ECLI:NL:TADRAMS:2026:99 Raad van Discipline Amsterdam 25-914/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:99
Datum uitspraak: 11-05-2026
Datum publicatie: 18-05-2026
Zaaknummer(s): 25-914/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond. De raad ziet zich eerst voor de vraag gesteld of klaagster een klacht over het handelen van verweerder als advocaat van de ouders mocht indienen, zonder dat O (als bestuurder en 50%-aandeelhouder van klaagster) hiermee heeft ingestemd. Naar het oordeel van de raad dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. De stelling van verweerder dat klaagster, zijnde een BV, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de door haar ingediende klacht slechts op instructie van één van de twee bestuurders is ingediend, gaat naar het oordeel van de raad in dit geval niet op. Beide aandeelhouders/bestuurders van klaagster moeten zelfstandig bevoegd worden geacht tot het indienen van een klacht, voor zover die klacht, met inachtneming van het genoemde toetsingskader, ziet op handelen van een advocaat waardoor klaagster in haar belangen kan worden geschaad. Als dit anders zou zijn, kan de medeaandeelhouder bewerkstelligen dat een vennootschap een zodanige klacht niet tegen een advocaat kan indienen, hetgeen onwenselijk zou zijn. Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake, omdat klaagster een geschil heeft met de ouders van HS, de bestuurder van O, en HS via O instemming heeft onthouden aan het indienen van een klacht tegen verweerder, ondanks dat klaagster daarbij belang kan hebben. De raad is daarom van oordeel dat klaagster, ondanks het ontbreken van de instemming van O en gelet op alle genoemde omstandigheden, ontvankelijk is in de door haar tegen verweerder als advocaat van de wederpartij ingediende klacht. De in klachtonderdeel a) gemaakte verwijten zijn gebaseerd op de artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda. Deze artikelen vallen onder Hoofdstuk 7 van de Voda, getiteld “Relatie advocaat-cliënt”. Het verwijt van klaagster ziet aldus op het handelen van verweerder in de verhouding tot zijn cliënten. Klaagster is hierdoor niet rechtstreeks in haar belang geraakt. Ten aanzien van het verwijt in klachtonderdeel c) overweegt de raad dat het aanvragen van een toevoeging (ook) ziet op de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt. Het is niet aan klaagster om hierover te klagen, nu klaagster hier buiten staat. De klachtonderdelen a) en c) zijn om die reden (alsnog) niet-ontvankelijk. In klachtonderdeel b) is het de raad niet gebleken dat één van de door verweerder ingenomen stellingen onjuist was. Van het bestaan van enige tegenstrijdigheid hierin of van het (hiermee) door verweerder verschaffen van onjuiste informatie, is naar het oordeel van de raad geen sprake. Nu de raad de verwijten in de hiervoor genoemde klachtonderdelen niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond heeft verklaard, is het in klachtonderdeel d) genoemde verwijt, dat verweerder klaagster als gevolg van deze handelingen schade zou hebben berokkend, naar het oordeel van de raad eveneens niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op de in de klachtonderdelen a) en c) gemaakte verwijten. Klachtonderdeel d) is ongegrond voor zover dit verwijt ziet op het verwijt in klachtonderdeel b).

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 11 mei 2026 
in de zaak 25-914/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

 
klaagster 

over:

verweerder
gemachtigde: mr. S.D.M. op ‘t Hoog-Piet


1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 22 mei 2024 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 31 december 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2344599/EvR/AS   van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij waren de gemachtigde van klaagster en verweerder met zijn gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door de gemachtigde van klaagster op 3 februari 2026 nagezonden stukken. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster is een BV en verricht bouwactiviteiten.
2.3    Klaagster wordt bestuurd door twee vennootschappen: Y BV en O BV (hierna: respectievelijk Y en O). 
2.4    Y en O zijn ieder voor 50% aandeelhouder van klaagster. 
2.5    Bestuurders en aandeelhouders van Y zijn de heer Y (tevens de gemachtigde van klaagster) en mevrouw K. 
2.6    De (indirect) bestuurder en aandeelhouder van O is de heer HS (hierna ook: de zoon). 
2.7    De ouders van de heer HS (hierna: de ouders) hebben als één van drie opdrachtgevers aan klaagster opdracht gegeven om een appartementencomplex te bouwen. 
2.8    Tussen klaagster en de ouders is een geschil ontstaan over de bouw op grond van de aanneemovereenkomst. 
2.9    Op 27 september 2022 heeft klaagster ten laste van de ouders conservatoir beslag gelegd. 
2.10    Hierna zijn er meerdere juridische procedures gevoerd tussen klaagster en de ouders.
2.11    Verweerder staat de ouders bij in deze procedures. 
2.12    Op 2 februari 2023 is de bodemprocedure tussen klaagster en de ouders bij de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) behandeld. De ouders vorderden in deze procedure dat klaagster het appartementencomplex zou afbouwen. 
2.13    Bij vonnis van 20 maart 2024 heeft de rechtbank de vordering van de ouders toegewezen. 
2.14    Het door de ouders aangespannen kort geding, waarin zij de betaling vorderden van een geldsom door klaagster, is bij vonnis van 19 juni 2024 door de rechtbank afgewezen. 
2.15    Op 1 maart 2024 hebben de ouders een verzoekschrift ingediend tot faillietverklaring van klaagster. Dit verzoek is bij beschikking van 4 april 2024 door de rechtbank afgewezen.
2.16    Op 22 mei 2024 heeft klaagster een klacht ingediend over verweerder.
2.17    Op 14 oktober 2024 hebben twee getuigen een schriftelijke verklaring over HS afgelegd waarin staat, kort gezegd, dat HS doelbewust een faillissement van klaagster wilde veroorzaken en dat hij heeft gefraudeerd.  

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder dat hij:
a)    in strijd heeft gehandeld met de artikelen 7.1 en 7.2 van de Verordening op de advocatuur (hierna: de Voda) door onvoldoende onderzoek te verrichten naar de identiteit van zijn cliënten en door zonder geldige volmacht op te treden voor zijn cliënten;
b)    tegenstrijdige stellingen heeft ingenomen door in de kort geding procedure te stellen dat er een doorlopende machtiging is afgegeven door zijn cliënten aan de zoon, terwijl hij in de bodemprocedure heeft gesteld dat er geen doorlopende machtiging is;
c)    in meerdere procedures toevoegingen voor zijn cliënten heeft aangevraagd, terwijl hij wist dat zijn cliënten daarvoor niet in aanmerking kwamen;
d)    klaagster schade heeft berokkend door de verwijtbare handelingen genoemd onder klachtonderdelen a), b) en c). 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Ontvankelijkheid klacht
5.1    Verweerder heeft aangevoerd dat klaagster niet ontvankelijk is in de klacht, omdat het besluit tot het indienen van een klacht uitsluitend door de bestuurders gezamenlijk kan  worden genomen. In dit geval heeft de andere bestuurder, O, niet met het indienen van de klacht ingestemd. Volgens verweerder is klaagster daarom niet-ontvankelijk. 
5.2    De raad stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang is of kan worden getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen. 
5.3    De raad ziet zich thans voor de vraag gesteld of klaagster een klacht over het handelen van verweerder als advocaat van de ouders mocht indienen, zonder dat O (als bestuurder en 50%-aandeelhouder van klaagster) hiermee heeft ingestemd. Naar het oordeel van de raad dient deze vraag bevestigend te worden beantwoord. De stelling van verweerder dat klaagster, zijnde een BV, niet-ontvankelijk moet worden verklaard omdat de door haar ingediende klacht slechts op instructie van één van de twee bestuurders is ingediend, gaat naar het oordeel van de raad in dit geval niet op. Beide aandeelhouders/bestuurders van klaagster moeten zelfstandig bevoegd worden geacht tot het indienen van een klacht, voor zover die klacht, met inachtneming van het onder 5.2 genoemde toetsingskader, ziet op handelen van een advocaat waardoor klaagster in haar belangen kan worden geschaad. Als dit anders zou zijn, kan de medeaandeelhouder bewerkstelligen dat een vennootschap een zodanige klacht niet tegen een advocaat kan indienen, hetgeen onwenselijk zou zijn. Van een dergelijke situatie is in dit geval sprake, omdat klaagster een geschil heeft met de ouders van HS, de bestuurder van O, en HS via O instemming heeft onthouden aan het indienen van een klacht tegen verweerder, ondanks dat klaagster daarbij belang kan hebben. De raad is daarom van oordeel dat klaagster, ondanks het ontbreken van de instemming van O en gelet op alle hiervoor genoemde omstandigheden, in zoverre ontvankelijk is in de door haar tegen verweerder als advocaat van de wederpartij ingediende klacht. 
Klachtonderdeel a) – in strijd handelen met artikelen 7.1 en 7.2 Voda
5.4    In artikel 7.1 van de Voda staat dat een advocaat zich bij aanvaarding van een opdracht dient te vergewissen van de identiteit van zijn cliënt. In artikel 7.2 van de Voda staat dat een advocaat mag afgaan op de juistheid van de hem door de cliënt verstrekte gegevens zolang in redelijkheid geen aanwijzingen van het tegendeel blijken. Bij gerede twijfel over de juistheid van de door zijn cliënt verstrekte gegevens, stelt de advocaat een onderzoek in. 
5.5    De raad stelt vast dat klachtonderdeel a) ziet op het verwijt dat verweerder zou hebben nagelaten om de identiteit van zijn cliënten te controleren, terwijl hierover gerede twijfel bestond. Verweerder was daarom gehouden om een onderzoek in te stellen. Door dit niet te doen heeft verweerder in strijd met de artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda gehandeld, aldus klaagster. 
5.6    De raad overweegt dat de verwijten, gebaseerd op de genoemde artikelen 7.1 en 7.2 van de Voda, vallen onder Hoofdstuk 7 van de Voda, getiteld “Relatie advocaat-cliënt”. Het verwijt van klaagster ziet aldus op het handelen van verweerder in de verhouding tot zijn cliënten. 
5.7    Voor zover klaagster stelt dat zij (ook) in haar belang is geraakt door verweerder, nu hij feitelijk voor de zoon optrad en hij met het nalaten van het doen van een onderzoek naar zijn cliënten, eraan heeft bijgedragen dat een frauduleuze constructie in stand werd gelaten wat tot het faillissement van klaagster kon leiden, overweegt de raad als volgt. Verweerder heeft ter zitting aangevoerd dat hij handelde op basis van een volmacht en dat hem in ieder geval op een later moment, middels een face-time gesprek met de ouders, is gebleken dat zij hiermee instemden. Dat zijn cliënten niet op de hoogte waren van zijn bijstand, blijkt hieruit niet. Hetgeen klaagster hierover heeft gesteld, is hiermee naar het oordeel van de raad voldoende door verweerder weerlegd. Dat klaagster op enige andere wijze rechtstreeks in haar belang zou zijn geraakt door het in dit klachtonderdeel genoemde handelen van verweerder, is de raad ook overigens niet gebleken. 
5.8    De raad oordeelt gelet op het voorgaande dat op basis van de overgelegde stukken niet is gebleken van een rechtstreeks belang van klaagster bij klachtonderdeel a). Dit klachtonderdeel klacht zal daarom om die reden niet-ontvankelijk worden verklaard. 
Klachtonderdeel b) - tegenstrijdige verklaringen volmacht
5.9    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen. 
5.10    Klaagster verwijt verweerder tegenstrijdige verklaringen te hebben afgelegd over de vermeende volmacht die hij zou hebben gekregen van de ouders.  
5.11    Naar het oordeel van de raad heeft verweerder gemotiveerd toegelicht dat hij in de bodemprocedure namens zijn cliënten het standpunt innam dat zijn cliënten de zoon niet hebben gemachtigd om namens hen op te treden. In de kort gedingprocedure heeft verweerder gesteld dat zijn cliënten aan de zoon en zijn vrouw een volmacht hebben gegeven om hem te instrueren. Niet gebleken is dat één van beide stellingen onjuist is en van enige tegenstrijdigheid hierin of van het (hiermee) door verweerder verschaffen van onjuiste informatie, is naar het oordeel van de raad geen sprake. 
5.12    Klachtonderdeel b) is ongegrond. 
Klachtonderdeel c) onterecht aanvragen van toevoegingen
5.13    De raad overweegt dat het aanvragen van een toevoeging ziet op de relatie tussen een advocaat en zijn cliënt. Het is niet aan klaagster om hierover te klagen, nu klaagster hier buiten staat.
5.14    Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande, bij gebrek aan het bestaan van een rechtsreeks belang voor klaagster, niet-ontvankelijk. 
Klachtonderdeel d)
5.15    Nu de raad de verwijten in de hiervoor genoemde klachtonderdelen niet-ontvankelijk, dan wel ongegrond heeft verklaard, is het in dit klachtonderdeel genoemde verwijt, dat verweerder klaagster als gevolg van deze handelingen schade zou hebben berokkend, naar het oordeel van de raad eveneens niet-ontvankelijk voor zover dit ziet op de in de klachtonderdelen a) en c) gemaakte verwijten. Klachtonderdeel d) is ongegrond voor zover dit verwijt ziet op het verwijt in klachtonderdeel b). 
5.16    Klachtonderdeel d) is gelet op het voorgaande deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klachtonderdelen a) en c) niet-ontvankelijk;
-    verklaart de klachtonderdelen b) ongegrond;
- verklaart klachtonderdeel d) deels niet-ontvankelijk en deels ongegrond;
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 11 mei 2026.


Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 11 mei 2026