverse erfgenamen nader zouden worden bekeken en beoordeeld. Nadat er tussen de erfgenamen was overlegd na oktober 2020 over een concept uitkering is de uiteindelijke verdeling akkoord bevonden door alle erfgenamen en vastgesteld tussen hen in juli 2022 (productie 2). (…)

Bewijsmiddelen en getuigen

Eiser biedt aan zijn stellingen te bewijzen door het doen horen van getuigen. Zijn broers [voornaam verweerder] en [naam] en zijn zuster [naam] zijn bij alle besprekingen aanwezig geweest en kunnen uit eigen waarneming verklaren wat er in die besprekingen tussen de erfgenamen is afgesproken.

2.8 Op 25 oktober 2025 heeft de advocaat van klaagster aan verweerder geschreven:

Ik sprak u gisteren telefonisch. Ik heb u laten weten dat cliënte van oordeel is dat u in deze kwestie niet tegen haar kunt optreden nu zij recent uw cliënt is geweest in (nagenoeg) dezelfde kwestie. Verder is, net zoals destijds, een punt of het verstandig is om voor familie op te treden. Ook nu speelt dit nu in de dagvaarding wordt opgenomen dat u als getuige kunt optreden nu u bij alle besprekingen aanwezig bent geweest. Het is voor cliënte de vraag of u voldoende onafhankelijk kunt zijn als advocaat en broer.

Gaarne verneem ik hierover van u.

Cliënte liet mij weten dat u haar op 29 november 2020 bij jullie zus in [L] een nota voor uw werkzaamheden heeft overhandigd. Gaarne ontvang ik deze nota met urenspecificatie van u. Tevens ontvang ik gaarne de aan cliënte gezonden opdrachtbevestiging en het stuk waaruit blijkt dat cliënte met deze opdrachtbevestiging akkoord is gegaan.

2.8 Op 28 oktober 2025 heeft verweerder aan de advocaat van klaagster geschreven dat hij nimmer als advocaat voor klaagster is opgetreden. Verder heeft hij geschreven dat er geen opdrachtbevestiging is, hij geen nota aan klaagster heeft overhandigd en het hem vrij stond om als advocaat tegen familie op te treden.

2.9 In een e-mail van 26 november 2024 heeft de advocaat van klaagster aan verweerder onder meer geschreven:

(…) In dit vonnis van 14 oktober 2020 staat dat u, onder andere, de advocaat bent van cliënte. U heeft dus voor cliënte opgetreden.

Nu u voor cliënte heeft opgetreden is en blijf cliënte van oordeel dat u in deze kwestie niet langer tegen haar kunt optreden nu zij recent uw cliënt is geweest in (nagenoeg) dezelfde kwestie. Verder is, net zoals destijds, een punt of het verstandig is om voor familie op te treden. Ook nu speelt dit nu in de dagvaarding wordt opgenomen dat u als getuige kunt optreden nu u bij alle besprekingen aanwezig bent geweest. Het is voor cliënte de vraag of u voldoende onafhankelijk kunt zijn als advocaat en broer.

Indien u mij laat weten dat u bij uw standpunt blijft dat u niet voor cliënte heeft opgetreden en dat tegen cliënte kunt optreden, rest in deze helaas niets anders dan inschakeling van de deken.

In uw bijgevoegde mail van 5 december 2020 heeft u het over de kosten die u heeft gemaakt en dan gaat het om 7.077,00. Gaarne ontvang ik van u bewijsstukken waaruit uw kosten van  7.077,00 blijken.

In dezelfde mail van 5 december 2020 heeft u het over een bedrag van “ 3.500,00 voor de gedane arbeid en de komende arbeid”. Dit ziet cliënte als honorering van uw werkzaamheden en daarom vraag ik u nogmaals om mij de opdrachtbevestiging te doen toekomen die u cliënte heeft gestuurd. Indien u die niet heeft, is cliënte van oordeel dat u deze kosten niet aan haar in rekening had mogen brengen en maakt zij aanspraak op het haar toekomende gedeelte van dit bedrag. (…)

2.11 In een e-mail van 6 december 2024 heeft verweerder aan de advocaat van klaagster onder meer geschreven:

U bent kennelijk slecht geïnformeerd.

U hebt het over twee nagenoeg dezelfde procedures. Die procedures zijn totaal verschillend.

[J.T] en mijn broer waren zakenrelaties. [J.T] had, via zijn dochter, geld geleend aan mijn broer Willem.

Die lening was notarieel vastgelegd en gesecureerd door een pandakte op een mogelijk deel van de nalatenschap.

Dat houdt in dat de pandhouder zeggenschap verkrijgt over de verdeling van de nalatenschap. [J.T] wilde niet meewerken aan het vrijgeven van de nalatenschap.

Ik heb opgetreden namens mijn broer en veiligheidshalve mijzelf en de overige broer en zusters meegenomen in de dagvaarding. Dat deed ik omdat:

A. Ik de stellige verwachting had de procedure tot een goed einde te brengen (is ook gebeurd);

B. Gezien de buiten normale opstelling van de advocaat van [T], ik niet het risico wilde lopen dat zij, nadat de procedure was gewonnen, de overige erfgenamen (weliswaar tevergeefs) zou gaan aanspreken. (…);

C. Dus van enige (inhoudelijke) betrokkenheid van mij bij de overige “eisers” was dan ook geen sprake, laat staat dat ik uit die situatie kennis zou kunnen hebben die ik nu zou kunnen misbruiken;

D. De procedure is al meer dan 5 jaar geleden.

De zaak tegen uw cliënte is een incassoprocedure tegen iemand die zijn/haar afspraken niet nakomt.

De mail van 5 december 2020 is niet meer dan een schets. Daar ga ik verder niet op in.

Ik trek mij dus niet terug.

2.12 Op 7 februari 2025 heeft verweerder zich, na overleg met de deken, bij de rechtbank als advocaat in de procedure van de twee broers tegen klaagster, onttrokken en meegedeeld dat eisers de zaak zelf tijdens de mondelinge behandeling zullen behandelen.

2.13 Op 12 februari 2025 heeft een mondelinge behandeling bij de rechtbank plaatsgevonden. Klaagster was daarbij aanwezig. Een van de eisende broers is verschenen. Voor de andere eisende broer heeft verweerder als gemachtigde diens pleitaantekeningen voorgelezen.

2.14 Bij vonnissen van 19 maart 2025 heeft de rechtbank klaagster veroordeeld om aan eisers de gevorderde betalingen inclusief rente te voldoen.

3 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

  1. zowel voor klaagster als later tegen haar op te treden in een procedure waardoor sprake was van een ontoelaatbaar belangenconflict;
  2. geld van klaagster afhandig te willen maken, zoals volgt uit de e-mail van verweerder van 5 december 2020 aan klaagster en haar zus, terwijl klaagster voor werkzaamheden door verweerder geen opdrachtbevestiging heeft gehad en ook geen afspraken over betaling door klaagster aan verweerder zijn gemaakt;
  3. na onttrekking als advocaat tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2025 bij de rechtbank in de procedure van twee andere broers tegen klaagster te verschijnen als gemachtigde-zonder-toga van één van de broers en voor hem het woord te voeren.

4 VERWEER

4.1 Als meest verstrekkende verweer heeft verweerder aangevoerd dat klaagster niet‑ontvankelijk is in haar klacht. Voor zover klaagster wel in haar klacht wordt ontvangen, heeft verweerder onder meer het volgende verweer gevoerd.

Klachtonderdeel a)

4.2 Verweerder betwist dat sprake is geweest van een belangenconflict of dat hij anderszins gedragsregel 15 heeft overtreden.

4.3 Volgens verweerder heeft hij alle erfgenamen, waaronder klaagster en zichzelf, formeel wel als eisers opgenomen in de dagvaarding in de procedure tegen mevrouw T maar was broer W de partij in het geschil met T. De vermelding van alle erfgenamen in de dagvaarding heeft hij daarna aan de andere erfgenamen gemeld; meer niet. Klaagster heeft dat ook niet weersproken. Verweerder verwijst ter toelichting voor zijn reden voor deze werkwijze naar zijn e-mail van 6 december 2024 aan de advocaat van klaagster, opgenomen in de feiten hiervoor. Net als de andere erfgenamen is klaagster op geen enkele manier inhoudelijk bij die procedure tegen T betrokken geweest, hetgeen ook wordt bevestigd in de overgelegde verklaringen van de andere erfgenamen. Omdat verweerder in die procedure dus niet voor klaagster optrad, was er geen sprake van een opdrachtbevestiging aan klaagster of anderszins financiële afspraken met haar. 

4.4 Het stond verweerder dan ook vrij om als advocaat van hun twee broers tegen klaagster een procedure te beginnen. Dat hij daarbij als advocaat voor familie tegen familie optrad, is tuchtrechtelijk niet verboden. Niet uit eigen overtuiging maar meer op advies van de deken en om verdere escalatie te voorkomen heeft verweerder zich op 7 februari 2025 bij de rechtbank onttrokken als advocaat van de broers.

4.5 Voor zover de raad oordeelt dat klaagster in de procedure tegen T zijn cliënte was, stelt verweerder dat aan de voorwaarden van lid 3 van gedragsregel 15 heeft voldaan en aldus tegen klaagster kon optreden zoals gedaan. De onderwerpen van de procedure tegen mevrouw T en de (incasso)procedure tegen klaagster hebben geen enkel raakvlak. Hij beschikte ook niet over vertrouwelijke kennis die hij in die procedure tegen klaagster kon gebruiken. Dat klaagster in een nadeligere positie is komen te verkeren doordat verweerder de twee broers in de procedure tegen haar even heeft bijgestaan heeft klaagster onvoldoende onderbouwd. Volgens verweerder is de klacht meer ingegeven door persoonlijke rancune dan door foutief dan wel onaanvaardbaar handelen door verweerder.

Klachtonderdeel b)

4.6 Verweerder betwist dat hij zou hebben geprobeerd om klaagster financiën afhandig te maken. Klaagster verwijst ter onderbouwing van dit verwijt naar een e-mail van 5 december 2020. Dat bericht was onderdeel van zeer veel berichten die de revue zijn gepasseerd tussen de erfgenamen in aanloop naar de verdeling van de nalatenschap van de ouders en kan niet dienen als onderbouwing van het gemaakte verwijt. Alle erfgenamen, dus ook klaagster, hebben ingestemd met een verdeling. Klaagster heeft die verdeling in de procedure van haar broers ook niet betwist, zodat die daarmee vaststaat. Zij moest alleen nog de afspraken nakomen, reden waarom zij in rechte is betrokken.

Klachtonderdeel c)

4.7 Verweerder betwist dat hij na zijn onttrekking op 7 februari 2025 tijdens de zitting op 12 februari 2025 als advocaat/ gemachtigde voor broer W heeft opgetreden. Dat blijkt ook niet uit de vonnissen. Omdat broer W door lichamelijke omstandigheden niet op die zitting aanwezig kon zijn, heeft verweerder op zijn verzoek een verklaring van hem voorgelezen. De andere eiser, broer J, heeft zelf het woord gevoerd. Dat verweerder van de rechter naast broer J mocht plaatsnemen, maakt niet dat hij als advocaat/gemachtigde van broer W moet worden beschouwd. Verweerder heeft zich ook niet inhoudelijk ermee bemoeid. Het feit dat hij na de vonnissen op eigen titel e-mails over de nakoming daarvan aan de advocaat van klaagster heeft gestuurd, stond hem vrij.

5 BEOORDELING

Ten aanzien van de ontvankelijkheid van klaagster

5.1 Verweerder heeft in zijn verweer van 29 april 2025 gesteld dat de brief van 22 januari 2025 - de klachtbrief van de advocaat van klaagster - buiten beschouwing en behandeling moet blijven. Verweerder wijst daarbij op de laatste zin in de klachtbrief. Daarin staat dat klaagster niet anders kan dan een klacht over verweerder in te dienen en bemiddeling van de deken te vragen omdat verweerder weigert om zich als advocaat van de twee broers in de procedure tegen klaagster terug te trekken. Volgens verweerder moet klaagster (zo begrijpt de raad:) niet-ontvankelijk worden verklaard in haar klacht omdat verweerder zich op 7 februari 2025 heeft teruggetrokken als advocaat.

5.2 Volgens de gemachtigde van klaagster is de klacht voortgezet en op 2 april 2025 ook aangevuld omdat verweerder de gemaakte afspraak om zich uit de procedure terug te trekken, niet is nagekomen. Verweerder heeft zich op 7 februari 2025 in een brief aan de rechtbank onttrokken en vermeld dat eisers - de twee broers - zelf de zaak ter zitting zouden behandelen. Op 12 februari 2025 zat in de zittingszaal op de plek van de eisers één van de eisende broers met verweerder, zonder toga, ernaast. Volgens verweerder was hij daar als gemachtigde aanwezig van andere eisende broer. Omdat je 24/7 advocaat bent, trad verweerder in de visie van klaagster op deze manier nog altijd op als advocaat tegen haar. Dit alles was een reden voor klaagster om haar klacht te handhaven en kan niet tot niet‑ontvankelijkheid leiden.

5.3 Dat er een afspraak tussen klaagster en verweerder zou bestaan, dat als verweerder zich zou onttrekken in de procedure dan de hele klacht van tafel zou zijn, is de raad, tegenover de betwisting daarvan door klaagster, niet gebleken. Stukken die dat standpunt van verweerder onderbouwen, ontbreken.

5.4 Nu klaagster de klacht ook formeel niet heeft ingetrokken, zal de raad daarover inhoudelijk oordelen als hierna te melden.

Maatstaf inhoudelijk oordeel

5.5 De tuchtrechter dient bij de beoordeling van een tegen een advocaat ingediende klacht het aan de advocaat verweten handelen of nalaten te toetsen aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

5.6 Een advocaat mag in het algemeen niet optreden tegen een voormalige cliënt van hem of van een kantoorgenoot; deze norm, als uitvloeisel van de kernwaarde partijdigheid, is verwoord in gedragsregel 15. De advocaat mag zich niet in de situatie begeven waarin hij de kans loopt ten koste van zijn cliënt in een belangenconflict te geraken. Daarnaast moet de cliënt er ten volle op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak, zijn persoon of zijn onderneming die de cliënt aan de advocaat of zijn kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt (vgl. onder andere HvD 26 januari 2018, 170210 en 5 februari 2018, 170205). Dat vloeit reeds voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat. Wanneer aan de in gedragsregel 15 lid 3 cumulatief opgesomde voorwaarden a, b en c is voldaan (niet dezelfde zaak, geen vertrouwelijke informatie, geen redelijke bezwaren) behoeft een advocaat aan zijn vroegere cliënt geen voorafgaande instemming als bedoeld in lid 4 te vragen. In twijfelgevallen dient de advocaat af te zien van het optreden in kwestie. Of een advocaat in een bepaald geval tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door op te treden tegen een voormalige cliënt moet worden beoordeeld aan de hand van alle concrete omstandigheden van het geval en wordt uiteindelijk getoetst aan artikel 46 Advocatenwet.

Klachtonderdeel a)

5.7 De raad is van oordeel dat verweerder in de procedure tegen mevrouw T als advocaat voor klaagster is opgetreden, zoals volgt uit de dagvaarding en uit het vonnis in die procedure. Tijdens de zitting van de raad heeft verweerder ook erkend dat hij formeel als haar advocaat is opgetreden maar dat materieel anders ziet. De raad volgt verweerder daar niet in. Daar komt nog bij dat verweerder zich vanaf 2010, zo is uit de verklaringen tijdens de zitting gebleken, in het kader van de afwikkeling van de nalatenschap van hun ouders jarenlang daarna naar derden heeft gepresenteerd als de advocaat van alle erfgenamen, waaronder dus ook van klaagster. Dat er geen opdrachtbevestigingen zijn gestuurd, verweerder geen kosten voor zijn werkzaamheden aan klaagster in rekening heeft gebracht en goede bedoelingen had, doet daaraan niet af.  

5.8 Als zodanig was klaagster ten tijde van de dagvaarding van klaagster door verweerder namens haar twee andere broers op 19 juli 2024 een voormalig cliënte van verweerder. Op basis van gedragsregel 15 mocht verweerder dan ook niet tegen haar optreden. Niet is gebleken dat klaagster daarmee toen heeft ingestemd.

5.9 Dit zou anders zijn indien cumulatief is voldaan aan de in gedragsregel 15 lid 3 genoemde voorwaarden voor een uitzonderingssituatie. Of verweerder over specifieke vertrouwelijke informatie (lid 3 sub a) over klaagster beschikte die hij tegen haar kon gebruiken in de procedure van haar broers tegen haar, is gezien de familieverhoudingen alleszins aannemelijk. Als haar broer, die bovendien jarenlang de afwikkeling van de nalatenschap voor de erfgenamen heeft geregeld, wist verweerder meer van klaagster dan een andere advocaat had kunnen weten en ook tegen haar had kunnen gebruiken. Of dat feitelijk ook is gebeurd, doet daar niet aan af. Verder wist verweerder door de e-mail van de advocaat van klaagster van 26 november 2024 bovendien dat er van de kant van klaagster ernstige bezwaren bestonden tegen zijn optreden voor de twee broers in de procedure tegen haar (lid 3 sub b). Verweerder heeft in zijn e-mail van 6 december 2024 aan de advocaat van klaagster echter laten weten geen aanleiding te zien om zich terug te trekken. Gelet op de eerdere advocaat-cliënte verhouding, de familieverhoudingen, de jarenlang door verweerder op zich genomen taak om als advocaat namens de erfgenamen naar derden de nalatenschap van de ouders af te wikkelen en de waarschuwing die namens klaagster op 26 november 2024 is gegeven, had verweerder moeten begrijpen dat er redelijke bezwaren aanwezig waren, als bedoeld in 5.6 en had hij zich meteen moeten onttrekken. Ondanks deze waarschuwing heeft verweerder op 6 december 2024 aan klaagster bericht geen aanleiding te zien om zich terug te trekken. Pas het overleg met de deken heeft verweerder doen inzien dat hij zich beter kon onttrekken in de procedure, zoals hij dat op 7 februari 2025 heeft gedaan.

5.10 De raad concludeert dat niet is voldaan aan alle drie de voorwaarden van de uitzonderingsmogelijkheid van gedragsregel 15 lid 3. Ook anderszins is de raad niet gebleken dat het optreden van verweerder te rechtvaardigen viel. Daarbij wijst de raad op de toelichting van gedragsregel 15 waarin wordt gesteld dat ook in twijfelgevallen de advocaat er beter aan doet om af te zien van het optreden en dat desgewenst advies van de deken kan worden gevraagd. Dat advies heeft verweerder weliswaar aan de deken gevraagd en zich daarna alsnog onttrokken, maar naar het oordeel van de raad had verweerder de zaak van de twee broers tegen klaagster nooit moeten aannemen. Hij had toen al moeten inzien dat de familieverhoudingen en zijn optreden in de jaren daarvoor bij de afwikkeling van de nalatenschap daaraan in de weg stonden. Verweerder heeft hierdoor niet alleen gedragsregel 15 overtreden, maar ook anderszins onvoldoende inzicht getoond in het belang van de kernwaarde partijdigheid.

5.11 Op grond van het voorgaande oordeelt de raad dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Klachtonderdeel a) zal gegrond worden verklaard.  

Klachtonderdeel b)

5.12 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten uit het verleden.

5.13 Naar het oordeel van de raad heeft klaagster te laat geklaagd. Klaagster heeft haar onder b) gemaakte verwijt alleen gekoppeld aan de e-mail van verweerder aan haar van 5 december 2020. De in artikel 46 g lid 1 sub a Advocatenwet genoemde termijn is toen aangevangen. Klaagster heeft hierover pas op 22 januari 2025 bij de deken geklaagd en dat is ruim buiten de genoemde termijn van drie jaar. Nu van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verschoonbaar zou kunnen zijn dat dit verwijt buiten de termijn is ingediend niet is gebleken, wordt klachtonderdeel b) niet ontvankelijk verklaard. Aan een inhoudelijke beoordeling hiervan komt de raad dan ook niet meer toe.

Klachtonderdeel c)

5.14 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder in elk geval de schijn van partijdigheid gewekt door tijdens de zitting op 12 februari 2025 namens de afwezige broer naast de andere eisende broer te gaan zitten en een verklaring voor hem voor te lezen in de procedure tegen klaagster terwijl verweerder eerder voor klaagster als advocaat had opgetreden. Verweerder had tijdens die zitting weliswaar geen toga aan, hij had zich op 7 februari 2025 als advocaat ook onttrokken, maar heeft naar het oordeel van de raad feitelijk dezelfde handelingen verricht die hij had gedaan als ware hij nog de advocaat van beide broers. Dat de rechtbank ermee instemde dat verweerder naast de andere broer plaatsnam en een verklaring namens de afwezige broer voorlas, doet niets af aan het gegeven dat verweerder dat naar het oordeel van de raad helemaal niet had moeten doen. Gelet op de voorgeschiedenis en inmiddels verstoorde familieverhoudingen had hij zich in het kader van de kernwaarden partijdigheid èn onafhankelijkheid vooraf moeten bedenken welke impact zijn optreden tijdens die zitting zou hebben juist ná zijn onttrekking kort daarvoor op verzoek van klaagster. Niet is gebleken dat verweerder dit inzag of inziet. De raad is dan ook van oordeel dat verweerder in deze niet heeft gehandeld zoals een behoorlijk advocaat betaamt. Dat is tuchtrechtelijk verwijtbaar. Daarom wordt ook klachtonderdeel c) gegrond verklaard.

6 MAATREGEL

6.1 Omdat de klacht grotendeels gegrond wordt verklaard, komt aan de orde of aan verweerder een maatregel moet worden opgelegd en zo ja, welke.

6.2 Verweerder heeft door zijn handelen in strijd met artikel 46 Advocatenwet en gedragsregel 15 gehandeld en ook de kernwaarden partijdigheid en onafhankelijkheid geschonden. De raad acht deze handelwijze van verweerder ernstig laakbaar. Daarbij komt dat verweerder ter zitting geen blijk heeft gegeven het onjuiste en tuchtrechtelijk verwijtbare van zijn handelwijze in te zien. Hij bagatelliseert de positie van advocaat en miskent dat de kernwaarden bepalen wat van een advocaat wordt verlangd. Alhoewel een (voorwaardelijke) schorsing naar het oordeel van de raad een passende maatregel zou kunnen zijn, legt de raad aan verweerder een berisping op. Verweerder is in maart 2025 als advocaat uitgeschreven en daarna op 16 februari 2026 door het Hof van Discipline ook geschrapt. Het gewenste effect van een maatregel van (voorwaardelijke) schorsing is daarom afwezig.

7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING

7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klaagster betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.2 Omdat raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:

  1. € 50,- aan forfaitaire reiskosten van klaagster,
  2. € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
  3. € 500,- kosten van de Staat.

7.3 Verweerder moet het bedrag van € 50,- aan forfaitaire reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klaagster. Klaagster geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing haar rekeningnummer schriftelijk aan verweerder door.

7.4 Verweerder moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b) en c) genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.

BESLISSING

De raad van discipline:

-    verklaart klachtonderdelen a) en c) gegrond;

-    verklaart klaagster op grond van artikel 46g lid 1 sub a Advocatenwet niet-ontvankelijk in klachtonderdeel b);

-    legt aan verweerder de maatregel van berisping op;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.1;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de reiskosten van € 50,- aan klaagster, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;

-    veroordeelt verweerder tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.4.

Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 15 juni 2026.

Griffier                                                                            Voorzitter

Verzonden op: 15 juni 2026