ECLI:NL:TADRAMS:2026:73 Raad van Discipline Amsterdam 25-790/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:73 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-790/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij gedeeltelijk ongegrond en gedeeltelijk niet-ontvankelijk. Van het bewust onjuist informeren van de rechters is niet gebleken. Geen schending gedragsregel 8. Verder geldt dat het toezicht op de naleving van de Wwft bij de deken berust. Aan klager komt geen klachtrecht toe ter zake van de gestelde schending van die wet- en regelgeving. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 maart 2026
in de zaak 25-790/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 2 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 14 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2476798/EvR/AP
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de door klager op 3 december 2025 nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is gerechtigde van verschillende vennootschappen (die hierna, waar
nodig, nader geduid worden) die in het verleden door de Fortis Bank N.V. (hierna:
Fortis) werden gefinancierd.
2.3 Fortis is op enig moment met ABN AMRO Bank N.V (hierna: ABN) gefuseerd, waarbij
Fortis de verdwijnende rechtspersoon en ABN de verkrijgende rechtspersoon was. Door
deze fusie zijn vorderingen en rechten van hypotheek van Fortis overgegaan op ABN.
2.4 In 2017 en 2019 is de rechtsverhouding met een deel van de relaties van ABN
afgesplitst aan een tweetal bedrijven, hierna te noemen SN en LN. Dat is door middel
van een splitsingsvoorstel gegaan, dat bij de Kamer van Koophandel is gedeponeerd.
In het splitsingsvoorstel is voor de af te splitsen vermogensbestanddelen verwezen
naar een bijlage bij het splitsingsvoorstel (Bijlage C). In die bijlage is voor een
nadere aanduiding van de vermogensbestanddelen die werden afgesplitst verwezen naar
een Annex bij die bijlage (Annex 1). In Annex 1 waren de zogenoemde BCDB-nummers opgenomen
van de relaties van ABN die aan SN respectievelijk LN werden afgesplitst.
2.5 In 2017 raakte klager in een geschil met een bedrijf, hierna te noemen: CIDAC,
en met het eerder genoemde bedrijf SN. Deze bedrijven stelden zich op het standpunt
dat SN en daarop volgend CIDAC vorderingen en hypotheekrechten hadden verkregen van
de in 2009 opgerichte rechtsvoorganger van ABN op de management- en pensioenvennootschap
van klager. SN en CIDAC werden vertegenwoordigd door (onder meer) verweerder. Klager
betwist de rechtsverkrijgingen.
De depotprocedure
2.6 In de depotprocedure bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant, locatie Breda,
heeft SN/CIDAC uitbetaling gevorderd van een depot dat was gesteld ter vervanging
van een door SN geclaimd hypotheekrecht.
2.7 De advocaat van klager had bij conclusie van antwoord in conventie/eis in
reconventie de relevante splitsingsstukken overgelegd. Bij die stukken zat ook Annex
1 bij de bijlage bij het splitsingsvoorstel, derhalve de lijst met de BCDB-nummers
van relaties wier rechtsverhouding was afgesplitst. Deze stukken, waaronder de lijst,
had de advocaat van klager eerder van verweerder ontvangen.
2.8 Op 11 februari 2020 heeft comparitie van partijen plaatsgevonden. Voorafgaand
hieraan heeft verweerder op 6 februari 2020 ook van zijn kant een Annex 1 in het geding
gebracht. Ter toelichting gaf hij aan dat de door de advocaat van klager overgelegde
lijst niet leesbaar was. In zijn begeleidende brief bij toezending van die lijst schreef
verweerder dat het niet een nieuwe productie betrof, maar een beter leesbaar exemplaar
van een reeds door de advocaat van klager overgelegde productie.
2.9 Na procedures in hoger beroep en cassatie, heeft de Hoge Raad de zaak teruggewezen
naar het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Op 16 december 2024 heeft in de verwijzingszaak
een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Tijdens deze mondelinge behandeling heeft
verweerder spreekaantekeningen voorgedragen. Hierin staat het volgende:
“Herstel verschrijving
2.Voordat ik dat doe wil ik echter eerst een verschrijving in de processtukken herstellen.
3. De verschrijving heeft betrekking op de lijst met BCDB-nummers (Annex I bij Bijlage
C bij het splitsingsvoorstel) dat [klager] en M(…) bij conclusie van antwoord in conventie/eis
in reconventie (CvA/CvE) hebben overgelegd.
4.Omdat het door [klager] en M(…) overgelegde exemplaar van Annex I niet heel goed
leesbaar was (althans, niet in het door [SN] en [CIDAC] ontvangen exemplaar van de
CvA/CvE), heb ik, voorafgaand aan de comparitie van partijen, op 6 februari 2020 een
beter leesbaar exemplaar van de lijst met BCDB-nummers naar de Rechtbank gezonden.
5.Bij de voorbereiding van dit pleidooi is mij gebleken dat de lijst die bij mijn
brief van 6 februari 2020 (althans, bij het exemplaar van de brief dat ik in mijn
dossier heb) was gevoegd niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was,
maar Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte. Die twee lijsten zijn vrijwel gelijk
- op beide lijsten staan 49 BCDB-nummers van 46 afgesplitste relaties van [ABN] -,
maar het enige verschil is dat in Bijlage 3 bij Annex I bij de cessieakte naast het
BCDB-nummer ook nog een Master CR Facility nummer en de naam van de afgesplitste relatie
staat.
6.Voortbordurend daarop schreef ik onder randnummer 16 van de memorie van antwoord
na verwijzing dan ook dat bij nummer 40 op Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel
“BCDB-nummer 194766659 [de management- en pensioenvennootschap]” wordt vermeld. Dat
laatste is echter niet juist. In Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel
wordt, bij nummer 40, niet BCDB-nummer “194766659 [pensioenvennootschap]” vermeld,
maar slechts BCDB-nummer “194766659”.
7.Voor de beslechting van dit geschil maakt dat naar mening van [SN] en [CIDAC]
niet uit, omdat [klager] en (…) niet hebben betwist dat [de management- en pensioenvennootschap]
BCDB-nummer 194766659 had. Het leek [SN] en [CIDAC] echter wel goed deze verschrijving
te herstellen. De juiste Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel is door
[klager] en (…) bij CvA/CvE als Productie 21 en bij hun memorie na verwijzing als
Productie 1 overgelegd.”
2.10 Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft de advocaat van klager aan verweerder
geschreven:
“Naar ik heb begrepen heeft in december jl. in de verwijzingszaak een mondelinge
behandeling plaatsgevonden en heeft u in uw spreekaantekeningen aangegeven dat in
alle procedures tot dat moment onjuiste stukken zijn ingediend door uw cliënt. Ik
begrijp dat de betwistte bijlage van de annex inderdaad niet de juiste is en dat u
in de verwijzingszaak de gestelde juiste alsnog heeft overgelegd.
Het verbaast mij dat u deze informatie niet met mij heeft gedeeld. Het speelt in
'onze' zaak bij Gerechtshof 's-Hertogenbosch immers ook. Het verbaast mij nog meer
dat u deze fout bij genoemd hof niet corrigeert en aldus bewerkstelligt dat het hof
een uitspraak gaat doen op basis van erkend onjuiste informatie. Ik begrijp dat u
in de verwijzingszaak heeft gesteld dat de verschillen niet veel uitmaken, dat is
echter niet aan u om te beoordelen. Ik meen dat u deze informatie niet van mij en
het hof had mogen onthouden.
Graag verneem ik van u waarom u geen contact met mij heeft opgenomen en waarom u
deze essentiële gegevens niet deelt met het hol.”
2.11 Verweerder heeft hierop bij e-mail van 17 januari 2025 als volgt gereageerd:
“U bent onjuist geïnformeerd.
Om te beginnen heb ik niet in mijn spreekaantekeningen in de verwijzingsprocedure
geschreven dat in alle procedures onjuiste stukken zijn ingediend. Wat ik in mijn
spreekaantekeningen heb geschreven is dat, omdat Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel
dat [klager] en M(…) [de echtgenote van klager] in de depotzaak hadden overgelegd
niet goed leesbaar was, ik in die depotzaak, voorafgaand aan de comparitie van partijen
van 11 februari 2020, een beter leesbaar exemplaar van Annex I bij Bijlage C bij het
splitsingsvoorstel heb willen overleggen, maar dat ik er bij de voorbereiding van
het pleidooi in de verwijzingsprocedure achter was gekomen dat de lijst die ik in
de depotzaak, voorafgaand aan de comparitie van partijen, naar de Rechtbank had gezonden
niet Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel was, maar Annex I bij Bijlage
3 bij de cessieakte (anders dan in Annex I bij Bijlage C bij het splitsingsvoorstel
staan in Annex I bij Bijlage 3 bij de cessieakte de namen van de leningnemers achter
de BCDB-nummers vermeld). Bijgaand treft u de relevante pagina's uit mijn spreekaantekeningen
ten behoeve van het pleidooi van 16 december 2024 bij het Hof Arnhem-Leeuwarden in
de verwijzingsprocedure aan (die u ongetwijfeld al lang bekend zijn, omdat [klager]
daarbij aanwezig was).
In de procedure waarin u mevrouw M(…)bijstaat (de procedure waarin zij de door [CIDAC]
in het faillissement van [pensioenvennootschap] ingediende vordering betwist) is wel
de juiste productie overgelegd, te weten het splitsingsvoorstel+ Bijlage C daarbij
+ Annex I bij Bijlage C. Bijgevoegd treft u die productie aan (anders dan in Annex
I bij Bijlage 3 bij de cessieakte worden in die Annex de namen van de leningnemers
niet bij de BCDB-nummers vermeld).
Verder is het ook onjuist dat ik in de verwijzingsprocedure alsnog de juiste lijst
heb overgelegd. Dat was ook niet nodig, omdat die in die procedure al door uw cliënte
en [klager] was overgelegd (namelijk, als Productie 21 bij conclusie van antwoord
in conventie/eis in reconventie en als Productie 1 bij memorie na verwijzing).
Onjuist is dus ook de stelling dat dit ook in ‘onze’ zaak bij het Hof Den Bosch
zou spelen. Er is dus geen enkele reden het Hof Den Bosch hierover te berichten en
het Hof Den Bosch zal dus ook geen uitspraak doen op grond van onjuiste informatie.
Overigens is het - los van het bovenstaande - nog maar de vraag of een en ander
enige invloed zal hebben op de nog te wijzen arresten; zowel in de renvooiprocedure
bij het Hof Den Bosch (de procedure waarin u mevrouw M(…) bijstaat) als in de verwijzingszaak
(de procedure waarin mr. S(…) [klager] en mevrouw M(…) bijstaat) lijkt het er immers
op dat de Hoven in die zaken niet zullen toekomen aan de stelling van uw cliënte (en
van [klager] en mevrouw M(…) in de depotzaak) dat de vermogensbestanddelen onvoldoende
nauwkeurig in het splitsingsvoorstel zijn omschreven, omdat uw cliënte respectievelijk
[klager] en mevrouw M(…) die stellingen in beide procedures te laat (in strijd met
de twee-conclusie-regel) hebben ingenomen. Ik wijs u in dit verband ook op de conclusie
van de A-G in de cassatie van de renvooiprocedure in het faillissement van H(…) B.V.
Graag vertrouw ik erop uw vragen hiermee te hebben beantwoord.”
De renvooiprocedure
2.12 In de renvooiprocedure inzake het faillissement van het bedrijf H bij de
rechtbank Oost-Brabant is klager toegelaten als schuldeiser. Ook CIDAC had een vordering
ingediend die klager ter verificatievergadering heeft betwist. Daarop heeft CIDAC
een eis tot verificatie ingediend bij de Rechtbank Oost-Brabant.
2.13 In de renvooiprocedures inzake het faillissement van de management- en pensioenvennootschap
bij de rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft CIDAC een vordering ingediend, die klager
heeft betwist. Dat leidde tot een verificatiegeschil. CIDAC heeft zijn eis op 29 december
2021 ingediend.
2.14 Klager diende op zijn beurt vorderingen in in de faillissementen, die CIDAC
heeft betwist. Beide zaken zijn in eerste aanleg behandeld door de rechtbank Zeeland-West-Brabant.
Klager is verder als schuldeiser betrokken geweest in een procedure waarin ook LN
betrokken was. Verweerder staat SN, LN en CIDAC bij.
2.15 Klager heeft in alle procedures de door CIDAC gestelde rechtsverkrijging
betwist. Die discussies in de verschillende procedures mondden onder meer uit in de
vraag of bij de afsplitsingen door ABN AMRO naar SN in 2017 en LN in 2019 wel of geen
vorderingen (en accessoire rechten) op de management- en pensioenvennootschap en H
zijn overgegaan.
2.16 Op 2 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht over verweerder ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder het volgende:
a) verweerder heeft de rechters en klager niet volledig en juist geïnformeerd
in diverse rechtszaken tussen SN, LN en CIDAC enerzijds en klager en/of aan klager
gelieerde vennootschappen anderzijds;
b) verweerder heeft voorafgaand aan de behandeling van de zaken die hij voor
SN, LN en CIDAC heeft behandeld geen Wwft-melding gedaan, terwijl sprake is van een
schijnconstructie.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Maatstaf
5.1 De zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht dient de tuchtrechter
het aan de advocaat verweten handelen of nalaten verder te toetsen aan de in artikel
46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing is de tuchtrechter niet gebonden
aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien het open karakter van de wettelijke
normen, daarbij van belang zijn. Of het niet naleven van een bepaalde gedragsregel
ook tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen oplevert, hangt af van de feitelijke omstandigheden
en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.3 Gedragsregel 8 bepaalt dat een advocaat geen feiten mag stellen waarvan hij
de onwaarheid kent of redelijkerwijs kan kennen.
Klachtonderdeel a)
5.4 Voordat de raad toekomt aan een inhoudelijke beoordeling van de klachtonderdelen
dient getoetst te worden of dit klachtonderdeel tijdig is ingediend. Een klacht over
een advocaat moet namelijk worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de
hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel
46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve
bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een
klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders
als klager pas na de driejaarstermijn de beschikking krijgt over informatie (en daar
ook niet eerder over kon beschikken) over de gevolgen van het handelen of nalaten
waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat
klager van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
5.5 Klager klaagt erover dat verweerder op 6 februari 2020 een onjuiste lijst
aan de rechtbank heeft toegezonden, ter vervanging van een eerder door klagers advocaat
slecht leesbare lijst. Hoewel klager hierover pas op 2 maart 2025 een klacht heeft
ingediend, is de raad van oordeel dat dit tijdig is gedaan. Daarvoor is van belang
dat verweerder zelf heeft aangevoerd dat de betreffende lijsten vrijwel identiek waren
en dat hij hierdoor abusievelijk een onjuiste lijst aan de rechtbank had gestuurd.
Bij het indienen van de lijst heeft verweerder in zijn begeleidende brief geschreven
dat het niet een nieuwe productie betrof, maar een beter leesbaar exemplaar van de
reeds door de advocaat van klager overgelegde lijst. Onder deze omstandigheden hoefde
van klager en zijn advocaat in redelijkheid niet te worden verwacht dat zij destijds
constateerden dat de lijsten van elkaar afweken.
5.6 Klager heeft ter zitting gesteld dat hij op enig moment in een procedure
bij de Hoge Raad erachter kwam dat verweerder een verkeerde lijst had overgelegd.
De raad heeft echter niet kunnen vaststellen wanneer dat zou zijn geweest. Daarom
gaat de raad ervan uit dat klager in ieder geval bekend is geworden met het feit dat
verweerder voorafgaand aan de zitting in februari 2020 een verkeerde lijst had ingediend
op het moment dat verweerder dit zelf tijdens de mondelinge behandeling op 16 december
2024 naar voren heeft gebracht. Nu klager vervolgens op 2 maart 2025 zijn klacht hierover
heeft ingediend, is dat binnen de driejaarstermijn van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet
gebeurd en is klachtonderdeel a) derhalve ontvankelijk.
5.7 Ten aanzien van de inhoud van dit klachtonderdeel overweegt de raad dat klager
verweerder verwijt dat hij de rechters in de verschillende procedures niet volledig
en onjuist heeft geïnformeerd. Dit verwijt treft naar het oordeel van de raad geen
doel. Verweerder heeft onderbouwd aangevoerd dat hij in de depotprocedure enkel een
beter leesbaar exemplaar van de reeds door de advocaat van klager overgelegde productie
in het geding wilde brengen. Toen verweerder hier voorafgaand aan de mondelinge behandeling
van 16 december 2024 achter kwam, heeft hij dit in zijn spreekaantekeningen rechtgezet.
Anders dan klager stelt, heeft de raad niet kunnen vaststellen dat verweerder deze
fout destijds bewust heeft gemaakt om de rechters op het verkeerde been te zetten.
Verweerder heeft aannemelijk gemaakt dat het om een vergissing ging die te verklaren
viel uit het feit dat de bijlagen vrijwel identiek zijn (het enige verschil is dat
in de bijlage bij de cessieakte ook de namen van de debiteuren vermeld staan). Van
het bewust verstrekken van onjuiste informatie - dat strijd met gedragsregel 8 oplevert
- is naar het oordeel van de raad geen sprake.
5.8 Verder heeft verweerder gemotiveerd betwist dat hij de betreffende fout in
alle procedures heeft gemaakt. Dat dit anders zou zijn, heeft de raad op grond van
het klachtdossier niet kunnen vaststellen. Ook voor de stelling dat verweerder in
de renvooiprocedures bewust bepaalde stukken over de splitsingen niet heeft overgelegd,
biedt het klachtdossier onvoldoende grondslag. Verweerder heeft afdoende toegelicht
dat hij niet alle bijlagen had overgelegd, maar slechts de volgens hem voor de beslechting
van de rechtsvraag relevante bijlagen. De jaarrekeningen en jaarverslagen waren namelijk
zeer omvangrijk en bovendien waren/zijn deze stukken volgens verweerder niet relevant
voor de vraag of de rechtsverhouding met in dit geval de management- en pensioenvennootschap
en H was overgegaan op SN respectievelijk LN. Naar het oordeel van de raad stond het
verweerder vrij om ervoor te kiezen niet alle stukken integraal over te leggen en
uit de door verweerder gemaakte keuze kan niet worden afgeleid dat verweerder bewust
bepaalde stukken niet heeft overgelegd. Van klachtwaardig handelen is niet gebleken.
Klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.9 Klager heeft toegelicht dat de overgang van de rechtsverhouding van een deel
van de relaties van ABN naar SN en LN in 2017, en de daaropvolgende cessies van vorderingen
van SN en LN aan CIDAC in 2019, volgens hem schijnhandelingen zijn geweest. Klager
verwijst naar een door hem opgesteld rapport waarin dit is toegelicht. Volgens klager
heeft verweerder daarbij als advocaat van SN, LN en CIDAC een leidende positie gehad
en is hij daardoor deelgenoot van de schijnconstructie. De transacties in 2017 en
2019 zijn ongebruikelijke transacties die door verweerder gemeld hadden moeten worden
op grond van de Wwft. Hij had de zaken voor SN, LN en CIDAC niet mogen aannemen.
5.10 De raad overweegt als volgt. Nog daargelaten de vraag of klager zijn klacht,
gelet op het bepaalde in artikel 46g, lid 1, onder a, van de Advocatenwet tijdig -
dat wil zeggen binnen drie jaar - heeft ingediend, geldt het volgende. Op grond van
de Advocatenwet komt het recht om een klacht in te dienen uitsluitend toe aan de persoon
of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn
belang wordt of kan worden getroffen. Voor zover het in het algemeen belang is dat
enig handelen of nalaten van een advocaat tuchtrechtelijk wordt beoordeeld, heeft
de deken het recht om te klagen. Het toezicht op de naleving van de Wwft berust bij
de deken. Aan klager komt in deze situatie geen klachtrecht toe ter zake van de gestelde
schending van die wet- en regelgeving. Evenmin heeft klager een rechtstreeks belang
bij de vraag welke zaken verweerder besluit al dan niet aan te nemen Klachtonderdeel
b) is dan ook niet-ontvankelijk.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart:
- klachtonderdeel a) ongegrond;
- klachtonderdeel b) niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026