ECLI:NL:TADRAMS:2026:9 Raad van Discipline Amsterdam 25-469/A/A/D 25-832/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:9 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 19-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | 25-469/A/A/D: Raadsbeslissing. Dekenbezwaar wordt aangehouden. Het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt toegewezen in dier voege dat verweerder zijn werkzaamheden als advocaat voor in elk geval de duur van de behandeling van het –aangehouden– dekenbezwaar dient te verrichten onder het toezicht van een door de deken aan te dragen, onafhankelijke advocaat, die daarvan maandelijks aan de deken schriftelijk verslag uitbrengt en erop toeziet dat verweerder niet in rechte zal optreden voor cliënten die zich in de piketfase, in de periode van de eerste drie dagen na een aanhouding, als ook in (verdere) (voorlopige) hechtenis bevinden.25-832/A/A: Raadsbeslissing. Het verzoek van verweerder tot opheffing van de schorsing van verweerder op grond van artikel 60ab lid 6 van de Advocatenwet wordt toegewezen. De schorsing op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet van verweerder in de uitoefening van de praktijk als advocaat wordt met onmiddellijke ingang opgeheven. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 19 januari 2026
in de zaken 25-469/A/A/D en 25-832/A/A
naar aanleiding van het bezwaar van:
(25-469/A/A/D)
deken
over:
verweerder
gemachtigde
en:
(25-832/A/A)
het verzoek opheffing schorsing ex artikel 60ab lid 6 Advocatenwet
van verweerder
gemachtigde
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief aan de raad van 17 juli 2025 met kenmerk 2489996, digitaal door
de raad ontvangen op dezelfde datum, heeft de deken zijn bezwaar ter kennis van de
raad gebracht. Op 21 november 2025 heeft de gemachtigde van verweerder (hierna: de
gemachtigde) een verweerschrift aan de raad gestuurd, tevens inhoudende een verzoekschrift
opheffing schorsing ex artikel 60ab lid 6 Advocatenwet.
1.2 Het bezwaar en het verzoekschrift zijn gelijktijdig behandeld op een besloten
zitting van de raad van 8 december 2025, in aanwezigheid van de deken, de voormalig
deken, en de portefeuillehouder strafrecht, en in aanwezigheid van verweerder, zijn
gemachtigde en mr. X. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.3 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken en
van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 5. Ook heeft de raad kennisgenomen
van het verweerschrift met bijlagen 1 en 2, tevens inhoudende een verzoekschrift ex
artikel 60ab lid 6 Advocatenwet, en van een door de deken op 25 november 2025 nagezonden
bijlage 6.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het bezwaar gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 10 april 2025 is verweerder aangehouden. Op 11 april 2025 heeft de rechter-commissaris
in strafzaken van de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) een bevel tot bewaring
van verweerder verleend.
2.3 Op 14 april 2025 heeft de deken op grond van artikel 60ab leden 1 en 2 Advocatenwet
verzocht verweerder in de uitoefening van zijn praktijk te schorsen.
2.4 Op 18 april 2025 heeft de rechtbank in raadkamer de gevangenhouding van verweerder
bevolen voor de duur van zestig (60) dagen en het verzoek tot schorsing van de voorlopige
hechtenis afgewezen.
2.5 Bij beslissing van 24 april 2025 heeft de raad op verzoek van de deken verweerder
met onmiddellijke ingang geschorst in de uitoefening van zijn praktijk als advocaat.
De raad heeft de deken daarbij, op grond van artikel 60ab lid 5 Advocatenwet, de maximale
termijn van zes weken gegund voor het indienen van een dekenbezwaar.
2.6 Bij beslissing van 3 juni 2025 heeft de raad op verzoek van de deken en in
overleg met de gemachtigde, de termijn voor het indienen van een dekenbezwaar op grond
van artikel 60ab lid 5 Advocatenwet met nogmaals zes weken verlengd.
2.7 Bij beslissing van 8 mei 2025 heeft de rechtbank in raadkamer een door verweerder
ingediend verzoek tot opheffing dan wel schorsing van de voorlopige hechtenis, afgewezen.
2.8 Op 12 juni 2025 heeft de rechtbank in raadkamer de voorlopige hechtenis van
verweerder opgeheven. De rechtbank heeft in de beslissing overwogen dat er nog steeds
voldoende ernstige bezwaren tegen verweerder bestaan, maar dat de gronden die tot
het bevel gevangenhouding van verweerder hebben geleid niet (langer) aanwezig zijn.
Het gestelde recidive- en collusiegevaar zijn gelet op de stand van het onderzoek
en het tijdverloop, onvoldoende onderbouwd en daarvan is ook anderszins niet gebleken,
zo oordeelt de rechtbank.
2.9 Op 17 juli 2025 heeft de deken het onderhavige dekenbezwaar tegen verweerder
ingediend bij de raad.
2.10 In een e-mailbericht van de griffie van de raad van 17 juli 2025 aan de
deken en aan de gemachtigde is, voor zover relevant, opgenomen:
“De raad constateert dat het bezwaar binnen de hiertoe geldende termijn, zoals bedoeld
in artikel 60ab lid 5 Advocatenwet (Advw), is ingediend. Daarnaast constateert de
raad dat er door [verweerder] niet om een opheffing van de schorsing op grond van
artikel 60ab lid 6 Advw is verzocht. Daarmee wordt de schorsing van [verweerder] op
grond van artikel 60ab lid 1 Advw voor onbepaalde periode gehandhaafd. (…)”
2.11 Bij beslissing in raadkamer van 7 oktober 2025 heeft de rechtbank een verzoek
van verweerder om op de voet van artikel 29f Wetboek van Strafvordering te verklaren
dat de strafzaak tegen verweerder is geëindigd, afgewezen. De rechtbank heeft overwogen,
voor zover relevant:
“In dit geval heeft het Openbaar Ministerie voldoende aannemelijk gemaakt dat het
opsporingsonderzoek nog gaande is: gesprekken worden (verder) uitgewerkt en aanvullend
onderzoek vindt plaats in het buitenland. Van inactiviteit aan de zijde van het Openbaar
Ministerie of een zodanig lang tijdsverloop dat voortzetting onredelijk is, is op
dit moment geen sprake. Dat het tijdsverloop en de persoonlijke gevolgen voor verzoeker
zwaar wegen, is invoelbaar, maar leidt niet tot een ander oordeel.”
3 BEZWAAR
3.1 Het bezwaar ziet erop dat verweerder, zakelijk weergegeven, tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet.
3.2 Verweerder wordt verdacht van deelname aan een criminele organisatie, vanwege
het doorgeven van berichten binnen de criminele organisatie waarvan de (voormalig)
cliënt van verweerder deel zou uitmaken. Gezien de aard van de verdenking, datgene
wat nu tot het strafdossier behoort en het feit dat de rechtbank op 12 juni 2025 heeft
geoordeeld dat er nog steeds ernstige bezwaren tegen verweerder bestaan, wordt op
dit moment de integriteit van verweerder zo ernstig in twijfel getrokken dat het voor
hem onmogelijk zal zijn om met de vereiste onafhankelijkheid, distantie en geloofwaardigheid
de belangen van zijn cliënten adequaat te behartigen.
3.3 Primair verzoekt de deken om een aanhouding van de behandeling van het dekenbezwaar,
onder handhaving dan wel verlenging van de schorsing van verweerder voor de duur van
(minstens) drie maanden. De deken heeft aangevoerd dat het strafrechtelijk onderzoek
naar verweerder nog niet is afgerond en dat het op dit moment onduidelijk is in welke
fase het onderzoek zich bevindt. Hij heeft nog slechts kennis kunnen nemen van een
onvolledig strafdossier. Een definitief tuchtrechtelijk oordeel kan op dit moment
dan ook nog niet worden geveld.
3.4 Subsidiair heeft de deken verzocht het dekenbezwaar gegrond te verklaren
en een onvoorwaardelijke schorsing aan verweerder op te leggen. Meer subsidiair is
verzocht aan verweerder een voorwaardelijke schorsing op te leggen.
3.5 Ter zitting is aan de deken voorgehouden of hij zich schaart achter het verzoek
van verweerder tot het treffen van een voorlopige voorziening. De deken heeft daarop
te kennen gegeven in te stemmen met het treffen van voorlopige voorzieningen. Die
voorzieningen moeten dan zodanig worden vormgegeven dat het verweerder tot nader order
niet zal zijn toegestaan om de strafrechtpraktijk op ‘zichtbare’ wijze althans in
volle omvang uit te oefenen, aldus steeds de deken
4 VERWEER EN VERZOEK OPHEFFING SCHORSING
Verweer tegen het dekenbezwaar
4.1 Verweerder heeft tegen het bezwaar verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
Verzoek opheffing schorsing ex artikel 60ab lid 6 Advocatenwet
4.2 Verweerder verzoekt:
- primair de schorsing in de uitoefening van de praktijk op te heffen;
- subsidiair de schorsing op te heffen, onder het treffen van een voorlopige voorziening
op grond van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet.
5 BEOORDELING IN BEIDE ZAKEN
Toetsingskaders
5.1 Op grond van artikel 60ab Advocatenwet kan de raad op verzoek van de deken
een advocaat jegens wie een ernstig vermoeden is gerezen van een handelen of nalaten
waardoor enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig is geschaad of
dreigt te worden geschaad, met onmiddellijke ingang schorsen in de uitoefening van
de praktijk of een voorlopige voorziening met betrekking tot diens praktijkuitoefening
treffen, indien enig door artikel 46 van de Advocatenwet beschermd belang dit vergt.
5.2 Een spoedvoorziening als bedoeld in artikel 60ab van de Advocatenwet is alleen
bedoeld voor ernstige excessen met de aanpak waarvan geen uitstel kan worden geduld.
Per geval moet de raad aan de hand van de omstandigheden beoordelen of het noodzakelijk
is dat direct wordt ingegrepen. Daarbij maakt de raad een afweging tussen aan de ene
kant het algemeen belang (uit artikel 46 van de Advocatenwet) en aan de andere kant
het individuele belang van de betrokken advocaat. Het is daarbij belangrijk dat een
spoedvoorziening alleen bedoeld is als ordemaatregel om de periode te overbruggen
totdat de tuchtrechter in de gewone tuchtprocedure die volgt op de in te dienen dekenklacht
definitief heeft beslist (Kamerstukken II 2007/08, 31385, nr. 7, p. 2 en 3).
5.3 De tuchtrechter toetst het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan
de in artikel 46 Advocatenwet omschreven betamelijkheidsnorm. Daarbij betrekt de tuchtrechter
onder meer de kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid en geheimhouding zoals omschreven
in artikel 10a lid 1 Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, vanwege het open karakter van de wettelijke norm, daarbij
wel van belang zijn (direct of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen, hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter
per geval beoordeeld (zie HvD 23 april 2021, ECLI:NL:TAHVD:2021:77).
Aanhouding behandeling dekenbezwaar
5.4 De raad stelt vast dat verweerder op 11 april 2025 in bewaring is gesteld
in verband met een verdenking van ernstige strafbare feiten. Alhoewel de voorlopige
hechtenis van verweerder op 12 juni 2025 door de rechtbank is opgeheven, duren de
door de rechtbank aangenomen ernstige bezwaren voort. Aan het vereiste dat sprake
moet zijn van een ernstig vermoeden dat een belang dat wordt beschermd door artikel
46 van de Advocatenwet ernstig is geschaad, is hiermee voldaan. De verdenking tegen
verweerder raakt immers de advocatuurlijke kernwaarden integriteit, onafhankelijkheid
en geheimhouding.
5.5 Op 7 oktober 2025 heeft de rechtbank overwogen dat het Openbaar Ministerie
(OM) voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat het opsporingsonderzoek tegen verweerder
nog gaande was. Meer inzicht in de stand van het strafrechtelijk onderzoek ontbreekt
op dit moment echter. Verweerder heeft erop gewezen dat al geruime tijd geen stukken
meer zijn toegevoegd aan het strafdossier. De deken en verweerder hebben sinds afgelopen
voorjaar nauwelijks tot geen nadere informatie gekregen. Navraag bij het OM heeft
niets opgeleverd. Het is ook voor de raad op dit moment ongewis op welke termijn er
nieuwe informatie door het OM zal worden verstrekt en welke (tuchtrechtelijke) gevolgen
deze informatie zal (kunnen) hebben voor de positie van verweerder in de uitoefening
van zijn beroep als strafrechtadvocaat. Het is daarom op dit moment niet mogelijk
om een definitief tuchtrechtelijk oordeel te vellen over het handelen van verweerder.
Tegen die achtergrond is de raad van oordeel dat het verzoek tot aanhouding van de
behandeling van het dekenbezwaar, moet worden toegewezen. De behandeling van het dekenbezwaar
zal worden aangehouden voor de duur van één (1) jaar. De raad draagt de deken op om
uiterlijk 1 november 2026 aan de griffie van de raad (en in kopie aan verweerder)
een eventuele aanvulling op het dekenbezwaar te verstrekken en daarbij te berichten
of een nadere behandeling van het dekenbezwaar ter zitting gewenst is.
Opheffing schorsing
5.6 Verweerder bevindt zich niet langer in voorlopige hechtenis. De schorsingsgrond
van artikel 60 ab lid 2 Advocatenwet doet zich dan ook niet (meer) voor.
5.7 Bij de beoordeling van de vraag of de schorsing op andere gronden moet worden
gehandhaafd dan wel moet worden opgeheven stelt de raad voorop dat een schorsing op
grond van artikel 60ab van de Advocatenwet geen onevenredig nadelige gevolgen mag
hebben voor de betrokken advocaat. Gelet op het ingrijpende karakter van een dergelijk
verzoek, moet ook worden gewaarborgd dat verweerder zo spoedig mogelijk duidelijkheid
verkrijgt over zijn situatie (zie de memorie van toelichting, Kamerstukken II 2007/08,
31385, nr. 3, p. 5). De Advocatenwet voorziet in dit verband ook in termijnen waarbinnen
een klacht of dekenbezwaar moet worden ingediend.
5.8 Naar het oordeel van de raad kan een voortduring van de schorsing van verweerder
in de uitoefening van zijn advocatenpraktijk op de voet van artikel 60ab lid 1 Advocatenwet
niet langer worden gerechtvaardigd. Verweerder heeft inmiddels ruim 9 maanden zijn
praktijk als advocaat niet meer uitgeoefend. Verweerder heeft gemotiveerd aangevoerd
dat hij zowel financiële- als reputatieschade lijdt als gevolg van de aan hem opgelegde
schorsing in de uitoefening van zijn praktijk. Hij heeft al geruime tijd geen enkele
inkomstenbron meer en is al maanden voor zijn levensonderhoud volledig afhankelijk
van zijn naasten. Daar komt bij dat – ondanks pogingen van verweerder en de deken
om inzicht te bespoedigen – ieder inzicht in de status van en vooruitzichten ten aanzien
van het opsporingsonderzoek ontbreekt. Hoewel de aard van de verdenking ernstig is,
is van een veroordeling geen sprake en heeft verweerder ook geen tuchtrechtelijk verleden.
De raad concludeert alles bij elkaar genomen dat verweerder bij een voortduring van
de schorsing disproportioneel en onevenredig in zijn belangen wordt getroffen. Het
verzoek van verweerder tot opheffing van de schorsing op grond van artikel 60ab lid
6 van de Advocatenwet wordt toegewezen. De raad heft met onmiddellijke ingang de schorsing
van verweerder op.
Treffen van een voorlopige voorziening
5.9 Op grond van artikel 60ab lid 1 van de Advocatenwet kan een voorlopige voorziening
worden getroffen indien enig door artikel 46 Advocatenwet beschermd belang ernstig
is of dreigt te worden geschaad. Zie ook Raad van Discipline ’s-Gravenhage 1 oktober
2024, ECLI NL TADRSGR 2024 163. Blijkens de wetsgeschiedenis kan daarbij onder meer
worden gedacht aan de mogelijkheid dat de betrokken advocaat zijn werkzaamheden tijdelijk
onder het toezicht van een andere advocaat verricht, of dat bepaalde dossiers aan
een andere advocaat worden overgedragen. Dit kan aangewezen zijn als een schorsing
een te verstrekkend middel zou zijn (Kamerstukken II 2007/08, 31 385, nr. 3, p. 4
e.v. (MvT).
5.10 De raad acht een voorlopige voorziening als hier bedoeld een passend en
minder verstrekkend middel om zowel het algemeen belang te beschermen als tegemoet
te komen aan voormelde belangen van verweerder. De raad zal bepalen dat verweerder
voor in elk geval de duur van de behandeling van het - aan te houden - dekenbezwaar
zijn werkzaamheden als (strafrecht)advocaat slechts kan verrichten onder toezicht
van een door de deken aan te dragen, onafhankelijke advocaat, die daarvan maandelijks
aan de deken schriftelijk verslag uitbrengt. Het zal verweerder bovendien niet zijn
toegestaan op te treden voor cliënten in de piketfase, in de periode van de eerste
drie dagen na een aanhouding, en voor cliënten die zich in (voorlopige) hechtenis
bevinden. Dit houdt ermee verband dat de verdenking die tegen verweerder is gerezen,
rechtstreeks verband houdt met het optreden als advocaat in de fase van de (voorlopige)
hechtenis.
5.11 Door de deken wordt bepaald – na overleg met de toezichthoudend advocaat
en verweerder – op welke wijze en met welke frequentie de begeleiding in de praktijk
wordt uitgeoefend en wordt geëvalueerd. Verweerder dient zich vervolgens daaraan te
houden.
5.12 Verweerder legt aan zowel de deken als de toezichthoudend advocaat periodiek
een overzicht over van alle dossiers die hij behandelt, onder vermelding van het rechtsgebied
waarop de zaak betrekking heeft en, voor zover het strafzaken betreft, van de fase
in het strafproces waarin de cliënt op dat moment verkeert.
5.13 De raad beseft dat verweerder met deze voorziening aanzienlijk wordt beperkt
in de vrijheid van zijn praktijkuitoefening. Met deze ordemaatregel kan verweerder
echter aan het werk als advocaat, zijn advocatenpraktijk in stand houden en inkomsten
genereren. Verweerder heeft in dit verband overigens te kennen gegeven te willen onderzoeken
of hij zich als advocaat kan gaan toeleggen op werkzaamheden buiten de strafrechtpraktijk.
Ook kan verweerder hierdoor werken aan herstel van het vertrouwen dat de rechterlijke
macht, de politie, het OM en de samenleving in iedere advocaat moet (kunnen) hebben,
in afwachting van een definitief (tuchtrechtelijk) oordeel.
BESLISSING
De raad van discipline:
Zaaknummer 25-469/A/A/A
- wijst het primaire verzoek van de deken tot aanhouding van de behandeling van
het dekenbezwaar toe met dien verstande dat de behandeling van het dekenbezwaar wordt
aangehouden voor de duur van één jaar;
- draagt de deken op een eventuele aanvulling op het bezwaarschrift uiterlijk 1
november 2026 aan de griffie van de raad (en in kopie aan verweerder) te verstrekken
en daarbij te berichten of een nadere behandeling van het dekenbezwaar ter zitting
bij de raad gewenst is;
- wijst het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als bedoeld in
artikel 60ab van de Advocatenwet toe, in dier voege dat:
• verweerder zijn werkzaamheden als advocaat voor in elk geval de duur van de
behandeling van het –aangehouden– dekenbezwaar dient te verrichten onder het toezicht
van een door de deken aan te dragen, onafhankelijke advocaat, die daarvan maandelijks
aan de deken schriftelijk verslag uitbrengt en erop toeziet dat verweerder niet in
rechte zal optreden voor cliënten die zich in de piketfase, in de periode van de eerste
drie dagen na een aanhouding, als ook in (verdere) (voorlopige) hechtenis bevinden;
• door de deken wordt bepaald – na overleg met de toezichthoudend advocaat en
verweerder – op welke wijze en met welke frequentie de begeleiding van verweerder
in de praktijk wordt uitgeoefend en wordt geëvalueerd, waaraan verweerder zich vervolgens
dient te houden;
• verweerder aan zowel de deken als de toezichthoudend advocaat periodiek een
overzicht overlegt van alle dossiers die hij behandelt, onder vermelding van het rechtsgebied
waarop de zaak betrekking heeft en, voor zover het strafzaken betreft, van de fase
in het strafproces waarin de cliënt op dat moment verkeert;
- wijst de overige verzoeken af.
Zaaknummer 25-832/A/A
- wijst toe het verzoek van verweerder tot opheffing van de schorsing van verweerder
op grond van artikel 60ab lid 6 van de Advocatenwet;
- heft met onmiddellijke ingang op de schorsing op grond van artikel 60ab lid 1
van de Advocatenwet van verweerder in de uitoefening van de praktijk als advocaat.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. K.C. van Hoogmoed, R. Vos, D. Horeman en N.M.K. Damen, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 19 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 19 januari 2026