ECLI:NL:TADRAMS:2026:7 Raad van Discipline Amsterdam 25-858/A/DH/W
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:7 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 12-01-2026 |
| Datum publicatie: | 19-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-858/A/DH/W |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Wraking |
| Beslissingen: | Wraking |
| Inhoudsindicatie: | Wrakingsverzoek kennelijk ongegrond |
Beslissing van de Wrakingskamer van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
als plaatsvervanger van de Raad van Discipline in het ressort Den Haag
van 12 januari 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 25-858/A/DH/W
naar aanleiding van het verzoek om wraking van na te noemen tuchtrechters,
ingediend door:
verzoekers
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij de Raad van Discipline in het ressort Den Haag (hierna: de raad) is een
klachtzaak aanhangig onder zaaknummer 25-238/DH/DH met verzoekers als klagers en mr.
ten B als verweerder (hierna: verweerder).
1.2 Bij beslissing van de voorzitter van de raad van 4 juni 2025 is de klacht
gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard (op grond van artikel 46g, lid 1 onder a
Advocatenwet) en daarnaast gedeeltelijk kennelijk ongegrond verklaard (op grond van
artikel 46j Advocatenwet). Tegen deze beslissing hebben verzoekers verzet aangetekend.
1.3 Het verzet is op de zitting van 8 december 2025 behandeld door mr. S. Wierink,
voorzitter, mrs. H. Warendorp Torringa en M.M. van Wijk, leden (hierna: de tuchtrechters).
Daarbij waren aanwezig verzoeker 1 en verweerder, bijgestaan door zijn gemachtigde.
1.4 Verzoeker 1 heeft de tuchtrechters op de zitting gewraakt. Bij e-mail van
8 december 2025 (om 21:27 uur) met bijlagen hebben verzoekers hun wrakingsverzoek
nader toegelicht.
1.5 De tuchtrechters hebben niet berust in de wraking.
1.6 De wrakingskamer van de raad (hierna: de wrakingskamer) heeft bij zijn beslissing
kennisgenomen van de volgende stukken:
- het proces-verbaal van de behandeling van het verzet op de zitting van 8 december
2025;
- de pleitnota van verzoekers;
- de e-mail van verzoekers van 8 december 2025, met een nadere toelichting en
twee bijlagen, te weten het gemotiveerde wrakingverzoek en nogmaals de pleitnota van
verzoekers;
- het verweer van de tuchtrechters per e-mail van 18 december 2025 aan de wrakingskamer
gestuurd en op 22 december 2025 aan verzoekers doorgestuurd;
- de reactie van verzoekers op het verweer van 18 december 2025, toegezonden
per e-mail van 2 januari 2026 en op 5 januari 2026 aan de tuchtrechters doorgestuurd.
2 BEOORDELING
2.1 Op grond van artikel 47 Advocatenwet en artikel 512 Wetboek van Strafvordering
is wraking van een tuchtrechter mogelijk op grond van feiten of omstandigheden waardoor
de (tucht)rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden.
2.2 Van dergelijke feiten en omstandigheden kan sprake zijn door de subjectieve
instelling van de tuchtrechter ten opzichte van een partij of van het voorliggend
geschil. Wraking is verder mogelijk als feiten en omstandigheden betreffende de persoon
van de tuchtrechter, los van diens subjectieve instelling, een partij in objectieve
zin grond geven te vrezen dat de tuchtrechter niet onpartijdig is. Bij dat laatste
is ook van belang dat de schijn van partijdigheid wordt vermeden. Elke tuchtrechter
wordt uit hoofde van zijn aanstelling vermoed onpartijdig te zijn. Dit is alleen anders
als zich uitzonderlijke omstandigheden voordoen die zwaarwegende aanwijzingen opleveren
voor het oordeel dat de tuchtrechter in kwestie vooringenomen is tegen verzoeker,
althans dat de vrees daarvoor bij verzoeker objectief gerechtvaardigd is. De wrakingskamer
zal onderzoeken of dergelijke feiten en omstandigheden door verzoekers zijn gesteld
en aannemelijk zijn geworden.
2.3 Verzoeker 1 heeft (mede namens verzoeker 2) de tuchtrechters tijdens de zitting
van 8 december 2025 gewraakt en deze wraking (mede) na afloop van de zitting schriftelijk
nader toegelicht. Verzoekers hebben ter onderbouwing van hun wrakingsverzoek het volgende
naar voren gebracht. Op de zitting van 8 december 2025 is het verzet van verzoekers
tegen de beslissing van de voorzitter van 4 juni 2025 behandeld. Verzoeker 1 had in
zijn pleitnota aan de tuchtrechters verzocht een drietal punten als feitenvaststelling
op te nemen in de verzetbeslissing. De punten staan in punt 6 onder I, II en III van
de pleitnota (en zijn gelijkluidend aan punt 2 onder I, II en III van het wrakingsverzoek
dat verzoekers na afloop van de zitting hebben toegezonden). De punten luiden als
volgt:
I. De drie [naam] Doofpot activisten, advocaat [naam], journalist [naam] en oud-rechercheur
[naam] waren wél aanwezig bij civiele zittingen 2015-2017 over onze rol in het pedonetcomplotnarratief
terwijl wij ‘figuranten’ niets van die rechtszaken wisten.
II. Het OM merkte ons in 2016 aan als slachtoffers van ‘stalking by law’ of ‘stalking
by proxy’ volgens het advies van de Landelijke Expertisegroep Bijzondere Zedenzaken
(LEBZ). Wij moesten beschermd worden tegen valse meldingen. Argos suggereerde echter
in 2018-2020 dat de LEBZ pedonet-onderzoeken zou ‘belemmeren’. Sindsdien verzwijgen
topambtenaren en rechters dit belangrijke LEBZ deskundigenoordeel uit 2016 dat ons
moest beschermen.
III. Justitieambtenaren deden vanaf 2016 klokkenluider-meldingen over een vermeend
pedofielen netwerk rond ons die serieus genomen werden in de top van het Ministerie
en tot allerlei onderzoeken leidden. Na de eindconclusie van recherchebureau [naam]
in 2018 dat er géén aanwijzing was voor het bestaan van een Haags pedonet, bleven
dezelfde complotambtenaren ons gezin belagen. Het OM (met steun van het Hof Den Haag)
weigerde complotambtenaren en (oud-) justitiecollega’s te onderzoeken na onze aangiftes.
2.4 Verzoekers voelen zich tot het stellen van deze voorwaarde gedwongen omdat
zij eerder een partijdige behandeling van hun tuchtklachten hadden ervaren. Deze drie
feiten vormen volgens verzoekers de essentiële en relevante grondslag voor hun eerdere
klachten tegen drie advocaten die deel uitmaken van het team advocaten dat hen sinds
2010 belaagt en tegen de landsadvocaat (in de onderliggende procedure). Het opzettelijk
buiten beeld werken van de feitelijke grondslag van hun klacht, is volgens verzoekers
een integriteitsschending en in strijd met de grondbeginselen van een eerlijk proces.
Nadat er uitspraak op het verzet is gedaan, kunnen verzoekers zich niet meer verweren
tegen dit niet-integere gedrag van de tuchtrechters. De weigering om deze alinea’s
in de beslissing op te nemen (slechts 170 woorden) – terwijl die beslissingen de laatste
tijd duizenden woorden tellen – wekt de schijn van partijdigheid en is daarmee een
voldoende grond voor wraking, aldus verzoekers.
2.5 De tuchtrechters hebben het volgende aangevoerd. Nadat verzoeker 1 in zijn
pleitnota de tuchtrechters had verzocht om tijdens de zitting de toezegging te doen
de benoemde punten als feiten in de beslissing op te nemen onder de feitenvaststelling,
is verzoeker 1, na schorsing, voorgehouden dat dit een beslissing is die niet in korte
tijd kan worden genomen. Dit vraagt, aldus de tuchtrechters, om nadere bestudering
en overleg in raadkamer. Immers, onderdeel van de beoordeling van de gegrondheid van
het verzet is de vraag of de voorzittersbeslissing is gebaseerd op onjuiste feiten.
Die vraag ligt voor in raadkamer, niet tijdens de zitting, en kan ook niet tijdens
een korte schorsing worden beantwoord. Daarbij is het volgens de tuchtrechters bovendien
de vraag of de onder I, II en III genoemde punten (al dan niet in het geheel of gedeeltelijk)
te kwalificeren zijn als feiten.
2.6 De wrakingskamer is van oordeel dat de beslissing van de tuchtrechters om
tijdens de zitting niet onmiddellijk de vraag van verzoeker 1 te beantwoorden, maar
deze in raadkamer te beoordelen, een processuele beslissing betreft en geen gerechtvaardigde
grond voor een wraking betreft. Daaraan valt immers niet de gevolgtrekking te verbinden
dat de rechterlijke onpartijdigheid van de tuchtrechters schade zouden kunnen lijden.
Ook overigens is de wrakingskamer op grond van de stukken niet gebleken dat tijdens
de behandeling van de verzetsprocedure, sprake is geweest van (de schijn van) vooringenomenheid
of partijdigheid bij de tuchtrechters. Al hetgeen verzoekers in hun reactie op het
verweer van 2 januari 2026 hebben gesteld, leidt de wrakingskamer niet tot een ander
oordeel.
2.7 De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat er geen grond is voor een gerechtvaardigde
twijfel aan de vooringenomenheid of onpartijdigheid van de tuchtrechters. Het verzoek
is daarom kennelijk ongegrond. De wrakingskamer zal, gelet op artikel 4 van het Wrakingsprotocol
raden van discipline, het verzoek zonder behandeling ter zitting afwijzen.
BESLISSING
De wrakingskamer:
- verklaart het wrakingsverzoek kennelijk ongegrond;
- bepaalt dat de behandeling van de klachtzaak met kenmerk 25-238/DH/DH zal worden
hervat in de stand waarin het zich bevond op het moment dat het wrakingsverzoek werd
ingediend.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en L.C. Dufour,
leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh griffier en in het openbaar uitgesproken
op 26 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 12 januari 2026