ECLI:NL:TADRAMS:2026:98 Raad van Discipline Amsterdam 25-721/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:98 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 11-05-2026 |
| Datum publicatie: | 18-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-721/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Het verzet wordt ongegrond verklaard. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 11 mei 2026
in de zaak 25-721/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 1 december 2025 op de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
gemachtigde: mr. P.J. Bos
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 27 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 21 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2448827/ER/BF
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 1 december 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter van
de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht kennelijk ongegrond verklaard. Deze
beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 26 december 2025 heeft klaagster verzet ingesteld tegen de beslissing
van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 30 maart 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerder met haar gemachtigde aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, in dat:
- de voorzitter de grens van artikel 46j Advocatenwet heeft overschreden door
een inhoudelijk oordeel te vellen over tegenstrijdige lezingen en door zonder nadere
motivering het verweer van verweerster doorslaggevend te achten;
- onder de klachtonderdelen a) en b) van de beslissing ten onrechte staat dat
verweerster niet verantwoordelijk was voor de processtrategie. Verweerster was juist
bij alle relevante correspondentie betrokken. Zij heeft de zaak kort voor de zitting
overgenomen en zij heeft zelf het pleidooi gevoerd;
- de voorzitter er in de beslissing ten onrechte vanuit is gegaan dat klaagster
op de hoogte was van het schikkingsvoorstel van de wederpartij;
- de beslissing berust op een misinterpretatie van de bewijsstukken;
- de voorzitter ten onrechte is voorbijgegaan aan de kern van de klacht over
de klachtafhandeling: het ontbreken van een onafhankelijke behandeling conform gedragsregel
6;
- in de beslissing ten onrechte wordt miskend dat klaagster pas op 20 september
2024 voor het eerst inhoudelijk contact kreeg met verweerster. Door deze feitelijke
omstandigheid niet te betrekken, is ten onrechte geoordeeld dat van een lastminute
overdracht geen sprake was.
2.2 Tegen de (overige) vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klaagster
in verzet niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 De raad stelt voorop dat klaagster en verweerster – zoals klaagster ook onderkent
- verschillende lezingen hebben over wat er is gebeurd tijdens de zitting van 23 september
2024. Met name op het punt of verweerster, naar aanleiding van de onderhandelingen
op de gang, al dan niet aan klaagster zou hebben medegedeeld voor welk bedrag de wederpartij
bereid was een schikking te treffen, zijn er uiteenlopende verklaringen door hen afgelegd.
4.2 Voordat de raad de klacht hierover (als ook over de overige punten) inhoudelijk
kan beoordelen, moet eerst sprake zijn van een gegrond verzet. Een verzet is alleen
gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter
juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als de voorzitter een verkeerde maatstaf
(toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige
feiten.
4.3 Het is de raad niet gebleken dat de voorzitter is uitgegaan van onjuiste
of onvolledige feiten in de beoordeling. Daar waar klaagster in haar verzet en ter
zitting (nogmaals) heeft betoogd dat zij niet op de hoogte was van (de hoogte van)
het door de wederpartij gedane schikkingsvoorstel, heeft de voorzitter naar het oordeel
van de raad in de beslissing onder 4.5 terecht verwezen naar het e-mailbericht dat
verweerster op 24 september 2024, één dag na de zitting, heeft gestuurd. Verweerster
heeft in dit bericht geschreven dat klaagster daar “gisteren niet voor voelde”. Dat
klaagster niet op de hoogte was van het aanbod van de wederpartij, blijkt hieruit,
zoals ook door de voorzitter overwogen, in ieder geval niet.
4.4 De raad is van oordeel dat ook de overige door klaagster aangevoerde verzetgronden
niet slagen. De voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en
heeft rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
Zij heeft de klacht dus terecht en op juiste gronden kennelijk ongegrond bevonden.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed en J.C. Ellerman, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 11 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 11 mei 2026.