ECLI:NL:TADRARL:2026:136 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 26-002/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:136 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 04-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-002/AL/NN |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. derden, subonderwerp: Deskundigen, getuigen en adviseurs |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klager heeft de wederpartij van de advocaat bijgestaan als adviseur. Klager is ontvankelijk in zijn klacht omdat de advocaat in een processtuk uitdrukkelijk refereert aan klager. Vanwege de partijdige positie van een advocaat, stond het de advocaat vrij om het rapport van klager in een kritisch daglicht te stellen. De advocaat heeft zich niet onnodig grievend uitgelaten over klager. De raad verklaart de klachtonderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem Leeuwarden
van 1 juni 2026
in de zaak 26-002/AL/NN
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 22 mei 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 6 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN053 / 2495058 van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 2 tot en met 5. Ook heeft de raad kennisgenomen van de stukken van verweerster van 29 januari 2026.
2 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.1 Verweerster staat een man bij in een familierechtelijke procedure met zijn inmiddels ex echtgenote (hierna: de vrouw) over hun minderjarige kinderen. In die procedure heeft de Raad voor de Kinderbescherming een advies opgesteld over het ouderlijk gezag en een omgangsregeling.
2.2 In een brief van 12 december 2024 heeft klager aan de advocaat van de vrouw laten weten dat de vrouw het raadsrapport door klager heeft laten beoordelen en dat zijn conclusie is dat het raadsbesluit ondeugdelijk is, onbetrouwbaar en invalide en gebaseerd op informatie die volledig in strijd is met (artikel 3.3 van) de Jeugdwet en (artikel 21 van) het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Klager vindt dat het raadsonderzoek moet worden overgedaan.
2.3 Op 16 december 2024 heeft de advocaat van de vrouw het rapport van klager in het geding gebracht en aan de rechtbank bericht dat de vrouw het met de bevindingen van klager eens is en dat de vrouw wil dat het advies van de raad op een nader te bepalen zitting wordt besproken.
2.4 In een beschikking van 23 april 2025 heeft de rechtbank Noord-Nederland in rechtsoverweging 6.1. overwogen daartoe geen aanleiding te zien en verder:
”De moeder baseert zich daarbij op stellingen die [verweerster] namens haar opgeschreven heeft. [Verweerster] is echter geen belanghebbende in deze zaak en kan ook niet in zijn algemeenheid als deskundige aangemerkt worden. Hij mist relevante wetenschappelijke scholing en is niet BIG geregistreerd.”.
De vrouw is in hoger beroep gegaan.
2.5 Namens de man heeft verweerster op 14 mei 2025 een verweerschrift ingediend met (onder meer) de volgende inhoud:
“Sterker nog, [de vrouw] liet in november 2024 aan de Raad voor de Kinderbescherming weten dat ze het juist niet eens was met het advies van de Raad voor de Kinderbescherming en dat haar advocaat ter zitting een toelichting zou geven. Ze verliet zich vervolgens volledig op de adviezen van [klager], een gepensioneerde pedagoog (productie 9) die trots is op het feit dat hij naar eigen zeggen berucht is. Omdat de vrouw ten onrechte ook het door haar advocaat ingebrachte rapport van [klager] buiten de procedure liet, wordt dit rapport alsnog als productie 10 overgelegd omdat het deel uit hoort te maken van het procesdossier en veel zegt over de richting waarin de vrouw de oplossing zocht. [Klager] bood haar een uitweg om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen.”
2.6 Als productie 9 heeft verweerster een artikel van een plaatselijk blad overgelegd van december 2022 waarin wordt verwezen naar een interview met klager in de Volkskrant van die datum.
2.7 De kop in het plaatselijk blad luidt:
“[Klager], ‘plaag’ uit [plaatsnaam] voor de jeugdbescherming”. Onderdeel van het artikel luidt: “Bij de [naam] jeugdbescherming is hij inmiddels berucht, vertelt [klager] niet zonder trots. “Ik heb een opname van een gesprek tussen een ouder en een gezinsvoogd. Die gezinsvoogd zegt: ‘Je moet hem niet geloven hoor. Je moet hem niet geloven! Die [klager] is een gevaarlijk man!’ Ja, daar moet ik om lachen. Dan denk ik: ‘Jij bent bang voor mij. Ik glunder ervan, hè? Het is leuk om de strijd aan te Gaan me dit soort machtige instanties. Want ouders kunnen dat niet. Ik organiseer tegenmacht voor ze”.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet door klager onnodig te stigmatiseren en zijn eer en goede naam aan te tasten.
3.2 Klager verwijt verweerster dat zij in het verweerschrift van de man in hoger beroep heeft opgenomen:
a) dat klager er trots op is om berucht te zijn
b) dat klager aan de vrouw een uitweg heeft geboden om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen
4 VERWEER
De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 De klacht gaat over de advocaat van de wederpartij van degene die klager heeft geadviseerd. In een familierechtelijk geschil waarin klager door de vrouw of haar advocaat is ingeschakeld als adviseur en de man is bijgestaan door verweerster, heeft verweerster in een processtuk over klager geschreven. Het zit klager dwars dat en wat verweerster over hem heeft geschreven in het verweerschrift van de man in hoger beroep.
Ontvankelijkheid
5.2 Voordat de raad kan toekomen aan een inhoudelijke behandeling van de klacht moet de raad, gelet op het door verweerster gedane beroep op de niet-ontvankelijkheid en ook ambtshalve, eerst vaststellen of klager in zijn klacht kan worden ontvangen. Naar het oordeel van de raad is dat het geval.
5.3 Het klachtrecht is niet in het leven geroepen voor iedereen, maar alleen voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen.
5.4 Klager is ontvankelijk in zijn klacht omdat verweerster in het door haar opgestelde verweerschrift uitdrukkelijk refereert aan klager. In het verweerschrift staat dat klager trots is op het feit dat hij naar eigen zeggen berucht is en ook dat klager de vrouw een uitweg heeft geboden om de eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Klager heeft daarom een voldoende eigen rechtstreeks belang bij de verwijten die hij verweerster maakt. De raad zal de klacht hierna inhoudelijk beoordelen.
Toetsingskader
5.5 Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Discipline komt een advocaat een grote mate van vrijheid toe om de belangen van zijn cliënt te behartigen op een wijze die hem, in overleg met zijn cliënt, goeddunkt. Deze vrijheid is niet onbeperkt maar kan onder meer worden ingeperkt indien de advocaat a) zich onnodig grievend uitlaat over (voor zover hier van belang) een betrokken derde, b) feiten poneert waarvan hij weet of redelijkerwijs kan weten dat ze in strijd met de waarheid zijn dan wel c) (anderszins) bij de behartiging van de belangen van zijn cliënt de belangen van (voor zover hier van belang) een betrokken derde onnodig of onevenredig schaadt, zonder dat daarmee een redelijk doel wordt gediend.
5.6 In familiekwesties geldt op deze maatstaf nog een aanvulling, namelijk dat de advocaat in familiekwesties in het algemeen moet waken voor onnodige polarisatie tussen de ex echtelieden. Van een advocaat mag een bepaalde mate van terughoudendheid worden verwacht, juist omdat ook andere belangen in die procedure een grote rol kunnen spelen, met name belangen van kinderen.
Overwegingen raad
5.7 De advocaat van de vrouw heeft het rapport van klager in de procedure bij de rechtbank in het geding gebracht. Daarmee maakt het rapport van klager onderdeel van de processtukken, ook van die in hoger beroep. Dit verklaart waarom het rapport van klager in hoger beroep onderwerp was van het debat. Dat de vrouw toen al geen cliënt meer was van klager maakt dat niet anders. Het rapport is ook niet op een later moment in de procedure ingetrokken.
5.8 De raad komt tot de conclusie dat verweerster de grenzen van het betamelijke in deze familierechtelijke kwestie niet heeft overschreden. Dat wordt hierna uitgelegd.
Klachtonderdeel a)
5.9 Het rapport van klager had tot doel het voor de man gunstige rapport van de Raad voor de Kinderbescherming in twijfel te trekken. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de man stond het verweerster vrij om het rapport van klager in de procedure in een kritisch daglicht te stellen door informatie te delen over de houding van klager ten opzichte van de jeugdbescherming. Met dat redelijk doel heeft verweerster de door klager als grievend ervaren bewoordingen in het verweerschrift opgenomen. Die bewoordingen waren naar het oordeel van de raad functioneel.
5.10 Klager heeft weliswaar niet letterlijk tegen de journalist gezegd dat hij er trots op is dat hij berucht is bij de jeugdbescherming, maar dat beeld komt uit het artikel wel naar voren. Verweerster heeft het artikel als productie bij het verweerschrift overgelegd zodat voor de rechtbank en de wederpartij duidelijk was waarop zij zich baseerde.
5.11 Wat verweerster over klager schrijft, vindt steun in het artikel in de Volkskrant waarop het in de familierechtelijke procedure overgelegde artikel op is gebaseerd. In dat artikel wordt in soortgelijke bewoordingen door of over klager gesproken, zoals:
“Jij bent bang voor mij, ik glunder ervan”, “de schrik van de jeugdbescherming”, “het
is leuk om de strijd aan te gaan” en “ik ben een schorpioen he, ik wil winnen”.
Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.12 Verweerster heeft toegelicht dat zij hiermee bedoelt dat de vrouw onder verwijzing naar het rapport van klager alleen opmerkingen heeft gemaakt over de totstandkoming van het raadsrapport zonder in te gaan op de inhoud van het raadsrapport over het ouderlijk gezag en een omgangsregeling. De alinea waarvan de door klager als onnodig grievend ervaren bewoordingen onderdeel uitmaken maakt duidelijk dat het rapport van klager de vrouw een uitweg bood om haar eigen verantwoordelijkheid te ontlopen. Aan deze bewoordingen gaat namelijk de zin vooraf dat het rapport van klager alsnog wordt overgelegd omdat het deel uit hoort te maken van het procesdossier en veel zegt over de richting waarin de vrouw de oplossing zocht. Zonder toelichting, die ontbreekt, valt niet in te zien wat daar onjuist, onnodig grievend en/of onredelijk beschadigend aan is. Klager gaat in zijn rapport alleen in op de wijze van totstandkoming van het rapport en niet inhoudelijk. In navolging van klager heeft de vrouw dat ook gedaan. Dat is wat verweerster schrijft. Vanwege haar partijdige positie als advocaat van de man stond het verweerster vrij om de proceshouding van de vrouw kritisch te omschrijven. De vermelding had een functioneel karakter en kan niet als onnodig of onevenredig beschadigend tegenover klager worden beschouwd. Klachtonderdeel b) is daarom ongegrond.
Conclusie
5.13 De klacht is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdelen a) en b) ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en M.M.
Mok, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar
op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 1 juni 2026