We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:139 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-303/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:139
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-303/AL/GLD
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. De voorzitter verklaart een klacht over de advocaat van de wederpartij kennelijk ongegrond

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 8 juni 2026

in de zaak 26-303/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 april 2026 met kenmerk K25/195 . Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mail van klaagster van 1 mei 2026.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Klaagster is een stichting. Klaagster heeft op 12 juni 2025 de AFM (hierna: AFM) verzocht om jegens een bank een besluit tot handhaving te nemen. In een besluit van 7 augustus 2025 heeft de AFM besloten dit verzoek niet inhoudelijk te behandelen. Tegen dat besluit is op diezelfde datum bezwaar aangetekend. In de beslissing op bezwaar van 7 januari 2026 is opgenomen dat op 9 oktober 2025 een hoorzitting is geweest en dat de vertegenwoordiger van klaagster stukken heeft overhandigd.

1.2 Op 5 december 2025 heeft (onder anderen) klaagster de rechtbank Rotterdam verzocht om een voorlopige voorziening. Verweerder heeft, tezamen met mr. H (kantoorgenoot van verweerder), de belangen van de AFM behartigd.

1.3 In een brief van 9 december 2025 heeft verweerder aan de voorzieningenrechter kenbaar gemaakt dat hij samen met mr. H optreedt voor de AFM. Die brief luidt verder, voor zover relevant, als volgt:

Op de zaak betrekking hebbende stukken

Het oordeel van de AFM over het verzoek tot handhaving van 7 augustus 2025 is niet een afwijzing van het verzoek op inhoudelijke gronden, maar is een oordeel dat HRIF.EU geen belanghebbende is in de zin van artikel 1:2, eerste en derde lid, AWB. Uw rechtbank beschikt al over het bezwaarschrift, maar er is nog geen beslissing op bezwaar genomen.

Aangezien het primaire oordeel van de AFM slechts ziet op de belanghebbendheid, zijn er buiten het handhavingsverzoek, dat als bijlage wordt bijgevoegd, (en de overige stukken die u reeds in bezit heeft) verder geen op de zaak betrekking hebbende stukken die relevant zijn of door de AFM zijn betrokken in haar oordeel.

Indien uw rechtbank dit wenselijk acht, is de AFM uiteraard bereid de stukken die relevant zijn voor de bezwaarprocedure te overleggen. Nu echter nog geen beslissing op bezwaar is genomen en deze derhalve (nog) niet ter beoordeling voorligt, gaat de AFM ervan uit dat de rechtbank niet verzoekt om verstrekking van deze stukken. Mocht deze veronderstelling onjuist blijken, dan vernemen wij dat graag van u.

(…)

Ten derde wijst de AFM erop dat artikel 7:4 Awb slechts recht geeft op inzage of afschrift van de op de zaak betrekking hebbende stukken indien een hoorzitting plaatsvindt. Wanneer van horen wordt afgezien, bestaat geen recht op afschrift van de stukken. 2 In dit geval is geen sprake van een hoorzitting.

Daarnaast is de AFM sowieso van oordeel dat HRIF.EU niet-ontvankelijk moet worden verklaard. Zij is immers, zoals ook is aangegeven in het primaire oordeel, geen belanghebbende bij het handhavingsverzoek.

1.4 Ook op 9 december 2025 heeft verweerder zich in een e-mail kenbaar gemaakt als gemachtigde van de AFM en een voorlopige reactie aan klaagster gestuurd.

1.5 Vervolgens is er tussen de vertegenwoordiger van klaagster, verweerder en mr. H. en de rechtbank gecorrespondeerd.

1.6 Verweerder heeft, namens de AFM, in een brief aan de rechtbank en de vertegenwoordiger van klaagster van 16 december 2025, gereageerd op aanvullende stukken die namens klaagster waren ingediend in de procedure.

1.7 Op 18 december 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

1.8 Op 19 december 2025 heeft de voorzieningenrechter, zonder zitting, uitspraak gedaan. Het verzoek van klaagster is kennelijk ongegrond verklaard.

2 KLACHT

De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

a) processtukken niet gelijktijdig aan klaagster te verstrekken en zich onnodig grievend uit te laten;

b) onjuiste en onvolledige informatie te verstrekken waarvan hij weet, althans behoort te weten, dat deze informatie onjuist is.

3 VERWEER

Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 De klacht heeft betrekking op het handelen van de advocaat van de wederpartij van klaagster. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt aan deze advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt, maar kan onder meer worden ingeperkt als de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over de wederpartij, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat deze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van de wederpartij onnodig of onevenredig schaadt zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.

4.2 De advocaat moet de belangen van zijn cliënt behartigen aan de hand van het feitenmateriaal dat zijn cliënt hem verschaft, en dat hij in het algemeen mag afgaan op de juistheid daarvan en slechts in uitzonderingsgevallen gehouden is de juistheid daarvan te verifiëren. De advocaat behoeft in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat hij voor zijn cliënt wil bereiken met de middelen waarvan hij zich bedient, opweegt tegen het nadeel dat hij daarmee aan de wederpartij toebrengt. Wel moet de advocaat zich onthouden van middelen die op zichzelf beschouwd ongeoorloofd zijn of die, zonder dat zij tot enig noemenswaardig voordeel van zijn cliënt strekken, onevenredig nadeel aan de wederpartij toebrengen.

Klachtonderdeel a)

4.3 Klaagster stelt dat verweerder in de procedure bij de rechtbank stukken niet gelijktijdig aan klaagster heeft gestuurd. Verweerder heeft verklaard dat hij deze e-mail met bijlagen van 9 december 2025 wel degelijk – aan het hem bekende e-mailadres – ook aan klaagster heeft gestuurd. Dit e-mailbericht bevindt zich ook in het klachtdossier. De voorzitter is van oordeel dat dit verwijt van klaagster, tegenover deze gemotiveerde en onderbouwde betwisting daarvan door verweerder, niet vast is komen te staan. Bovendien heeft verweerder, op dezelfde dag dat de vertegenwoordiger van klaagster hem had bericht dat hij het stukken niet had ontvangen, deze nogmaals aan hem gestuurd. Uit de correspondentie tussen klaagster en verweerder blijkt verder niet dat verweerder zich onnodig grievend over klaagster heeft uitgelaten. Ook dat verwijt is niet vast komen te staan. 

4.4 De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder geen sprake is. Dit klachtonderdeel wordt kennelijk ongegrond verklaard.

Klachtonderdeel b)

4.5 Klaagster stelt dat verweerder in zijn brief van 9 december 2025 in strijd met de waarheid heeft geschreven dat er geen hoorzitting is geweest. Ook heeft verweerder in zijn brief van 16 december 2025 onjuiste mededelingen gedaan over het niet bestaan van zaakstukken, aldus klaagster.

4.6 Verweerder heeft hierover verklaard dat hij en zijn collega hebben geschreven dat er geen sprake was van een hoorzitting. Die informatie had hij ontvangen van zijn cliënt en de conceptbrief heeft hij ook aan zijn cliënt voorgelegd. Achteraf hoorde verweerder dat de weigering om een hoorzitting te houden van 10 november 2025 betrekking had op een tweede hoorzitting en dat er wel degelijk eerder een hoorzitting was geweest. Verweerder betreurt dat hierover miscommunicatie is geweest en dat hij dit punt over het hoofd heeft gezien.

4.7 De voorzitter is van oordeel dat de brief van verweerder op dit punt onjuist is, maar dat niet is gebleken dat verweerder op dat moment wist of had moeten weten dat deze informatie onjuist was. Verweerder heeft mogen afgaan op de juistheid van deze informatie die hij van zijn cliënt had gekregen en hij was niet gehouden om de juistheid daarvan te verifiëren. Bij de beoordeling van dit klachtonderdeel is verder van belang dat klaagster de mogelijkheid had om de rechter op deze onjuistheid te wijzen, wat ze op 17 december 2025 ook heeft gedaan. Ten slotte is niet gebleken dat deze door verweerder gegeven informatie van belang is geweest voor de beslissing van de rechter. Klaagster is (daarom) door dit handelen van verweerder niet in enig belang geschaad. Dit onderdeel van de klacht is daarom kennelijk ongegrond.  

4.8 Klaagster stelt verder dat verweerder in zijn brief van 16 december 2025 in strijd met de waarheid heeft geschreven dat er geen zaaksstukken bestaan. Verweerder heeft hierover aangevoerd dat zijn rol zich beperkte tot de vertegenwoordiging van de AFM in de procedure om de voorlopige voorziening. Verweerder beschikte dan ook niet over stukken die verband hielden met de onderliggende besluitvorming. Voor de voorlopige voorziening waren de stukken die mogelijk deel uitmaakten van de achterliggende besluitvorming bovendien niet relevant. Vanaf aanvang was het voor verweerder duidelijk dat het verzoek van klaagster kennelijk ongegrond was. Er bestond dan ook geen aanleiding om in dat kader dossierstukken aan de rechtbank of aan klaagster te verstrekken. Ook de rechtbank heeft niet om aanvullende stukken verzocht, aldus verweerder. De voorzitter is gelet op deze door verweerder naar voren gebrachte gang van zaken van oordeel dat niet is gebleken dat verweerder op dit punt feiten naar voren heeft gebracht die in strijd met de waarheid zijn. Ook dit verwijt is daarom kennelijk ongegrond.

4.9 Gelet op het voorgaande wordt klachtonderdeel b) kennelijk ongegrond verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.C. Hagedoorn, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. W.B. Kok als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden op: 8 juni 2026