ECLI:NL:TADRARL:2026:131 Raad van Discipline Arnhem-Leeuwarden 25-642/AL/NN
| ECLI: | ECLI:NL:TADRARL:2026:131 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 01-06-2026 |
| Datum publicatie: | 03-06-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-642/AL/NN |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Arnhem-Leeuwarden
van 1 juni 2026
in de zaak 25-642/AL/NN
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline van 10 november 2025 op de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Nederland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 22 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2025 KNN036 / 2487933 van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 10 november 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klachtonderdelen a) en c) met toepassing van artikel 47b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaard. Verder heeft de voorzitter in die beslissing klachtonderdeel b) voor zover daarin over het handelen van het kantoor van verweerder is geklaard, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet ontvankelijk verklaard en heeft de voorzitter klachtonderdeel b) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, voor het overige kennelijk ongegrond verklaard. Op 9 december 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van de voorzitter.
1.4 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 10 april 2026. Daarbij was alleen verweerder aanwezig.
1.5 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet zijn volgens het verzetschrift:
I) Klager blijft “van mening dat [verweerder en zijn kantoor] 0 oog hadden voor de zaak maar enkel gericht waren oog op het binnenhalen van de toevoeging.”
II) “Kennelijk kan een advocaat zo aan plichtsverzuim doen, zonder iets te vrezen van de orde.”
III) “Gezien de impact van het tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen ernstig tot zeer ernstig is gebleken reden, zal [klager] ook een artikel12sv starten tegen [verweerder en zijn kantoor)
IV) “In eerste aanleg had [verweerder] excuses aangeboden. Wat maakt dat zijn handelen nu opeens plots door de beugel kan? Na zijn excuses zouden we met ‘een schone lei’ beginnen. En vervolgens is het handelen nog ernstiger met een grotere impact.”
V) “Er is een nauw en duidelijk causaal verband tussen het handelen [van klager] en het niet handelen van [verweerder] die op dat moment de enige oplossing was. Elke instantie, bestuursorgaan van a t/m z wees [klager] door naar de advocatuur. (De komende tijd gaat u als rechtspraak/de orde een lading aan woo verzoeken ontvangen wederom) inclusief klachten naar het kennisniveau van de zeer schadelijke gevolgen van contactverlies. En hoe dringend en spoed gebaat is om die schadelijke gevolgen voor zowel ouder als kind te voorkomen. [Klager] zit verweer en verzet te voeren tegen magistraten die dat gevoel niet kennen en enkel besef hebben van wat de inhoud en kern van de klacht is.”
VI) “Door het op de vorm met een Latijnse term af te wijzen, zogenaamd eerder behandeld
en mogelijk is verweerder zijn eigen gedragingen vergeten.”
Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet niet
op.
3 FEITEN EN KLACHT
Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Daarmee hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.3 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.U.M. van der Werff, voorzitter, mrs. S.J. de Vries en V.S.A.W. Wegter, leden, bijgestaan door mr. S.J. Velsink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 1 juni 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op : 1 juni 2026