ECLI:NL:TADRAMS:2026:76 Raad van Discipline Amsterdam 26-112/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:76 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-112/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Grievende uitlatingen |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing over de advocaat van de wederpartij van klaagster. Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder als partijdig advocaat in opdracht van zijn cliënte de procedure starten zoals hij heeft gedaan. Dat sprake is van een schijnprocedure is niet vast te stellen. Verweerder mocht afgaan op de van zijn cliënt verkregen informatie zonder nader onderzoek. Deels kennelijk ongegrond, deels kennelijk niet-ontvankelijk wegens ontbreken van een eigen belang. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 maart 2026 in de zaak 26-112/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: K. Mohasselzadeh, advocaat te Voorburg
over
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 11 februari 2026 met kenmerk 2497154/EvR/KV, door
de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 4.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster en haar (ex-)echtgenoot zijn op 3 mei 2013 in Iran in het huwelijk
getreden. In de door partijen ondertekende huwelijksakte is een bruidsgave van de
(ex-)echtgenoot aan klaagster overeengekomen:
Bruidsschat en handtekening echtpaar: een exemplaar van het Woord van God (Koran)
en een set spiegel en kandelaar en vijfhonderdveertien stuks hele, gouden ‘Bahar-e
azadi’ munten.
1.2 Bij beschikking van 28 oktober 2022 heeft de rechtbank Noord-Nederland de
echtscheiding tussen partijen uitgesproken.
1.3 Bij dagvaarding van 27 september 2023 heeft verweerder namens zijn cliënt,
kort gezegd, een verklaring voor recht gevorderd dat zijn cliënt aan zijn verplichtingen
uit hoofde van de bruidsgave heeft voldaan. In de dagvaarding heeft verweerder op
dat punt onder meer vermeld:
Eiser stelt dat hij overeenstemming met gedaagde heeft bereikt over de afwikkeling
van de bruidsgave. In ruil voor de bruidsgave heeft eiser een appartement gelegen
te [adres in Iran], met een oppervlakte van 94 m2 aan gedaagde overgedragen en een
kwantiteit van 450 gram gouden juwelen aan gedaagde heeft overhandigd.
1.4 Bij tussenvonnis van 5 juni 2024 heeft de rechtbank Den Haag de cliënt van
verweerder toegelaten om (getuigen)bewijs te leveren van zijn stelling dat partijen
na de huwelijkssluiting zijn overeengekomen dat de man, in plaats van de in de huwelijksakte
opgenomen bruidsgave, het appartement en 450 gram gouden juwelen aan klaagster zou
(laten) schenken en dat deze goederen ook werkelijk aan de vrouw geschonken zijn.
Iedere verdere beslissing is aangehouden.
1.5 Op 11 juni 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder
dat hij:
a) namens zijn cliënt (i) een schijnprocedure tegen haar voert en (ii) de rechter
misleidt door onjuiste informatie in de dagvaarding te vermelden;
b) zich onnodig grievend over de advocaat van klaagster heeft uitgelaten.
3 VERWEER
Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van
een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht
om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het
algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om
te klagen.
4.2 Deze zaak betreft een klacht tegen de advocaat van de wederpartij van klaagster.
Voor alle advocaten geldt dat zij in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt
hoeven te behartigen. Niet voor niets is partijdigheid een belangrijke kernwaarde
voor advocaten (artikel 10a Advocatenwet). Zij hebben veel vrijheid om te doen wat
in het belang van hun cliënt nodig is. Wel moeten zij voorkomen dat zij de belangen
van de wederpartij onnodig en op ontoelaatbare wijze schaden. Advocaten mogen zich
bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen zij niet
bewust onjuiste informatie verschaffen om daarmee de rechter te misleiden. Verder
geldt dat advocaten ervan mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben
gekregen juist is. Tot slot hoeven zij in het algemeen niet af te wegen of het voordeel
dat zij voor hun cliënt willen bereiken met de middelen waarvan zij zich bedienen,
opweegt tegen het nadeel dat zij daarmee aan de wederpartij toebrengen.
4.3 De tuchtrechter toetst verder het aan de advocaat verweten handelen of nalaten
aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals
omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels,
maar die regels kunnen, gezien ook het open karakter van de norm van de in artikel
46 Advocatenwet genoemde behoorlijkheidsnorm, wel van belang zijn. Of sprake is van
tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en
wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
4.4 De voorzitter zal de klacht aan de hand van deze maatstaf beoordelen.
Klachtonderdeel a)
4.5 Klaagster heeft subverwijt (i) als volgt toegelicht. Verweerder is zijn schijnprocedure
alleen maar begonnen om te voorkomen dat klaagster haar bruidsgave in Nederland zal
vorderen. Hij probeert daarmee zijn cliënt te beschermen maar schaadt daarmee de belangen
van klaagster. Deze handelwijze van verweerder heeft klaagster ertoe aangezet om haar
bruidsgave in Iran te vorderen. Inmiddels is daarover door de Iraanse rechter beslist
met toewijzing van haar vordering. Alleen in zeer specifieke gevallen kan de Nederlandse
rechter deze buitenlandse beslissing buiten beschouwing laten. Volgens klaagster is
geen sprake van een uitzonderingsgeval zodat duidelijk is dat de door verweerder gestarte
procedure en daarin nog te wijzen vonnis, zinloos is.
4.6 Verweerder betwist dat sprake is van een schijnprocedure. In opdracht van
zijn cliënt heeft hij klaagster gedagvaard. Die vordering ligt nu ter beoordeling
voor aan de civiele rechter.
4.7 Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder als partijdig advocaat
in opdracht van zijn cliënt de procedure tegen klaagster starten zoals hij dat heeft
gedaan. Dat sprake is van een schijnprocedure kan de voorzitter, op grond van de stukken
en gelet op de betwisting daarvan door verweerder, niet vaststellen.
4.8 Subverwijt (ii) heeft klaagster als volgt toegelicht. Zij stelt dat verweerder
de rechter met onjuiste informatie heeft misleid. Zo heeft hij in de dagvaarding niet
de volledig overeengekomen bruidsgave in de dagvaarding vermeld door te verzwijgen
dat ook 514 Iraanse gouden munten deel van de bruidsgave uitmaken met een geschatte
waarde van ruim € 400.000,-. Ook stelt verweerder in de dagvaarding, zonder daarvan
enig bewijs te leveren, dat zijn cliënt aan zijn verplichting heeft voldaan door klaagster
in Iran een appartement en 450 gram aan gouden juwelen te hebben gegeven. Dit terwijl
de oorspronkelijke afspraak bestond uit 514 volledige Yek Bahar Azadi-munten. Door
te stellen dat partijen nadien iets anders hebben afgesproken, heeft verweerder klaagster
ook nog als leugenaar afgeschilderd. Verweerder heeft verder nagelaten in de dagvaarding
te vermelden dat zijn cliënt kort na het uitbrengen van de dagvaarding in Nederland
op 4 december 2023 eenzelfde vordering aan de Iraanse rechter heeft voorgelegd, die
bij beslissing van 1 februari 2024 is afgewezen. Verweerder neemt bovendien in gelijksoortige
zaken tegengestelde standpunten in over de inhoud van het Iraanse recht, afhankelijk
van het geslacht van zijn cliënten. Klaagster acht dit in strijd met de zorgvuldigheid
van een advocaat die de lijdelijke rechter, zonder kennis van het buitenlandse recht,
op correcte wijze moet informeren.
4.9 Verweerder stelt dat als al geoordeeld zou worden dat zijn cliënt in de procedure
onvoldoende bewijs heeft geleverd, daaruit niet de conclusie kan worden getrokken
dat verweerder zich schuldig heeft gemaakt aan misleiding van de rechter. Hij betwist
dat daarvan sprake is geweest. Hij mocht vertrouwen op de door zijn cliënt verstrekte
informatie over de mondeling tussen partijen gemaakte nieuwe afspraken. Er waren hem
geen signalen bekend dat die informatie onjuist zou zijn. Omdat zijn cliënt niet over
schriftelijke stukken beschikte ter onderbouwing van zijn standpunt, heeft verweerder
daarom in de dagvaarding getuigenbewijs aangeboden. Het is aan de rechter om uiteindelijk
over de juistheid van de vordering van zijn cliënt te oordelen, aldus verweerder.
4.10 Naar het oordeel van de voorzitter mocht verweerder afgaan op de van zijn
cliënt verkregen informatie zonder nader onderzoek. Voor zover de door verweerder
in de procedure namens zijn cliënte ingenomen standpunten al onjuist zijn, ligt het
op de weg van de advocaat van klaagster om daartegen verweer te voeren. Het behoort
verder niet tot de taak van de tuchtrechter om over de juistheid van standpunten in
een civielrechtelijk geschil een oordeel te geven. Dat is voorbehouden aan de civiele
rechter, tenzij duidelijk is dat de verwerende advocaat de onder 4.2 genoemde maatstaf
heeft overtreden. Daarvan is de voorzitter uit de stukken niet gebleken. De keuze
om de procedure tegen klaagster te beginnen, lag bij de cliënt van verweerder. Dat
klaagster die procedure onnodig heeft gevonden, maakt nog niet dat verweerder voor
zijn optreden daarin tuchtrechtelijk een verwijt kan worden gemaakt.
4.11 Op grond van het vorenstaande is de voorzitter van oordeel dat verweerder
met zijn handelwijze de belangen van klaagster niet onnodig of onevenredig zonder
doel heeft geschaad en dat hij daarmee de grenzen van de hem toekomende vrijheid van
handelen niet heeft overschreden. Klachtonderdeel a) wordt kennelijk ongegrond verklaard.
Klachtonderdeel b)
4.12 Klaagster verwijt verweerder dat hij in zijn verweer in deze tuchtrechtelijke
procedure onder meer heeft geschreven: “ … merk ik op dat klaagster geen cliënt van
mij is of is geweest en wordt bijgestaan door dezelfde advocaat die in andere klachtprocedures
betrokken is. Ik kan er niet aan voorbijgaan dat deze advocaat persoonlijke motieven
lijkt te hebben om haar cliënten aan te moedigen klachten jegens mij in te dienen.
Dit maak ik onder meer op uit het feit dat deze advocaat in reactie op een eerdere
klacht die jegens haar is ingediend de noodzaak heeft gevoeld om in de behandeling
van die klacht verwijten aan mij te maken.”
4.13 Verweerder betwist dat hij zich onnodig grievend over de advocaat van klaagster
heeft uitgelaten. Daarbij merkt hij op dat hij drie klachten over de advocaat van
klaagster bij de deken in Den Haag heeft ingediend omdat zij zich onnodig grievend
over hem heeft uitgelaten.
4.14 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen eigen rechtstreeks
belang bij dit verwijt, omdat zij door de vermeende grievende uitlatingen over haar
advocaat niet rechtstreeks in haar belang is geraakt. De advocaat zelf kan daarover
klagen. Klaagster wordt dan ook kennelijk niet-ontvankelijk verklaard in klachtonderdeel
b).
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond;
- klachtonderdeel b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. M.M. Goldhoorn als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 maart 2026