We werken hard aan het herstel van de stabiliteit van tuchtrecht.overheid.nl. Excuus voor het ongemak.

ECLI:NL:TADRARL:2026:138 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-302/AL/GLD

ECLI: ECLI:NL:TADRARL:2026:138
Datum uitspraak: 08-06-2026
Datum publicatie: 09-06-2026
Zaaknummer(s): 26-302/AL/GLD
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Fouten
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij. Naar het oordeel van de voorzitter is de dagvaarding rechtsgeldig aan klaagster betekend. Dat de vertegenwoordiger van klaagster daar pas later kennis van heeft genomen, kan verweerder niet toe te rekenen. Dat verweerder namens zijn cliënt feiten heeft gesteld waarvan hij wist of had moeten weten dat die onjuist waren is de voorzitter niet gebleken. Kennelijk ongegrond.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden

van 8 juni 2026

in de zaak 26-302/AL/GLD

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over

verweerder

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief met bijlagen volgens de inventarislijst van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland (hierna: de deken) van 9 april 2026 met kenmerk K 25/134.

1 FEITEN

Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.

1.1 Tussen klaagster, een vennootschap, en vennootschap U is een geschil ontstaan over producten die U bij klaagster heeft besteld.

1.2 Op 15 januari 2025 heeft verweerder in een brief aan klaagster - gericht aan een adres van klaagster in Amsterdam - kenbaar gemaakt dat hij U bijstaat in dat geschil.

Verder heeft verweerder daarin het volgende geschreven:

Cliënte heeft bij u verschillende producten, onder uw factuurnummers (…) met een totaalbedrag van EUR 74.995,- besteld en tot een bedrag van EUR 72.220,- reeds voldaan aan u, maar zijn de bestelde producten nimmer aan cliënte geleverd.

Na veel correspondentie en telefonisch overleg, zijn partijen tot overeenstemming gekomen dat u het totaalbedrag van EUR 72.220,- direct zult terugbetaald. Uw facturen dateren van 13‑03‑2023, 13-04-2023 en 09 05-2023.

Tot op heden zijn, ondanks de overeenstemming, enkel de volgende bedragen aan cliënte teruggestort (voldaan): (…) EUR 21.124,- in totaal.

Er staat tot op heden ondanks tijdsverloop van 1,5 jaar, nog altijd een bedrag open van EUR 51.096,- dat u moet voldoen aan cliënte.

Aangezien u uw toezeggingen niet nakomt en u reeds bent gestopt met betalen, zonder erkenning dat u het totaalbedrag in termijnen mocht terugbetalen, stel ik u met deze sommatiebrief in gebreke en verzoek ik u, dan wel sommeer ik u, om het gehele bedrag ad EUR 51.096,- ineens binnen 15 dagen na heden te voldoen naar het derdengeldenrekening (…).

Mocht u geen gevolg geven aan deze sommatie, dan zal ik cliënte adviseren om gerechtelijke stappen te nemen. In dat kader zal client naast de (rest)hoofdsom eveneens een beroep doen op voldoening van de buitengerechtelijke incassokosten, de wettelijke handelsrente en veroordeling tot voldoening van cliëntes proceskosten.

Onder voorbehoud van alle rechten en weren verzoek ik u binnen 15 dagen het bedrag van EUR 51.096,- te voldoen.

1.3 Op 30 januari 2025 en 27 februari 2025 hebben verweerder en een adviseur van klaagster, contact gehad. Verweerder heeft daarin rechtsmaatregelen aangekondigd.

1.4 Op 25 juli 2025 heeft verweerder namens zijn cliënt klaagster laten dagvaarden om op 6 augustus 2025 te verschijnen voor de rechtbank Zeeland-West-Brabant. De deurwaarder heeft de dagvaarding aan klaagster betekend op een adres in Breda.

1.5 Op 8 oktober 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.

2 KLACHT

De klacht houdt in, zakelijk weergegeven, dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door:

onjuiste informatie te verstrekken waarvan hij wist, dan wel behoorde te weten, die die onjuist was en onzorgvuldigheden in de dagvaarding op te nemen en daarmee de rechtbank te misleiden en de belangen van klaagster te schaden.

Toelichting: Verweerder heeft de dagvaarding op het verkeerde adres laten betekenen terwijl hij het juiste adres van klaagster kende, zoals blijkt uit zijn brief van 15 januari 2025, dan wel had moeten kennen na raadpleging van het Handelsregister. Door deze gang van zaken was de vertegenwoordiger van klaagster pas op 4 augustus 2025 bekend met de inhoud van de dagvaarding en had hij nog maar één dag om bijstand te regelen in de procedure. Daarnaast was de dagvaarding onzorgvuldig opgesteld omdat daarop het rolnummer ontbrak. Gevolg was dat het onmogelijk was om na te gaan bij de rechtbank of de zaak tegen klaagster was aangebracht. Daarnaast heeft verweerder in de dagvaarding stellingen ingenomen of producties bijgevoegd waarmee hij aan de rechtbank een onjuist beeld heeft gegeven en misleid. Verweerder is daarvoor zelf verantwoordelijk.

3 VERWEER

3.1 Verweerder betwist onjuiste informatie te hebben verstrekt, klaagster in haar belangen te hebben geschaad en de rechtbank te hebben misleid door onjuistheden in de dagvaarding.

3.2 Het factuuradres van klaagster gaf als adres van klaagster een adres in Amsterdam weer. Daar heeft verweerder zijn brief van 15 januari 2025 naartoe gestuurd. Een dagvaarding moet echter worden betekend aan het vestigingsadres van de rechtspersoon zoals dat in het Handelsregister staat vermeld. Uit het Handelsregister volgde dat (de onderneming van) klaagster op 23 juli 2025 op een adres in Breda was ingeschreven. Op dat adres heeft verweerder, na controle door de deurwaarder, de dagvaarding op 25 juli 2025 rechtsgeldig laten betekenen. De vertegenwoordiger van klaagster is op grond van de Handelsregisterwet verantwoordelijk voor het invoeren van het juiste vestigingsadres in het Handelsregister. De vertegenwoordiger van klaagster heeft het vestigingsadres in Breda pas op 26 juli 2025 beëindigd, één dag na de betekening van de dagvaarding op 25 juli 2025.

3.3 Een rolnummer ontstaat pas na het aanbrengen van de dagvaarding bij de rechtbank, en dus niet op het moment van betekenen van een dagvaarding. Voor de vindbaarheid van de zaak bij de rechtbank volstaan partijnamen en een roldatum.

3.4 Voor zover klaagster verweerder verwijt dat hij onjuiste standpunten of feiten in de dagvaarding heeft gesteld, hetgeen verweerder betwist, is het niet aan de tuchtrechter maar aan de civiele rechter om daarover te oordelen.

4 BEOORDELING

Maatstaf

4.1 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster. Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen, opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.

4.2 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel 46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.

4.3 Naar het oordeel van de voorzitter is uit de stukken niet gebleken dat verweerder de belangen van klaagster op enigerlei wijze heeft geschaad zoals hem wordt verweten.

4.4 Een dagvaarding moet betekend worden op het vestigingsadres van een rechtspersoon zoals dat in het Handelsregister staat vermeld. Op 25 juli 2025 heeft de deurwaarder in opdracht van verweerder de dagvaarding aan klaagster laten betekenen op het op dat moment in het Handelsregister vermelde vestigingsadres van klaagster. Dat dat adres in het Handelsregister niet (meer) juist was, en de dag daarna door de vertegenwoordiger van klaagster is gewijzigd, kan verweerder niet worden verweten. Hij heeft in opdracht van zijn cliënt de dagvaarding op 25 juli 2025 rechtsgeldig aan klaagster laten betekenen. Evenmin kan verweerder worden verweten dat in die dagvaarding geen rolnummer van de rechtbank stond vermeld. Een rolnummer wordt pas door de rechtbank aangemaakt zodra de betekende dagvaarding bij de rechtbank is aangebracht. Daarvan was op 25 juli 2025 nog geen sprake. De vertegenwoordiger van klaagster is, zo begrijpt de voorzitter, door de late ontvangst van de dagvaarding overvallen en in tijdnood gekomen. Het had op de weg van die vertegenwoordiger gelegen om daarna meteen contact met de deurwaarder, verweerder of de rechtbank op te nemen om te overleggen over de mogelijkheden voor uitstel. Of dat is gebeurd is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. In ieder geval is de omstandigheid dat de vertegenwoordiger van klaagster blijkbaar laat kennis heeft genomen van de op de juiste wijze betekende dagvaarding, niet het gevolg van een omstandigheid die aan verweerder is toe te rekenen.

4.5 Dat verweerder namens zijn cliënt feiten heeft gesteld waarvan hij wist of had moeten weten dat die onjuist waren is de voorzitter niet gebleken. Het mag zo zijn dat klaagster het niet eens is met die gestelde feiten, maar nergens blijkt uit dat verweerder niet mocht uitgaan van de juistheid van de informatie die hij van zijn cliënt heeft gekregen. Laat staan dat verweerder bewust onjuiste informatie heeft verschaft om daarmee de rechter te misleiden. Het behoort verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de hierboven onder 4.1 en 4.2 genoemde maatstaf heeft overtreden.

4.6 Op grond van het voorgaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. De klacht zal dan ook kennelijk ongegrond worden verklaard.

BESLISSING

De voorzitter verklaart:

de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. O.P. van Tricht, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.

Griffier                                                                     Voorzitter

Verzonden op: 8 juni 2026