ECLI:NL:TADRARL:2026:137 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-843/AL/MN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:137 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 08-06-2026 |
| Datum publicatie: | 09-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-843/AL/MN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Ongegrond verzet |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 8 juni 2026
in de zaak 25-843/AL/MN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 2 februari 2026 op de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 4 mei 2025, aangevuld op 8 mei 2025, heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Midden-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 4 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2491684 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 2 februari 2026 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Op 16 februari 2026 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 20 april 2026 . Daarbij waren klager en verweerster beiden via een videoverbinding aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift met bijlagen.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
I) de voorzitter heeft op basis van onvolledige feiten geoordeeld alsof sprake was van een incident. Dit terwijl klager heeft bewezen dat sprake was van een patroonmatig karakter van de tekortkomingen van verweerster. In december 2023 heeft verweerster in een zaak van S als advocaat van A. ook de medische adviezen van dezelfde bedrijfsarts, als die van klager, genegeerd of onjuist geïnterpreteerd, waarna A. ook die zaak heeft verloren. Het ontbreken van zelfreflectie van verweerster hierover, gecombineerd met het precedent uit 2023 en aldus het patroonmatige karakter van het ondeskundig handelen van verweerster, heeft de voorzitter ten onrechte niet meegewogen;
II) de feitenvaststelling, dat verweerster de bedrijfsarts nog (aanvullend) heeft bevraagd over de mate van arbeidsongeschiktheid van klager, miskent het bindende en definitieve karakter van het medisch oordeel van de bedrijfsarts van 15 april 2025. Daarin stond dat klager nog steeds 100% arbeidsongeschikt was en de werkgever uitdrukkelijk werd geadviseerd om het arbeidskundig onderzoek af te wachten. Verweerster heeft in strijd met vaste rechtspraak haar cliënt geadviseerd om een loonsanctie op te leggen, hetgeen door de rechter is teruggedraaid. De voorzitter had echter op grond van het voorgaande moeten oordelen dat verweerster met haar optreden de grenzen van de vrijheid als advocaat van de wederpartij wel heeft overschreden;
III) de voorzitter heeft de standaard toetsingsmaatstaf in rechtsoverweging 4.3 correct maar onvolledig toegepast. De feiten in de zaak van klager rechtvaardigden een toetsing aan de uitzondering op de vrijheid die een advocaat van de wederpartij toekomt, namelijk of sprake was van het willens en wetens poneren van onjuiste stellingen door verweerster. Daarvan was evident sprake. Ten onrechte heeft de voorzitter deze toets niet gedaan, wat tot een onjuist oordeel heeft geleid.
2.2 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet verder niet op .
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. G.F. van den Berg, voorzitter, mrs. A.E. Mulder en Y.M. Nijhuis, leden, bijgestaan door mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 8 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 8 juni 2026