ECLI:NL:TADRAMS:2026:80 Raad van Discipline Amsterdam 26-164/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:80 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 13-04-2026 |
| Datum publicatie: | 23-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-164/A/A |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in hoedanigheid van deken of tuchtrechter |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de deken kennelijk ongegrond in procedures rondom aanwijzing advocaat (artikel 13 Advocatenwet). |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
13 april 2026
in de zaak 26-164/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. R.J. Skála
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 2 maart 2026 met kenmerk 2510749/ER/KV, door de raad ontvangen op 2 maart 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door verweerster op 26 maart 2026 nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerster is de huidige deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Noord-Nederland.
1.2 Klaagster en haar ex-partner zijn in 2009 uit elkaar gegaan en formeel in
2015 gescheiden. Klaagster is sinds 2009 verwikkeld in geschillen en procedures over
de vermogensrechtelijke afwikkeling van het huwelijk (huwelijkse voorwaarden, de pensioenverevening
en partneralimentatie).
1.3 Verweerster heeft in verband met deze geschillen op basis van een artikel
13 Advocatenwet-verzoek een aantal advocaten toegewezen, te weten mr. Van B in november
2016, mr. Van D in december 2020, mr. B in september 2022 en laatstelijk in april
2023 mr. D voor bijstand in een kortgedingprocedure.
1.4 Op 9 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Nederland
vonnis gewezen in dat kort geding. De voorzieningenrechter heeft klaagster veroordeeld
tot onder meer het opheffen van een aantal ten laste van de ex-partner gelegde beslagen,
op straffe van verbeurte van een dwangsom. Naar aanleiding van de tegenvordering van
klaagster, is het haar ex-partner verboden tot verdere executie van de beschikkingen
van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2022 over te gaan.
1.5 Mr. D heeft klaagster vervolgens op 15 mei 2023 (kort gezegd) een negatief
procesadvies gegeven voor het instellen van hoger beroep en/of het starten van een
executiegeschil, omdat deze procedures volgens hem geen redelijke kans van slagen
hadden.
1.6 Op 15 mei 2023 heeft klaagster een nieuw (vijfde) verzoek bij verweerster
gedaan om een advocaat aan te wijzen op grond van artikel 13 Advocatenwet.
1.7 Bij beslissing van 16 mei 2023 heeft verweerster dit verzoek afgewezen. Hieraan
heeft verweerster het volgende ten grondslag gelegd, voor zover relevant:
“Bij de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing betrekt de deken ook de kans
van slagen. De deken sluit zich aan bij het oordeel van mr. [D]. Zij is van mening
dat verzoekster over meer argumenten dient te beschikken dan enkel een restitutierisico
om de executie van een vonnis te staken. Het restitutierisico is een argument dat
reeds in drie instanties is meegewogen bij de uitvoerbaar bij voorraad verklaring
van de uitspraken.
Op grond van artikel 13 lid 2 kan de deken het verzoek om aanwijzing steeds wegens
gegronde redenen afwijzen.
Met het voorgaande en mede in aanmerking nemende dat verzoekster inmiddels al viermaal
een advocaat toegewezen heeft gekregen inzake het dispuut tussen dezelfde partijen
(verzoekster versus haar voormalige echtgenoot), is de deken van oordeel dat van dergelijke
gegronde redenen ten deze sprake is.”
1.8 Klaagster heeft tegen deze beslissing beklag gedaan bij het Hof van Discipline.
Bij beslissing van 31 mei 2023 heeft het Hof van Discipline het beklag van klaagster
ongegrond verklaard. Uit de beslissing van het Hof van Discipline volgt dat het verzoek
van klaagster ziet op bijstand bij het instellen van hoger beroep tegen het kortgedingvonnis
van 9 mei 2023. De gronden voor afwijzing zijn, zakelijk weergegeven, de omstandigheid
dat klaagster al voldaan had aan het vonnis en dus geen belang meer had en dat het
door haar gewenste hoger beroep geen redelijke kans van slagen had.
1.9 Op 1 juni 2023 heeft klaagster een verzoek om herziening van deze beslissing
ingediend bij het Hof van Discipline. Op 11 september 2023 heeft het Hof van Discipline
klaagster niet-ontvankelijk verklaard in dit verzoek.
1.10 In de tussentijd heeft klaagster mr. Van der M bereid gevonden haar bij
te staan. Op 9 mei 2023 heeft mr. Van der M namens klaagster pro forma hoger beroep
ingesteld tegen het kortgedingvonnis van 9 mei 2023. Op 3 juli 2023 heeft mr. Van
der M zijn bijstand aan klaagster beëindigd, omdat een voldoende vertrouwensbasis
ontbrak en omdat het hoger beroep geen kans van slagen had
1.11 Op 11 juli 2023 heeft klaagster bij verweerster wederom een (zesde) verzoek
gedaan om aanwijzing van een advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet. Verweerster
heeft hierop het standpunt van mr. Van der M opgevraagd omtrent de slagingskansen.
Mr. Van der M heeft op 13 juli 2023 hierop gereageerd. Op 18 juli 2023 heeft verweerster
dit verzoek afgewezen, primair op de grond dat al eerder op hetzelfde verzoek van
klaagster was besloten (namelijk bij de beslissing van 16 mei 2023) en subsidiair
omdat er geen sprake was nieuwe omstandigheden. Klaagster heeft ook tegen het afwijzingsbesluit
van 18 juli 2023 beklag gedaan, maar dit beklag weer ingetrokken, waardoor het besluit
onherroepelijk is geworden.
1.12 Vervolgens heeft klaagster mr. V bereid gevonden haar bij te staan. Bij
e-mail van 30 augustus 2023 heeft mr. V zich echter onttrokken aan de procedure bij
het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden vanwege een vertrouwensbreuk die was ontstaan en
klaagster geïnformeerd dat zich uiterlijk op 3 oktober 2023 een nieuwe advocaat moest
stellen en dat vier weken nadien een memorie van grieven moest worden ingediend.
1.13 Op 11 september 2023 heeft klaagster een nieuw (zevende) verzoek om aanwijzing
ex artikel 13 Advocatenwet ingediend bij verweerster. Bij beslissing van 20 september
2023 heeft verweerster dit aanwijzingsverzoek afgewezen. Ook tegen deze beslissing
heeft klaagster beklag gedaan. Op 2 oktober 2023 heeft het Hof van Discipline het
beklag ongegrond verklaard. Hierbij is in randnummer 4.7 het volgende overwogen:
“[Klaagster] stelt dat het vonnis van 9 mei 2023 berust op een juridische misslag
en dat dit wordt miskend. Daargelaten dat dit geen nieuwe omstandigheid is zoals hiervoor
bedoeld, vindt deze stelling geen steun in het dossier. De advocaten die [klaagster]
hebben bijgestaan, mrs. [D], Van der [M] [V], zijn allen van oordeel dat het vonnis
niet berust op enige misslag (de voorzieningenrechter was gehouden uit te gaan van
de beschikkingen van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 28 juni 2022 en mag geen
rekening houden met een mogelijk uitkomst van het cassatieberoep). Dat volgens [klaagster]
de voorzieningenrechter op grond van de afstemmingsregel anders had moeten beslissen
is onvoldoende voor de conclusie dat het vonnis op een juridische misslag berust.
Het hof zal daarom aan de stelling voorbij gaan. De deken mocht zich terecht baseren
op de analyses van voormelde advocaten.”
1.14 Uit de beslissing van het Hof van Discipline volgt dat het verzoek van klaagster
ziet op bijstand in twee procedures, namelijk (het reeds ingestelde) hoger beroep
tegen het vonnis van 9 mei 2023 en een (in te stellen) kort geding dat erop zag dat
de incasso van verbeurde dwangsommen werd gestaakt. Naar het oordeel van het Hof van
Discipline heeft klaagster in haar beklag onvoldoende feitelijk onderbouwd dat sprake
was van nieuwe feiten of omstandigheden.
1.15 Daarna heeft klaagster mr. Van W bereid gevonden haar bij te staan, die
op 31 oktober 2023 de memorie van grieven heeft ingediend. Op 21 mei 2024 heeft het
Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden het kort geding vonnis van 9 mei 2023 vernietigd en
de vorderingen van de ex-partner van klaagster alsnog afgewezen.
1.16 Bij brief van 2 augustus 2024 heeft klaagster verweerster in haar hoedanigheid
van deken aansprakelijk gesteld. Verweerster heeft de aansprakelijkstelling op 26
september 2024 afgewezen.
1.17 Op 25 februari 2025 heeft klaagster een tweede herzieningsverzoek ingediend
tegen de beslissing van het Hof van Discipline van 31 mei 2023. In dit verzoek was
ook de onderhavige klacht vervat.
1.18 Bij beslissing van 7 augustus 2025 heeft de voorzitter van het Hof van Discipline
de klacht voor onderzoek en afhandeling verwezen aan de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster
het volgende:
a) verweerster heeft geen nazorg verleend nadat een advocaat was aangewezen op
grond van artikel 13 Advocatenwet;
b) verweerster heeft een onjuist negatief procesadvies van de aangewezen advocaat
klakkeloos overgenomen;
c) verweerster heeft een onjuiste belangentoets gemaakt;
d) verweerster heeft beroepsfouten miskend van verplicht juridische beroepskaders
bij opheffing van beslagen;
e) verweerster heeft de noodsituatie bij klaagster bij dreigende verduistering
van verhaalsobjecten miskend;
f) verweerster is vooringenomen;
g) verweerster heeft met andere advocaten samengespannen;
h) verweerster heeft klaagster als querulant neergezet;
i) verweerster heeft toegang tot gefinancierde rechtsbijstand geweigerd;
j) verweerster heeft de voorzitters van het Hof van Discipline herhaaldelijk
misleid en zich vervolgens op de beslissing van het Hof van Discipline beroepen;
k) verweerster heeft geen inzicht in eigen falen;
l) verweerster heeft de aansprakelijkstelling van klaagster niet aan haar beroepsaansprakelijkheidsverzekeraar
doorgestuurd; [dit klachtonderdeel is bij repliek ingetrokken, zodat dit verder geen
bespreking behoeft]
m) verweerster heeft klachtwaardig gehandeld als poortwachter;
n) verweerster heeft de klacht van klaagster tegen haar, daterend van 26 februari
2025, niet direct doorverwezen (terwijl zij daartoe als bestuursorgaan verplicht was);
o) verweerster heeft zich onnodig grievend en onjuist uitgelaten over klaagster
richting het Hof van Discipline;
p) verweerster heeft klaagster in diskrediet gebracht door de (onjuiste en onnodig
grievende) reactie van mr. Van der M van 13 juli 2023 in het geding te brengen, zonder
wederhoor toe te passen;
q) verweerster heeft in haar correspondentie de eer en goede naam van klaagster
aangetast;
r) verweerster vertoont gebrekkige juridische kennis;
s) verweerster heeft als bestuursorgaan misbruik gemaakt van macht (détournement
de pouvoir).
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Verweerster wordt beklaagd in haar hoedanigheid van deken.
4.2 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk
uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in
een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten
zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening
van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende,
dan beoordeelt de tuchtrechter of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft
geschaad. De aard en functie van deken brengt met zich mee dat bij de tuchtrechtelijke
controle, waaraan ook het optreden van een deken is onderworpen, terughoudendheid
dient te worden betracht vanwege de beleidsvrijheid die een advocaat in die functie
toekomt.
4.3 Op grond van artikel 13 Advocatenwet kan een rechtzoekende die niet (tijdig)
een advocaat bereid vindt hem bij te staan in een zaak waarin vertegenwoordiging door
een advocaat is voorgeschreven of bijstand uitsluitend door een advocaat kan geschieden,
zich wenden tot de deken met het verzoek een advocaat aan te wijzen. De deken kan
een verzoek op grond van dit artikel alleen wegens gegronde redenen afwijzen. Een
dergelijke reden kan onder meer bestaan indien de door klager gewenste procedure geen
verplichte procesvertegenwoordiging kent, of indien de procedure geen redelijke kans
van slagen heeft.
4.4 De raad zal de klachtonderdelen aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a) geen nazorg na aanwijzing advocaat op grond van artikel 13 Advocatenwet.
4.5 Klaagster verwijt verweerster dat zij haar geen nazorg heeft verleend nadat
een advocaat was aangewezen op grond van artikel 13 Advocatenwet.
4.6 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Allereerst stelt de voorzitter vast dat
klaagster niet duidelijk toelicht wat zij in deze situatie onder nazorg verstaat.
Verweerster heeft toereikend toegelicht dat zij - nadat zij in een eerder stadium
drie andere advocaten had toegewezen - in april 2023 mr. D had aangewezen voor bijstand
in een kort geding. Op 9 mei 2023 heeft de voorzieningenrechter vonnis gewezen in
het betreffende kort geding. Daarmee heeft mr. D de zaak waarvoor hij is aangewezen
afgerond. Voor zover klaagster stelt dat verweerster mr. D had moeten aansporen om
zijn diensten ook voor de vervolgprocedures te verlenen geldt het volgende. Het Hof
van Discipline heeft in 2023 geoordeeld dat de deken een rol kan hebben in het natraject,
indien de aangewezen advocaat zijn verplichtingen niet nakomt (ECLI:NL:TAHVD:2023:54).
In dit geval is daarvan geen sprake geweest. Mr. D heeft namelijk zijn diensten verleend
en heeft hij voldaan aan zijn verplichting op grond van artikel 13 lid 4 Advocatenwet.
Het hoger beroep betrof een nieuwe zaak, waarvoor klaagster een afzonderlijk verzoek
tot aanwijzing heeft ingediend. Verweerster voert terecht aan dat dit valt buiten
de reikwijdte van de oorspronkelijke aanwijzing en eventuele nazorg. Daarmee is klachtonderdeel
a) kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b) klakkeloos overnemen van negatief procesadvies.
4.7 Klaagster stelt dat verweerster het negatieve procesadvies dat mr. D op 15
mei 2023 aan klaagster had verstrekt klakkeloos heeft overgenomen.
4.8 Dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft gemotiveerd aangevoerd
dat zij zich bij het oordeel van mr. D had aangesloten en het verzoek om een aanwijzing
op 16 mei 2023 had afgewezen, omdat er geen reden was om aan te nemen dat mr. D niet
in redelijkheid tot zijn oordeel had kunnen komen. Het Hof van Discipline heeft in
zijn beslissing van 31 mei 2023 het beklag vervolgens afgewezen en daarbij overwogen
dat de door klaagster gewenste procedure geen redelijke kans van slagen had. In de
beslissing van het Hof van Discipline van 20 september 2023, naar aanleiding van het
door verweerster afgewezen verzoek tot aanwijzing van 11 september 2023, is dat bevestigd
(zie de overweging bij randnummer 4.9 bij de feiten weergegeven). Verweerster heeft
verder terecht betoogd dat een deken - die geen inhoudelijk specialist is in elke
zaak - volgens vaste jurisprudentie mag afgaan op zijn eigen inschatting, maar moet
afgaan op het procesadvies van een advocaat (bijvoorbeeld Hof van Discipline, 18 augustus
2024, ECLI:NL:TAHVD:2024:218). Een eigen beoordeling van de deken is enkel toegestaan
als het zonder meer evident is dat de zaak geen kans van slagen heeft. Van die situatie
was gezien de complexiteit van de zaak geen sprake. En daarmee komt de voorzitter
tot de slotsom dat klachtonderdeel b) eveneens kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel c) maken van een onjuiste belangentoets
4.9 Klaagster stelt dat verweerster een onjuiste belangentoets heeft verricht
en verwijst daarbij naar verweersters beslissing van 16 mei 2023.
4.10 Ook dit klachtonderdeel faalt. Zoals door verweerster toegelicht, gaat zij
in haar beslissing van 16 mei 2023 niet in op het belang van klaagster. Klaagsters
verzoek is afgewezen omdat er op basis van het procesadvies onvoldoende kans van slagen
was. Voor zover klaagster bedoelt te zeggen dat er een onjuiste toepassing is gegeven
aan de afstemmingsregel, wordt verwezen naar de bespreking van klachtonderdeel b)
en naar rechtsoverweging 4.7 van de beslissing van het Hof van discipline van 20 september
2023 (randnummer 1.13). Daarin is overwogen dat de stelling van klaagster dat de voorzieningenrechter
op grond van de afstemmingsregel anders had moeten beslissen, onvoldoende is voor
de conclusie dat het vonnis op een juridische misslag berust. Klachtonderdeel c) is
hiermee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d) miskenning beroepsfouten bij opheffen beslag
4.11 Klaagster stelt dat verweerster beroepsfouten heeft miskend van verplicht
juridische beroepskaders bij opheffing van beslagen.
4.12 Dit klachtonderdeel treft ook geen doel. Verweerster heeft genoegzaam toegelicht
dat de juridische beroepskaders bij opheffing van het beslag door mr. D zijn betrokken
in zijn procesadvies en dat verweerster toen zij een beslissing moest nemen over het
aanwijzingsverzoek van klaagster geen reden had te twijfelen aan zijn procesadvies.
Het Hof van Discipline zag hiertoe in twee uitspraken ook geen aanleiding. Voor zover
klaagster stelt dat het verweersters doel was om klaagster te hinderen, heeft verweerster
dit uitdrukkelijk betwist en is dit ook de voorzitter niet gebleken. Klachtonderdeel
d) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel e) miskenning noodsituatie bij dreigende verduistering van verhaalsobjecten
4.13 Klaagster stelt dat verweerster haar noodsituatie bij dreigende verduistering
van verhaalsobjecten heeft miskend.
4.14 Ook hierin volgt de voorzitter klaagster niet. Verweerster heeft terecht
aangevoerd dat het al dan niet bestaan van een noodsituatie niet bepalend is voor
de beoordeling van een verzoek tot aanwijzing, maar dat het hoogstens een rol kan
spelen bij de snelheid van besluiten en de keuze van de advocaat als tot aanwijzing
wordt overgegaan. Klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel f) vooringenomenheid
4.15 Klaagster verwijt verweerster dat zij vooringenomen is vanwege banden die
volgens klaagster bestaan tussen verweerster met de advocaat van de wederpartij en
met mr. Van der M.
4.16 Dit klachtonderdeel treft geen doel. Zoals door verweerster is aangevoerd,
heeft zij in diverse procedures van klaagster tegen haar ex-partner in 2016, 2020,
2022 en 2023 een viertal advocaten aangewezen. Bij het vijfde verzoek heeft verweerster
als uitgangspunt genomen het negatieve procesadvies van de eerder door haar aangewezen
advocaat. Dat vooringenomenheid een rol heeft gespeeld bij verweersters besluitvorming,
is de voorzitter op geen enkele manier gebleken en laat zich niet rijmen met de eerdere
verzoeken van klaagster tot aanwijzing die wel zijn toegewezen. Voor zover klaagster
stelt dat ook uit de toonzetting en de inhoud van het verweerschrift in deze klachtprocedure
vooringenomenheid blijkt, wordt deze stelling als ongegrond gepasseerd. Klachtonderdeel
f) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel g) samenspannen met andere advocaten
4.17 Klaagster verwijt verweerster dat zij heeft samengespannen met andere advocaten.
4.18 De voorzitter overweegt dat klaagster voor dit verwijt geen plausibele onderbouwing
heeft gegeven. Ook het klachtdossier bevat geen aanknopingspunten die dit verwijt
ondersteunen. Van een onderonsje tussen verweerster en mr. Van M zoals door klaagster
gesteld is de voorzitter niet gebleken. Evenmin is de voorzitter gebleken van omstandigheden
die verweerster aanleiding hadden moeten geven haar toezichthoudende taak uit te oefenen
en handhavend op te treden wegens vermeend normoverschrijdend gedrag van mr. K, die
optrad als de advocaat van de ex-partner. Dit klachtonderdeel is daarmee kennelijk
ongegrond.
Klachtonderdeel h) klaagster als querulant neergezet
4.19 Klaagster verwijt verweerster dat zij haar als querulant heeft neergezet.
4.20 Ook dit klachtonderdeel faalt naar het oordeel van de voorzitter. Uit de
stukken komt naar voren dat verweerster in eerdere stukken, zoals in haar beslissing
van 20 september 2023, de voorgeschiedenis met klaagster uiteengezet heeft. Dat klaagster
daar zelf de kwalificatie van querulant aan heeft verbonden, valt verweerster niet
aan te rekenen. Evenmin is gebleken van smaad en laster zoals door klaagster gesteld.
Klachtonderdeel h) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel i) weigering toegang tot gefinancierde rechtsbijstand
4.21 Klaagster stelt dat verweerster haar toegang tot gefinancierde rechtsbijstand
heeft geweigerd met als doel haar de toegang tot de rechter te belemmeren.
4.22 Verweerster heeft dit gemotiveerd betwist en toereikend toegelicht dat zij
het verzoek om aanwijzing van een advocaat heeft afgewezen op grond van het negatieve
procesadvies dat was gegeven. Het al dan niet verkrijgen van gefinancierde rechtshulp
speelde geen rol bij deze beslissing. Klachtonderdeel i) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel j) misleiden van het Hof van Discipline.
4.23 Klaagster stelt dat verweerster het Hof van Discipline heeft misleid en
dat zij zich vervolgens op de beslissing van hetzelfde Hof heeft beroepen. Volgens
klaagster geldt het gehele feitencomplex met betrekking tot het negatieve procesadvies
van mr. D het onderonsje met mr. Van der M als misleiding van het Hof van Discipline.
4.24 De voorzitter volgt klaagster niet in dit betoog en kan in al hetgeen klaagster
naar voren heeft gebracht geen misleiding door verweerster vaststellen. Klachtonderdeel
j) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel k) geen inzicht in eigen falen
4.25 Klaagster verwijt verweerster dat zij geen inzicht toont in haar eigen falen.
Verweerster heeft geen eigen onderzoek gedaan op 16 mei 2023 en zocht alleen maar,
zonder het horen van klaagster, aansluiting bij de brief van 15 mei 2023 van mr. D.
4.26 De voorzitter volgt klaagster niet in dit betoog en verwijst allereerst
naar haar overwegingen bij klachtonderdeel b) waaruit volgt dat verweerster mocht
afgaan op het procesadvies van mr. D. Dat de beslissing van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden
van 21 mei 2024 anders uitviel dan het eerder afgegeven procesadvies, betekent niet
dat daarmee vaststaat dat verweerster onjuist en daarmee verwijtbaar heeft gehandeld.
Dit klachtonderdeel is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel l) niet doorsturen van de aansprakelijkstelling.
4.27 Klaagster heeft dit klachtonderdeel in repliek ingetrokken omdat dit wel
is gebeurd en behoeft derhalve geen verdere bespreking.
Klachtonderdeel m) klachtwaardig handelen als poortwachter
4.28 Klaagster verwijt verweerster dat zij klachtwaardig heeft gehandeld als
poortwachter. Volgens klaagster heeft verweerster haar positie als poortwachter misbruikt,
omdat het onaannemelijk is dat verweerster het beroepskader voor opheffen van het
beslag zou miskennen.
4.29 Naar het oordeel van de voorzitter betreft dit verwijt in de kern hetzelfde
verwijt als het verwijt onder klachtonderdeel b) namelijk dat verweerster haar afwijzing
van het verzoek tot aanwijzing is uitgegaan van het procesadvies van mr. D. De voorzitter
verwijst hier dan ook verder naar haar overweging bij klachtonderdeel b) en verklaart
dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond.
4.30 Voor zover klaagster stelt dat dit klachtonderdeel ook betrekking heeft
op de bestuursrechtelijke taak van verweerster op grond van artikel 13 Advocatenwet
en de naleving van de beginselen van behoorlijk bestuur, overweegt de voorzitter dat
dit buiten het tuchtrechtelijke toetsingskader valt en om die reden buiten beschouwing
wordt gelaten.
Klachtonderdeel n) niet direct verwijzen van de klacht van 25 februari 2025
4.31 Klaagster verwijt verweerster dat zij haar klacht van 25 februari 2025 niet
direct heeft verwezen en dat zij ook niet na zes weken bij het Hof van Discipline
heeft geïnformeerd waarom er nog niets met klaagsters klacht was gebeurd.
4.32 Dit klachtonderdeel faalt. Verweerster heeft toegelicht dat klaagster haar
herzieningsverzoek, waarin zij de klacht tegen verweerster had opgenomen, zelf op
25 februari 2025 naar het Hof van Discipline had gestuurd. Klaagster had dit in haar
brief van dezelfde datum aan verweerster kenbaar gemaakt en verweerster tevens een
afschrift gestuurd van het herzieningsverzoek met hierin de klacht. Verweerster hoefde
de klacht derhalve niet door te sturen. Dat het Hof van Discipline pas bij beslissing
van 7 augustus 2025 voor onderzoek en afhandeling van de klacht de deken in Amsterdam
had aangewezen, is niet verweersters verantwoordelijkheid en kan haar derhalve niet
verweten worden. Evenmin rustte op verweerster de verplichting om uit zichzelf bij
het Hof van Discipline naar de verdere behandeling van de klacht te informeren. Voor
zover klaagster verweerster verwijt dat zij het onrechtmatig handelen van de advocaten
niet heeft gesignaleerd en klaagster niet heeft geadviseerd om een klacht over hen
in te dienen, geldt dat verweerster hiertoe evenmin verplicht was. Dit klachtonderdeel
is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel o) onnodig grievende uitlatingen
4.33 Klaagster verwijt verweerster dat zij zich in een brief in 2023 aan het
Hof van Discipline onnodig grievend en onjuist over haar heeft uitgelaten. Klaagster
verwijst in dat verband naar de in het geding gebrachte afwijzing van de 20 september
2023 en de daarop volgende correspondentie met het Hof van Discipline.
4.34 De voorzitter overweegt dat klaagster heeft nagelaten concrete passages
uit de desbetreffende correspondentie aan te wijzen die als onnodig grievend kunnen
worden aangemerkt. Reeds hierom kan niet worden vastgesteld dat sprake is van onnodig
grievende uitlatingen, zodat dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond is.
Klachtonderdeel p) in diskrediet brengen
4.35 Klaagster had verweerster bij e-mail van 11 juli 2023 laten weten dat de
door haar ingeschakelde mr. Van der M zijn werkzaamheden had neergelegd. In dezelfde
e-mail had klaagster verzocht om aanwijzing van een advocaat. Verweerster heeft ten
behoeve van de beoordeling van dit verzoek het standpunt van mr. Van der M ten aanzien
van de slagingskansen in klaagsters procedure opgevraagd. De reactie van mr. Van der
M van 13 juli 2023 heeft verweerster ingebracht bij het Hof van Discipline. Klaagster
kwam via het Hof van Discipline in het bezit van die reactie en vindt deze in strijd
met de geheimhoudingsplicht. Klaagster meent dat dit door verweerster had moeten worden
herkend. Verweerster had zonder hoor- en wederhoor geen gebruik mogen maken van deze
door haar uitgelokte reactie en acht de handelwijze van verweerster in strijd met
het vertrouwensbeginsel.
4.36 Verweerster betwist dat zij het vertrouwensbeginsel heeft geschonden en
heeft toegelicht dat voor een zorgvuldige beoordeling van het nieuwe verzoek tot aanwijzing
van een advocaat het standpunt van mr. Van der M ten aanzien van de slagingskansen
relevant was en zij daarom de correspondentie heeft opgevraagd.
4.37 De voorzitter overweegt dat verweerster met het oog op een zorgvuldige beoordeling
van het verzoek van klaagster om aanwijzing, het standpunt van mr. Van der M nodig
had. Door dit standpunt op te vragen en in de procedure bij het Hof van Discipline
in te brengen, heeft verweerster gehandeld zoals van haar in haar hoedanigheid van
deken mocht worden verwacht. Van schending van het vertrouwensbeginsel is niet gebleken.
Hetgeen klaagster verder heeft gesteld hierover, leidt niet tot een ander oordeel.
Klachtonderdeel p) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel q) Aantasting van de eer en goede naam
4.38 Klaagster stelt dat verweerster haar eer en goede naam heeft aangetast in
haar correspondentie. Verweersters correspondentie was gericht op vernedering en sociale
discriminatie. Verweerster betreurt dat klaagster de correspondentie op deze wijze
ervaren heeft, maar betwist echter dat hiervan sprake is geweest.
4.39 De voorzitter overweegt dat klaagster niet duidelijk maakt op welke specifieke
correspondentie zij doelt en op welke wijze dit haar eer en goede naam heeft aangetast,
nu klaagster dit niet concretiseert en hiervan op grond van het klachtdossier niet
is gebleken, is dit klachtonderdeel kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel r) Verweerster vertoont gebrekkige juridische kennis
4.40 Klaagster verwijt verweerster dat zij blijk geeft van gebrekkige juridische
kennis. De deken blijkt geen specialist te zijn op het gebied van beslagrecht en heeft
zich ten onrechte gebaseerd op een procesadvies dat achteraf onjuist is gebleken.
4.41 De voorzitter overweegt dat reeds in klachtonderdeel b) is overwogen dat
verweerster bij de beoordeling van het verzoek om aanwijzing in beginsel mocht uitgaan
van het procesadvies van mr. D. Tegen deze achtergrond treft het verwijt geen doel.
Klachtonderdeel r) is dan ook kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel s) Détournement de pouvoir
4.42 Klaagster verwijt verweerster misbruik van macht en dat verweerster zich
als rechter gedraagt.
4.43 De voorzitter overweegt dat voor zover klaagster hiermee doelt op de afwijzing
van haar verzoek tot aanwijzing, geldt dat het verweersters wettelijke taak is om
dergelijke verzoeken te beoordelen. Dat verweersters beoordeling niet overeenkomt
met de verwachtingen van klaagster, betekent niet dat sprake is van machtsmisbruik
of dat verweerster buiten haar bevoegdheden heeft gehandeld. Klachtonderdeel s) is
dan ook kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.44 Voorzitter komt op grond van het voorgaande tot de slotsom dat haar niet
is gebleken dat verweerster zich zodanig heeft gedragen dat daardoor het aanzien van
en/of het vertrouwen in de advocatuur is of kon worden geschaad. Al hetgeen klaagster
verder naar voren heeft gebracht, brengt de voorzitter niet tot een ander oordeel.
De klacht wordt in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaard.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 13 april 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 13 april 2026