ECLI:NL:TADRARL:2026:140 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-347/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:140 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-06-2026 |
| Datum publicatie: | 09-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-347/AL/MN |
| Onderwerp: | Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | voorzittersbeslissing. Volgens klaagster heeft verweerder zonder opdracht van de cliënte zelfstandig een zaak tegen klaagster opgestart. Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen eigen belang bij haar klacht, zodat de klacht kennelijk niet-ontvankelijk wordt verklaard. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 juni 2026
in de zaak 26-347/AL/MN
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) van 21 april 2026 met kenmerk 2534509 .
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 19 september 2025 heeft verweerder klaagster schriftelijk gesommeerd om de inbreuk op de auteursrechten van mevrouw H. onmiddellijk te staken. Tevens heeft verweerder vergoeding van door mevrouw H. geleden schade gevorderd.
1.2 Klaagster heeft in een e-mail van 17 oktober 2025 aan verweerder gevraagd om bewijs te leveren dat verweerder een overeenkomst tot opdracht is aangegaan met mevrouw H.
1.3 In een e-mail van 27 oktober 2025 heeft verweerder aan klaagster uitgelegd dat bij het inschakelen van een advocaat geen volmacht nodig is en er geen sprake is van een onrechtmatige vertegenwoordiging, maar dat zijn cliënte desondanks bereid was een ‘power of attorney’ te tekenen. Verweerder heeft de ‘power of attorney’ van 24 oktober 2025 aan klaagster meegezonden. In dezelfde e-mail heeft verweerder namens zijn cliënte een schikkingsvoorstel gedaan. Op 27 oktober 2025 heeft klaagster het voorstel van de cliënte van verweerder geaccepteerd, waarna verweerder op 28 oktober 2025 dit schriftelijk heeft bevestigd.
1.4 Klaagster heeft daarna met verweerder gecorrespondeerd over de machtiging en het feit dat de machtiging pas achteraf is getekend. Klaagster heeft gesuggereerd dat verweerder uit zichzelf de schadeclaim aan klaagster heeft gestuurd
1.5 Op 12 november 2025 is namens klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.6 Mevrouw H. heeft op 10 december 2025 in een ‘confirmation of instruction to enforce copyrights’ verklaard dat zij verweerder opdracht heeft gegeven om klaagster aan te schrijven zoals gedaan.
2 KLACHT
De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:
zonder opdracht van de gedupeerde, mevrouw H., zelfstandig een zaak tegen klaagster op te starten.
3 VERWEER
De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Uitgangspunt is dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat zo in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
4.2 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen eigen belang bij haar klacht over het vermeend ontbreken van een opdracht van de cliënte van verweerder aan verweerder. Uit de stukken is de voorzitter niet gebleken dat verweerder zonder opdracht van mevrouw H. heeft opgetreden tegen klaagster, maar voor zover daarvan sprake zou zijn, dan is het aan mevrouw H. om daarover te klagen bij de deken; niet klaagster. De voorzitter zal klaagster dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaren in haar klacht.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
klaagster, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk in haar klacht.
Aldus beslist door mr. M.H. van der Lecq, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 juni 2026