ECLI:NL:TADRAMS:2026:92 Raad van Discipline Amsterdam 25-904/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:92 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 04-05-2026 |
| Datum publicatie: | 08-05-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-904/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de kwaliteit van de dienstverlening van de eigen advocaat is in alle onderdelen ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende voortvarend zou hebben opgetreden, of dat sprake is geweest van een verkeerde uitleg aan klager of een ontbrekend inzicht van verweerster. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 4 mei 2026
in de zaak 25-904/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
gemachtigde: mr. F. Brans
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 24 juni 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 9 januari 2026 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2500305/ER/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 maart 2026. Daarbij
waren klaagster en verweerster met haar gemachtigde aanwezig. Van de behandeling is
proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de door klaagster op 9 januari 2026 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster heeft eind 2022 een lekkage gehad in haar woning, waardoor zij
schade aan haar woning heeft gekregen.
2.3 Klaagster heeft bij haar verzekeraar melding gemaakt van deze schade.
2.4 Van half februari 2023 tot half mei 2023 zijn er herstelwerkzaamheden aan
de woning verricht.
2.5 Een jurist van DAS rechtsbijstand (hierna: DAS) heeft namens klaagster gecorrespondeerd
met de verzekeraar over de schade en de herstelwerkzaamheden.
2.6 In een e-mailbericht van 8 september 2023 heeft de verzekeraar aan klaagster
geschreven, voor zover relevant:
“(…) Onware verklaringen
U geeft aan dat een vergissing menselijk is maar wij zien echter een patroon in
het verstrekken van onware informatie en het opvoeren van kosten die niet voor vergoeding
in aanmerking komen.
(…)
Elektra
Wij hebben meerde keren zowel aan verzekerde als aan u gevraagd de energie-contractprijs
per KwH door te geven die verzekerde betaalde gedurende de periode dat de drogers
en blowers in de woning hebben gestaan. Een kopie van het contract of schermprint
met daarop het leveringsadres en de prijs per Kwh zien wij graag tegemoet voor de
juiste berekening van deze beredderingskosten.
(…)”
2.7 Op 23 september 2024 heeft klaagster een nieuwe schademelding ingediend bij
haar verzekeraar.
2.8 In november 2023 is door het bedrijf Top Expertise onderzoek gedaan naar
de hoogte van de schade. De kosten voor de herstelwerkzaamheden zijn in een rapport
(hierna: het TP rapport) geraamd op € 9.050,- .
2.9 In een e-mailbericht van 5 maart 2024 heeft de verzekeraar aan de jurist
van DAS laten weten dat ook zij een deskundige hadden ingeschakeld en dat de verwachting
was dat het schadebedrag lager zou uitvallen. Desondanks heeft de verzekeraar aan
klaagster het aanbod gedaan om het schadebedrag van € 9.050,- uit het TP Rapport te
vergoeden.
2.10 Klaagster is niet akkoord gegaan met het aanbod van de verzekeraar.
2.11 Verweerster is hierna via DAS ingeschakeld om klaagster juridische bijstand
te verlenen bij het verhalen van haar schade en kosten op de verzekeraar.
2.12 Op 15 oktober 2024 heeft verweerster een opdrachtbevestiging aan klaagster
gestuurd. Verweerster heeft klaagster daarin uitgenodigd voor een telefonische afspraak,
die op 21 oktober 2024 heeft plaatsgevonden.
2.13 In een e-mailbericht van 21 oktober 2024 heeft verweerster naar aanleiding
van het telefonisch contact dat zij die dag met klaagster had gehad, nadere stukken
bij klaagster opgevraagd.
2.14 Bij e-mails van oktober 2024 heeft klaagster stukken aan verweerster gestuurd.
2.15 In een e-mailbericht van 27 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerster
geschreven, voor zover relevant:
“(…) Ik vergat de hoge energiekosten van Essent nadat de dure drogers machine van
de verzekering in mijn huis was. Dit bedrag van 4000 euro wens ik te vorderen. (…)”
2.16 Op 29 oktober 2024 heeft verweerster de ontvangst van de stukken bevestigd.
Daarbij heeft zij aan klaagster laten weten dat zij, na bestudering, erop terug zou
komen.
2.17 In een e-mailbericht van 26 november 2024 heeft klaagster verweerster naar
de voortgang van de zaak gevraagd.
2.18 In een e-mailbericht van 28 november 2025 heeft verweerster klaagster laten
weten dat zij nog bezig was met de bestudering van de stukken en dat zij verwachtte
dat zij klaagster uiterlijk die week daarop kon berichten over de vervolgstappen.
2.19 In een e-mailbericht van 5 december 2024 heeft verweerster klaagster laten
weten dat zij van klaagster nog geen akkoord had ontvangen op de opdrachtovereenkomst.
Zij heeft verder vragen gesteld over de onderbewindstelling van klaagster en inhoudelijke
vragen gesteld over het verloop van het dossier. Dezelfde dag heeft klaagster per
e-mail gereageerd op het bericht van verweerster.
2.20 Op 9 december 2024 hebben verweerster en klaagster een telefonische bespreking
gehad.
2.21 Op 9 december 2024 heeft de door de verzekeraar ingeschakelde deskundige
(hierna: de heer G) het schadebedrag in een rapport vastgesteld (hierna: het DEKRA-rapport)
op een bedrag van € 5.750,-.
2.22 Op 20 januari 2025 is in opdracht van klaagster een rapport opgesteld naar
aanleiding van een bouwkundig onderzoek.
2.23 Bij e-mail van 21 januari 2025 heeft klaagster opnieuw aan verweerster gevraagd
naar een update van haar zaak en de voortgang.
2.24 Op 29 januari 2025 heeft verweerster aan klaagster een uitgebreide e-mail
gestuurd met daarin een procesadvies. Verweerster heeft klaagster bericht dat zij
over onvoldoende informatie beschikte om een juridische procedure te starten tegen
de verzekeraar, dat de schade nader moest worden onderbouwd en dat zij nog verschillende
vragen had die eerst moeten worden beantwoord. Verweerster schrijft in het e-mailbericht
aan klaagster, voor zover relevant:
“(…) Bij het starten van de procedure is de hoofdregel dat de bewijslast bij u ligt.
Het is in uw geval de vraag op de door u genoemde schade te vorderen is. Er dient
in ieder geval een nadere uitsplitsing van de kosten plaatvinden. Het lijkt erop dat
enkele van de genoemde kostenposten betrekking hebben op herstelwerkzaamheden waarvoor
uzelf opdracht heeft gegeven (niet in samenspraak met [de verzekeraar]). Telefonisch
heeft u mij toegelicht dat u dit heeft gedaan op advies van DEKRA. DEKRA zou hebben
geadviseerd om herstelwerkzaamheden uit te voeren op basis van de ontvangen offertes,
nu is vastgesteld dat de badkamer/douche de bron van het probleem vormt. DEKRA is
destijds ingeschakeld door [de verzekeraar], nadat zij alle aannemers had teruggetrokken
uit uw woning. Echter, het onderzoeksrapport van DEKRA zelf, of enige schriftelijke
bevestiging van het bovenstaande advies, is niet aanwezig in het dossier dat mij ter
beschikking staat. Is dit beschikbaar en zo ja, kunt u dit aan mij toesturen? (…)
Conclusie:
Op dit moment beschik ik over onvoldoende informatie om een juridische procedure
te starten. Er zijn verschillende onzekerheden en onduidelijkheden die eerst opgehelderd
moeten worden. Om de schade nauwkeurig in kaart te brengen en een kansrijke procedure
te kunnen starten, heb ik meer details en onderbouwing nodig. (…) Ik verzoek u dan
ook om schriftelijk antwoord te geven op bovenstaande vragen (in rood). Na ontvangst
van uw toelichting stel ik voor dat wij contact hebben om de situatie nogmaals door
te spreken, zodat wij weloverwogen vervolgstappen kunnen nemen.
Het lijkt mij echter wel raadzaam om alvast een aantal dingen aan [de verzekeraar]
voor te leggen. Bijgaand treft u derhalve in concept een brief. (…)
Verweerster heeft de door haar voor de verzekeraar opgestelde conceptbrief bijgevoegd.
2.25 Bij e-mail van eveneens 29 januari 2025 heeft klaagster gereageerd op het
procesadvies van verweerster en akkoord gegeven op de conceptbrief.
2.26 Op 30 januari 2025 heeft verweerster de brief aan de verzekeraar verstuurd.
In deze brief heeft verweerster namens klaagster gevorderd om het resterende bedrag
van de schade van € 9.050,- te vergoeden, de vordering voor de aanvullende schade
gestuit en gevorderd om de aangevangen herstelwerkzaamheden af te ronden.
2.27 Op 13 maart 2025 heeft verweerster aan de verzekeraar een herinnering gestuurd
om te reageren op de brief.
2.28 In een e-mailbericht van 20 maart 2025 heeft de verzekeraar gereageerd op
de brief van verweerster. De verzekeraar heeft laten weten dat zij inmiddels van hun
eigen deskundige het DEKRA-rapport hadden ontvangen waarbij de schade was vastgesteld
op € 5.750,-. De verzekeraar heeft daarbij het aanbod gedaan om het bedrag van € 5.750,-
uit het DEKRA-rapport te vergoeden aan klaagster.
2.29 In een e-mailbericht van 2 april 2025 heeft verweerster aan klager een conceptreactie
gestuurd voor de verzekeraar. In het begeleidende bericht heeft verweerster aan klager
geschreven, voor zover relevant:
“Zoals telefonisch besproken accepteert u het voorstel niet. Dit besluit is mede
gebaseerd op het feit dat [de verzekeraar] herhaaldelijk verwijst naar een rapport
dat zij niet hebben verstrekt. Zonder dit rapport is het moeilijk om een inschatting
te maken van de proceskansen en daarmee te beoordelen of het voorstel gegrond is.
Bovendien ligt het schadebedrag dat u heeft opgegeven aanzienlijk hoger dan het bedrag
dat nu wordt aangeboden, waarbij [de verzekeraar] enkele schadeposten niet in haar
reactie heeft meegenomen.
Daarnaast verwijst [de verzekeraar] naar een tweede schadeclaim. Hoewel we hebben
besproken dat dit een aparte claim betreft, heeft een deskundige aangegeven dat deze
schades wel degelijk met elkaar samenhangen. Kortom: om het vervolg af te kunnen stemmen
zou het prettig zijn indien wij het rapport in bezit hebben waar [de verzekeraar]
naar refereert.
Zoals besproken zal ik deze opvragen.”
2.30 Verweerster heeft de brief hierna dezelfde dag aan de verzekeraar gestuurd
en daarbij laten weten dat zij niet akkoord ging met het voorstel van de verzekeraar
aangezien klaagster meer schade zou hebben geleden. Ook heeft verweerster in dit bericht
gezegd dat het DEKRA-rapport nooit aan haar was verstrekt. Zij heeft daarom gevraagd
het DEKRA-rapport alsnog te verstrekken.
2.31 In een e-mailbericht van 10 april 2025 heeft de verzekeraar het DEKRA-rapport
aan verweerster toegestuurd en gezegd dat het Rapport van Klaagster in het bezit van
klaagster zelf is. Daarnaast heeft de verzekeraar aan verweerster geschreven, voor
zover relevant:
“Wij danken u voor uw bericht.
Ter illustratie doen wij u de volgende rapporten toekomen:
het rapport met bevindingen n.a.v. bouwkundig onderzoek, in opdracht van verzekerde
zelf: Hieruit blijkt dat er liefst zes verschillende schadeoorzaken actief zijn in
de woning, allen uitgesloten van dekking van de verzekering.
het rapport van Dekra, opgesteld in opdracht van ons. Hierbij is rekening gehouden
met schade/onregelmatigheden die door herstellers uit ons netwerk is/zijn ontstaan.
Op basis van deze vaststelling hebben wij een voorstel tot afkoop ter finale kwijting
gedaan.
Uw cliënte, onze verzekerde, gaat niet akkoord met ons voorstel. Uit eerdere correspondentie
liet u zich ook ontvallen dat mevrouw met een onderbouwing van de schade zou komen.
Hier hebben wij tot op heden geen notie van genomen.
Wij zijn van mening dat wij een passend voorstel hebben gedaan om de schade definitief
af te handelen. Uiteraard staat het verzekerde vrij om een aanvullende onderbouwing
in te dienen. Wij moeten u er echter wel op attenderen dat de gehele bouwkundige staat
van de woning wordt meegenomen bij ons oordeel over de te verwachten onderbouwing.
Ons voorstel ter finale kwijting willen wij nogmaals verlengen met 20 werkdagen.
(…)”
2.32 Bij e-mail van 2 mei 2025 heeft verweerster namens klaagster aan de verzekeraar
bericht dat zij niet kan instemmen met het schikkingsvoorstel en gezegd dat klaagster
de schade nader zal onderbouwen. Ook heeft verweerster gevraagd om verstrekking van
het Rapport Klaagster. Tot slot heeft verweerster vraagtekens gezet bij het DEKRA-rapport
wegens de termijn tussen de inspectie en de definitieve verstelling van de dit rapport.
Verweerster heeft hierover geschreven, voor zover relevant:
“(…) Daarnaast verzoekt cliënte om een nadere toelichting op het volgende punt.
Het rapport, waar u het vermeende schadebedrag op baseert, dateert van 9 december
2024, terwijl de inspectie heeft plaatsgevonden op 11 september 2023. Er zit dus meer
dan een jaar(!) tussen de inspectie en het rapport. Het is cliënte dan ook niet duidelijke
hoe na zo'n geruime tijd nog een bedrag kan worden gekoppeld aan de schade. Kunt u
hieromtrent helderheid verschaffen? (…)”
2.33 In een e-mailbericht van 15 mei 2025 heeft de verzekeraar aan verweerster
bericht dat zij alle relevante documentatie hebben toegestuurd. De verzekeraar schrijft
in het e-mailbericht, voor zover relevant:
“Naar mijn weten hebben wij u alle relevante documentatie reeds opgestuurd. Daarnaast
is ons geen onderzoek bekend dat op 20 januari 2025 is uitgevoerd. Het bouwkundig
onderzoek dat is uitgevoerd op het adres (…). Mevrouw is hiervan zelf opdrachtgever,
dus voor verdere documentatie verwijs ik u naar uw eigen cliënte.
De experts die wij inschakelen zijn onafhankelijk en werken met certificering in
betreffend vakgebied. Indien u specifieke vragen heeft over de vaststelling van de
expert, dan verwijs ik u direct naar de expert. Onderstaand treft u de contactgegevens
van [de heer G]
(…)
Graag attenderen wij u erop dat uw cliënte / onze verzekerde meerdere actieve schades
heeft op het verzekerd adres. Er is reeds vastgesteld dat er geen dekking is vanuit
de [de verzekeraar] voor het herstel van deze schadeoorzaken, noch voor de gevolgschade.
(…)
U claimt reeds sinds uw brief d.d. 30 januari 2025 dat [klaagster] haar schade in
kaart zal brengen. Wij hebben echter nog geen enkele objectief staafbare onderbouwing
ontvangen die erop wijst dat de door ons ingeschakelde expert onjuist de schade heeft
vastgesteld. Daarnaast maken wij graag duidelijk dat dit een schademelding betreft
van 14 januari 2023. Mevrouw heeft zich reeds door twee andere juridische entiteiten
laten vertegenwoordigen voor uw inmenging. Wij hebben geen reëel onderbouwing mogen
ontvangen sindsdien.
In het belang van alle partijen wensen wij het dossier te sluiten onder rechtvaardige
voorwaarden. Daarom doen wij u nog eenmaal een voorstel ter finale kwijting toekomen
ad € 5.750,-, conform vaststelling van de expert. Dit voorstel is 10 werkdagen geldig,
derhalve wensen wij voor 30 mei een schriftelijke reactie te ontvangen op dit voorstel.
Indien wij geen akkoord ontvangen op bovenstaand voorstel binnen de gestelde termijn,
verwijzen wij u voor een vervolg van de (externe) klachtprocedure naar het KiFiD.
Wij zullen de interne klachtprocedure in dat geval beëindigen. (…)”
Wij zien uw inhoudelijke reactie met belangstelling tegemoet.
2.34 Op 20 mei 2025 heeft verweerster met klaagster telefonisch contact gehad
waarop het telefoongesprek door klaagster is beëindigd. Direct daarna heeft verweerster
aan klaagster een e-mail gestuurd in verband met het beëindigde telefoongesprek en
haar geïnformeerd over de behandeling van het dossier. Daarnaast heeft verweerster
gezegd dat zij een brief gaat opstellen voor de verzekeraar in verband met de aanvullende
schade die klaagster wil vorderen. Verweerster heeft in het bericht geschreven, voor
zover relevant:
“(…) Telefonisch heb ik u opnieuw geprobeerd om uit te leggen dat, zoals ik ook
al in mijn procesadvies van januari 2025 aangaf, er bepaalde informatie nodig is om
een procedure te kunnen starten. Zonder deze informatie is een vordering namelijk
niet goed onderbouwd en daardoor weinig kansrijk. Telefonisch heeft u aangegeven dat
u vindt dat het proces te lang duurt, waarvoor ik zeker begrip heb maar ik heb u ook
aangegeven dat ik mijn best voor u doe. We hebben immers eerst opnieuw [de verzekeraar]
aangeschreven en zijn dan ook mede afhankelijk van hun reactie termijnen. Ik herken
mij niet in uw verwijt dat alles wat [de verzekeraar] zegt "voor waar wordt aangenomen".
Ik meen alleen dat ik, als uw advocaat, de verplichting heb om uit te zoeken waar
eventuele-valkuilen zitten alvorens ik een procedure aanhangig maak. Indien er immers
een mogelijkheid is om nog te schikken, zou dat niet alleen proceskosten schelen,
maar zou dat er ook voor zorgen dat de zaak wordt bespoedigd. Zoals aangegeven kan
een procedure ook lang duren.
Conform uw verzoek uit onderstaande e-mail, zal ik een brief voor [de verzekeraar]
opstellen met onderstaande informatie. Ik streef er naar om dit voor het einde van
de week aan u toe te sturen. Ook zal ik een procesadvies opstellen, zodat we mogelijk
een procedure aanhangig kunnen maken. In dat kader ben ik zojuist uw polisvoorwaarden
langsgegaan: het voorleggen van een klacht kan hij het Kifid. maar het staat u vrij
om de klacht ook aan de rechter voor te leggen. Uit ons telefoongesprek heb ik opgemaakt
dat dat uw voorkeur heeft.
Tot slot wens ik het volgende op te merken: ik heb voor het uitvoeren van mijn werkzaamheden
wel het onvoorwaardelijk vertrouwen van u nodig. Naar aanleiding van ons telefonisch
contact twijfel ik of dat vertrouwen er is. Indien u zich niet in het voorgaande kan
vinden danwel indien er onvoldoende vertrouwen in mij bestaat, dan verneem ik dat
graag van u. Ik zal DAS Rechtsbijstand alsdan verzoeken de zaak aan een andere advocaat
over te dragen. (…)”
2.35 In een e-mailbericht van 13 juni 2025 heeft verweerster aan klaagster een
conceptbrief voor de verzekeraar toegestuurd in verband met de vordering van de aanvullende
schade. Ook heeft verweerster aan klaagster opnieuw om opheldering gevraagd over de
schadeposten zoals benoemd in haar e-mail van 29 januari 2025 aan klaagster.
2.36 In een e-mailbericht van 23 juni 2025 om 11:32 uur heeft klaagster aan verweerster
geschreven, voor zover relevant:
“(…) Ik wil u vriendelijk verzoeken om uw antwoorden te baseren op de informatie
die reeds in het dossier van DAS aanwezig is. Ik begin anders het gevoel te krijgen
dat DAS mogelijk ook niet een compleet dossier heeft aangeleverd. Dit baart mij zorgen,
vooral als ik zie dat er nog vragen zijn die eenvoudig uit het dossier te halen zouden
moeten zijn. (…)"
2.37 Eveneens op 23 juni 2025 heeft verweerster namens klaagster een brief gestuurd
aan de verzekeraar waarin naast de schade van € 9.050,- aanvullende schade van circa
€ 45.000,- wordt gevorderd en gevraagd de herstelwerkzaamheden af te ronden.
2.38 Op 23 juni 2025 heeft klaagster telefonisch contact gehad met de kantoorgenoot
van verweerster over haar klacht tegen verweerster in verband met de behandeling van
het dossier.
2.39 In een e-mailbericht van 23 juni 2025 heeft de kantoorgenoot aan klaagster
schriftelijk gereageerd op de klacht en gezegd dat het dossier wordt teruggeven aan
DAS. Diezelfde dag heeft klaagster op deze e-mail gereageerd met, voor zover relevant:
“Uw e-mail verbaast mij enigszins. U stelt dat [verweerster] in afwachting zou zijn
geweest van stukken van mijn kant. Die constatering vind ik misplaatst. In januari
heb ik u wél degelijk per mail inhoudelijk gereageerd, en nergens is mij vervolgens
kenbaar gemaakt dat er nog aanvullende stukken van mij verwacht werden. Als dat wél
het geval was, had het op de weg van uw collega gelegen om dit duidelijk en tijdig
te communiceren.
Ik ben dan ook tevreden dat u hebt kunnen vaststellen dat er contact is geweest,
en ik hoop dat u daarbij ook heeft kunnen lezen dat ik vrijwel altijd de initiatiefnemer
van dat contact was. Uw collega kan zelf bevestigen hoe vaak ik haar telefonisch heb
aangesproken op haar gebrek aan communicatie -waarbij ik me soms gedwongen voelde
haar bijna als een klein kind aan te spreken op haar verantwoordelijkheden. Pas wanneer
ik een mail stuurde waarin ik letterlijk de vraag stelde of zij mij aan het ontlopen
was, volgde er reactie.
De suggestie dat ik niet actief zou hebben bijgedragen aan de voortgang van het
dossier, wijs ik dan ook met kracht van de hand.
Ik heb duidelijk aangegeven dat ik deze casus voorleg aan de deken van de orde van
advocaten. De kwestie gaat voor mij verder dan enkel een vertrouwensbreuk: ik wil
een onafhankelijk onderzoek naar het handelen van [verweerster], inclusief het gebrek
aan voortgang, gebrekkige communicatie en de gevolgen die dat voor mij heeft gehad.
(…)”
2.40 Op 24 juni 2025 heeft klaagster een klacht tegen verweerster ingediend bij
de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerster dat zij:
a) ten onrechte heeft nagelaten na ontvangst van het dossier op 15 oktober 2023
cruciale documenten zoals het DEKRA-rapport en de energieverbruik specificaties bij
de verzekeraar op te vragen. Pas nadat klaagster verweerster hierop heeft aangesproken,
heeft, zijn deze stukken opgevraagd. Volgens klaagster kan van verweerster als professioneel
advocaat worden verwacht dat zij de stukken vergaart die essentieel zijn voor de beoordeling
van de zaak;
b) onvoldoende was voorbereid op het telefoongesprek met klaagster doordat zij
tijdens het gesprek nog moest nagaan of de zaak via de KiFiD dan wel voor de rechter
moest worden aangebracht;
c) geen heldere processtrategie heeft gevolgd en geen duidelijk plan van aanpak
heeft gemaakt waardoor de zaak voor klaagster ernstig is vertraagd en nog steeds geen
sprake is van een bevredigende afronding;
d) heeft nagelaten een brief te sturen aan de verzekeraar waarin druk op de verzekeraar
werd uitgeoefend om helderheid te krijgen over de herstelwerkzaamheden.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a), c) en d)
5.2 De raad ziet in de inhoud van de klachtonderdelen a), c) en d) aanleiding
voor een gezamenlijke beoordeling. Het verwijt in deze klachtonderdelen komt er in
de kern op neer dat verweerster heeft nagelaten om tijdig stukken op te vragen en
geen heldere processtrategie heeft gevolgd waardoor de zaak van klaagster ernstig
is vertraagd.
5.3 Verweerster heeft gemotiveerd betwist dat zij zou hebben nagelaten om (tijdig)
stukken op te vragen en de raad volgt haar hierin. De raad stelt vast dat uit de overgelegde
e-mailcorrespondentie blijkt dat verweerster meermaals bij de verzekeraar heeft verzocht
om stukken, waaronder ook het DEKRA-rapport. De verzekeraar heeft dit rapport op 10
april 2025 ook aan verweerster verstrekt, waarna verweerster hierover op 2 mei 2025
aanvullende vragen aan de verzekeraar heeft gesteld. Verweerster heeft klaagster steeds
bij alle correspondentie betrokken en haar op de hoogte gehouden van de stand van
zaken. Verweerster heeft klaagster ook meermaals (in ieder geval op 21 oktober 2024,
29 januari 2025 en 20 mei 2025) gewezen op het belang van het aanleveren van stukken
ook ter onderbouwing van de schade die klaagster stelde te hebben geleden. Wat betreft
de specificaties van het energieverbruik, was klaagster hier zelf bij e-mailbericht
van 8 september 2023 door de verzekeraar om gevraagd. Waarom verweerster deze vervolgens
bij de verzekeraar zou moeten opvragen en waarom verweerster hier een verwijt treft,
ontgaat de raad (bij gebrek aan een nadere uitleg door klaagster) dan ook.
5.4 Door verweerster is naar het oordeel van de raad terecht aangevoerd dat zij
als advocaat gehouden was om de schadevordering eerst van een deugdelijke onderbouwing
te voorzien, voordat zij kon overgaan tot het uitbrengen van een dagvaarding. Verweerster
heeft klaagster hierop ook gewezen, onder meer in haar e-mailbericht van 29 januari
2025 waarin zij een duidelijke processtrategie aan klaagster heeft uiteengezet. Zij
heeft in dit bericht ook toegelicht dat zij nog over onvoldoende informatie beschikte
om een juridische procedure te kunnen starten. Verweerster heeft hierover geschreven
dat zij, om de schade nauwkeurig in kaart te kunnen brengen en een kansrijke procedure
te kunnen starten, meer details en onderbouwing van klaagster nodig had. Daarbij heeft
zij klaagster verzocht om op de in de brief rood gemarkeerde vragen antwoord te geven.
Daarna zouden zij weer contact hebben en zouden er weloverwogen vervolgstappen konden
worden genomen. Naar de raad begrijpt, zijn deze vragen echter (grotendeels) onbeantwoord
gebleven en is ook de benodigde informatie niet verstrekt.
5.5 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat verweerster geen tuchtrechtelijk
verwijt kan worden gemaakt voor wat betreft de klachtonderdelen a), c) en d). Het
is de raad niet gebleken dat verweerster onvoldoende voortvarend zou hebben opgetreden,
of dat verweerster op enige andere wijze niet zou hebben gehandeld met de zorgvuldigheid
die van haar als advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht.
5.6 De klachtonderdelen a), c) en d) zijn ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.7 Klaagster verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij niet goed was
voorbereid. In een telefoongespreek bleek dat verweerster nog niet had onderzocht
of de zaak via de civiele rechter of de Kifid moest worden aangebracht.
5.8 Ook dit verwijt strandt. De raad stelt op grond van de inhoud van het klachtdossier
vast dat verweerster op 20 mei 2025 een e-mailbericht aan klaagster heeft gestuurd
waarin zij verwijst naar een eerder die dag tussen hen gevoerd telefoongesprek. Verweerster
schrijft in het bericht dat zij naar aanleiding van dit gesprek de polisvoorwaarden
van klaagster is nagegaan en dat haar op basis daarvan is gebleken dat klaagster haar
klacht kon voorleggen bij het Kifid, maar dat het klaagster ook vrijstond om de klacht
aan de rechter voor te leggen. Dat sprake is geweest van een verkeerde uitleg of ontbrekend
inzicht van verweerster, is de raad niet gebleken. Verweerster heeft, na een vraag
van klaagster over het Kifid, meteen onderzoek gedaan en zij heeft hierover dezelfde
dag nog de noodzakelijke informatie aan klaagster verschaft. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen is geen sprake.
5.9 Klachtonderdeel b) is gelet op het voorgaande ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a), b), c) en d) ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en W. van Eekhout, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 mei 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 4 mei 2026