ECLI:NL:TADRAMS:2026:8 Raad van Discipline Amsterdam 25-824/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:8
Datum uitspraak: 12-01-2026
Datum publicatie: 19-01-2026
Zaaknummer(s): 25-824/A/A
Onderwerp: Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; kennelijk ongegronde klacht over de kwaliteit van dienstverlening. Verweerster heeft als dominus litis de vrijheid om een zaak te behandelen zoals haar dat goeddunkt. Als verweerster van mening is dat bepaalde bewijsstukken niet relevant zijn is zij er niet toe gehouden deze bewijsstukken te gebruiken, enkel omdat haar cliënte (klaagster) dat wenst.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 12 januari 2026
in de zaak 25-824/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster
gemachtigde: mr. J. Gerbers


De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 25 november 2025 met kenmerk 2443394/ER/FS, door de raad ontvangen op 25 november 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.

1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Op 29 april 2024 heeft klaagster verweerster verzocht om haar bij te staan in haar lopende echtscheidingsprocedure. Het verzoekschrift tot echtscheiding was reeds ingediend door de vorige advocaat van klaagster, mr. K. Hierin was geen verzoek tot verdeling van de goederengemeenschap opgenomen.
1.2 Op 21 mei 2024 heeft een bespreken plaatsgevonden tussen klaagster en verweerster, waarna verweerster de opdracht heeft aanvaard en haar op (eveneens) 21 mei 2024 een opdrachtbevestiging heeft gestuurd.
1.3 Er stond een zitting gepland op 12 augustus 2024. In de aanloop naar de zitting is besloten de verdeling buiten de echtscheidingsprocedure om te regelen. Op 9 oktober 2024 heeft hiertoe een viergesprek plaatsgevonden.
1.4 Bij e-mail van 14 oktober 2024 heeft klaagster aan verweerster laten weten niet tevreden te zijn over hetgeen verweerster tot dan toe voor haar heeft gedaan.
1.5 Verweerster heeft hierop diezelfde dag inhoudelijk gereageerd en haar werkzaamheden per direct beëindigd in verband met een vertrouwensbreuk.
1.6 Bij klachtformulier van 2 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Gelderland een klacht ingediend over verweerster. Het bureau van die Orde van Advocaten heeft het Hof van Discipline verzocht de klacht te verwijzen naar een andere deken voor onderzoek en afhandeling van de klacht, omdat verweerster – ten tijde van het indienen van de klacht – lid was van de Raad van de Orde in het arrondissement Gelderland.
1.7 Het Hof van Discipline heeft de klacht op 16 januari 2025 verwezen naar de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam voor het doen van onderzoek naar de klacht.
1.8 Na ontvangst van de klacht is met klaagster afgesproken dat zij eerst in gesprek gaat met de klachtfunctionaris van het kantoor van verweerster. Bij e-mailbericht van 30 maart 2025 heeft klaagster verzocht het onderzoek naar haar klacht te hervatten, hetgeen is gebeurd.

2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster heeft klaagster niet goed geadviseerd en haar belangen onvoldoende behartigd, bijvoorbeeld in het viergesprek met de (advocaat van de) wederpartij;
b) verweerster heeft niet gereageerd op e-mailberichten van klaagster;
c) verweerster heeft nagelaten om tijdens de echtscheidingsprocedure een verdelingsvordering in te dienen, als gevolg waarvan de verdelingszaak opnieuw moet worden gedaan;
d) verweerster heeft de door klaagster aangeleverde bewijsstukken niet gebruikt.

3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.


4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klaagster stelt dat verweerster haar niet goed heeft geadviseerd en haar belangen onvoldoende heeft behartigd, bijvoorbeeld in het viergesprek met de (advocaat van de) wederpartij. Klaagster voelde zich tijdens het viergesprek op 9 oktober 2024 niet serieus genomen. Er werden door de wederpartij schulden genoemd die niet klopten. Desondanks greep verweerster niet in. Ook heeft verweerster volgens klaagster haar aandeel in de huurinkomsten niet veiliggesteld. Klaagster raakte het vertrouwen in verweerster die dag volledig kwijt.
4.3 Verweerster herkent zich niet in het door klaagster geschetste beeld. Verweerster heeft veelvuldig met klaagster overlegd om helder te krijgen wat haar belangen zijn, wat er geregeld dient te worden, wat haar wensen hieromtrent zijn en wat haalbaar is. Het viergesprek diende ertoe om over en weer inzicht te verkrijgen in de vermogensbestanddelen om zo tot een compleet beeld te komen en te bespreken hoe de verdeling afgewikkeld moest worden. Verweerster betwist dat er tijdens het viergesprek schulden zijn besproken die niet klopten en waarop verweerster niet ingegrepen zou hebben. Volgens verweerster heeft klaagster deze schulden niet met haar besproken. Over het aspect van de huurinkomsten heeft verweerster toegelicht dat zij klaagster erop heeft gewezen dat klaagster bij de huurinkomsten geen rekening hield met de lasten die gepaard gingen met de verhuur. De verdeling van de huuropbrengsten was dan ook nog onderdeel van het nog lopende overleg over de totale verdeling, aldus verweerster.
4.4 De voorzitter overweegt dat klaagster heeft nagelaten haar verwijten in dit klachtonderdeel voldoende feitelijk en concreet te omschrijven en met bewijs te onderbouwen, terwijl verweerster de verwijten gemotiveerd heeft weerlegd. Ook in de overgelegde stukken kunnen geen aanknopingspunten worden gevonden voor de juistheid van klaagsters verwijten. Omdat de feitelijke grondslag voor dit klachtonderdeel derhalve ontbreekt, is klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.5 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij niet reageerde op haar e-mailberichten. Ook van dit verwijt heeft klaagster geen concreet bewijs overgelegd, terwijl verweerster gemotiveerd heeft betwist dat zij e-mails onbeantwoord heeft gelaten. Verweerster heeft juist aangevoerd dat zij steeds adequaat en voortvarend heeft gereageerd op e-mails van klaagster, zowel mondeling als schriftelijk. De voorzitter concludeert dat zij bij gebreke van voldoende onderbouwing van dit verwijt - bijvoorbeeld door stukken die de juistheid van deze stelling bevestigen - en de betwisting hiervan door verweerster de juistheid van dit klachtonderdeel niet kan vaststellen. Daarmee is klachtonderdeel b) eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij heeft nagelaten om tijdens de echtscheidingsprocedure een verdelingsvordering in te dienen, als gevolg waarvan de verdelingszaak opnieuw moet worden gedaan.
4.7 Naar het oordeel van de voorzitter treft dit verwijt evenmin doel. Verweerster heeft onderbouwd aangevoerd dat het verzoek tot echtscheiding al was ingediend door mr. K, de voormalig advocaat van klaagster. Hierin was geen verzoek tot verdeling van de goederengemeenschap opgenomen. Verweerster heeft met klaagster de mogelijkheid besproken tot het indienen van een aanvullend verzoek tot verdeling van de huwelijkse goederengemeenschap. Klaagster was wisselend in haar verdelingswensen. Verweerster heeft hiervoor nooit de benodigde informatie van klaagster ontvangen. Verweerster heeft schriftelijk aan klaagster bevestigd dat een verdelingsverzoek slechts kon worden ingediend als de omvang van het totale vermogen inzichtelijk was. Zij heeft klaagster ook verzocht de ontbrekende gegevens alsnog aan te leveren en haar geïnformeerd dat er tot 10 dagen voor de zitting nog stukken bij de rechtbank ingediend konden worden. Omdat klaagster volgens verweerster niet alle benodigde informatie tijdig voor de zitting had verstrekt, was het indienen van een aanvullend verzoekschrift geen optie meer. Er waren echter volgens verweerster nog andere mogelijkheden om tot een afwikkeling van de verdeling te komen. Na het viergesprek op 9 oktober 2024 moest er over en weer nog nadere informatie worden uitgewisseld. Verweerster heeft klaagster toen gewezen op de noodzaak van aanlevering van de gevraagde stukken en aan de advocaat van de wederpartij en aan klaagster bevestigd welke informatie nog verstrekt zou moeten worden. Klaagster heeft hierop haar ongenoegen geuit over verweersters inzet, waarna verweerster zich vanwege de ontstane vertrouwensbreuk genoodzaakt zag om haar werkzaamheden per direct te beëindigen.
4.8 Met het voorgaande heeft verweerster naar het oordeel van de voorzitter een verklaarbare onderbouwing gegeven voor het feit dat zij (nog) geen verdelingsvordering had ingediend. De voorzitter ziet in de gegeven feiten en omstandigheden, die klaagster niet heeft betwist, geen grond voor een tuchtrechtelijk verwijt. Klachtonderdeel c) is daarmee kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.9 In dit klachtonderdeel verwijt klaagster verweerster dat zij de door haar aangeleverde bewijsstukken niet heeft gebruikt.
4.10 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Verweerster heeft onderbouwd toegelicht dat zij de door klaagster aangeleverde stukken indien mogelijk en relevant heeft gebruikt. Wat betreft de informatie over het vermogen van partijen wijst verweerster erop dat zij deze informatie alleen kon inbrengen zodra en indien deze volledig was en het gehele vermogen betrof, aangezien in de procedure dan de volledige verdeling aan de orde zou moeten zijn. Dat was volgens verweerster niet het geval. De voorzitter overweegt dat verweerster als dominus litis de vrijheid heeft om een zaak te behandelen zoals haar dat goeddunkt. Als verweerster van mening is dat bepaalde bewijsstukken niet relevant zijn is zij er niet toe gehouden deze bewijsstukken te gebruiken, enkel omdat haar cliënte (klaagster) dat wenst. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is geen sprake. Klachtonderdeel d) is derhalve eveneens kennelijk ongegrond.
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
4.12 De voorzitter overweegt ten overvloede nog dat klaagster in repliek aanvullende verwijten over verweerster heeft geuit, maar ook geen van deze verwijten heeft onderbouwd. Het gaat om niet-toegelichte stellingen, die verweerster in dupliek heeft betwist. Zo stelt klaagster onder meer dat zij haar dossier ondanks meerdere verzoeken niet terug ontvangen heeft, terwijl verweerster aangeeft het dossier aan de opvolgend advocaat van klaagster te hebben verstrekt. De voorzitter kan de juistheid van deze verwijten niet vaststellen en deze kunnen derhalve niet tot een ander oordeel leiden.
4.13 Voor zover klaagster heeft verzocht om terugbetaling van de bedragen die zij aan verweerster heeft betaald, is hiervoor geen (wettelijke) taak voor de tuchtrechter weggelegd.

BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 12 januari 2026.


Griffier Voorzitter


Verzonden op: 12 januari 2026