ECLI:NL:TADRAMS:2026:69 Raad van Discipline Amsterdam 25-537/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:69 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-537/A/NH |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij in een familierechtelijk geschil is ongegrond. Door verweerder is gemotiveerd aangevoerd dat hij met het instellen van het hoger beroep slechts gebruik heeft gemaakt van de bestaande processuele mogelijkheden. Het instellen van hoger beroep was in het voordeel van zijn cliënt nu hiermee de door de rechtbank vastgestelde alimentatieverplichting kon worden uitgesteld. Daarbij zag het hoger beroep op meerdere onderdelen en bestonden er ook voor klaagster afdoende mogelijkheden om in de tussentijd een onderhoudsbijdrage aan te vragen. Er bestond gelet op het voorgaande een gerechtvaardigd belang voor de cliënt van verweerder om hoger beroep in te stellen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is geen sprake. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 maart 2026
in de zaak 25-537/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
gemachtigde: mr. R.R. Raghoebir
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 27 januari 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 12 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-047/2448392
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 februari 2026. Daarbij
waren klaagster en mr. G.C. Haulassy, ter zitting optredend als vervanger van haar
gemachtigde, als ook verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 10 november 2025 namens klaagster nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klaagster is in een echtscheidingsprocedure verwikkeld met haar ex-man (hierna:
de man).
2.3 Verweerder staat de man vanaf 2023 bij, samen met een andere advocaat (hierna:
mr. G).
2.4 Klaagster wordt bijgestaan door mr. PG.
2.5 Bij beschikking van 29 december 2023 heeft de rechtbank Noord-Holland, locatie
Alkmaar (hierna: de rechtbank) de echtscheiding tussen klaagster en de man uitgesproken.
Ook heeft de rechtbank in deze beschikking onder meer de hoogte van de door de man
aan klaagster te bepalen partneralimentatie en de verdeling van de gemeenschappen
vastgesteld.
2.6 Op 26 maart 2024 heeft verweerder namens de man hoger beroep ingesteld tegen
deze beschikking, ook tegen de echtscheiding zelf.
2.7 Op 29 mei 2024 heeft mr. PG namens klaagster een verweerschrift, mede een
verzoek voorlopige voorzieningen, tevens incidenteel appel ingediend.
2.8 Op 12 november 2024 is het hoger beroep behandeld ter zitting van het Gerechtshof
Amsterdam (hierna: het Hof). Ter zitting hebben verweerder en mr. G zich namens de
man voor wat betreft de grief tegen de echtscheiding gerefereerd aan het oordeel van
het Hof.
2.9 Bij tussenbeschikking van 17 december 2024 heeft het Hof beslist op het verzoek
tot voorlopige voorziening en de echtscheiding overwogen, voor zover relevant:
“(…)
(r.o. 5.2) (…) Nadat [klaagster] haar verzoek tot het treffen van een voorlopige
voorziening heeft ingediend heeft zij ook niet om een spoedige behandeling van dit
verzoek om een voorlopige bijdrage bij het hof verzocht.
(…)
(r.o. 5.4) Beide partijen hebben in eerste aanleg bij de rechtbank (…) verzocht
de echtscheiding tussen hen uit te spreken omdat het huwelijk duurzaam is ontwricht.
De man stelt dat hij om hem moverende redenen hoger beroep instelt tegen de uitgesproken
echtscheiding en refereert zich aan het oordeel van het hof. [Klaagster] stelt dat
het hoger beroep van de man slechts bedoeld is om te voorkomen dat zij de echtscheidingsbeschikking
kan laten inschrijven in de registers van de burgerlijke stand, zodat zij haar recht
op alimentatie zoals vastgesteld door de rechtbank in de bestreden beschikking niet
kan effectueren.
(r.o.5.5) Het hof stelt vast dat de man geen grond heeft aangevoerd om de bestreden
beschikking ten aanzien van de beslissing over de echtscheiding te vernietigen. Daar
komt bij dat de man zijn overige verzoeken (nevenvoorzieningen bij de echtscheiding)
handhaaft. Bij een vernietiging van de echtscheiding komt ook de grondslag voor deze
nevenvoorzieningen te vervallen. Het hof is daarom van oordeel dat de man in zijn
hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
2.10 Op 27 januari 2025 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend
bij de deken.
2.11 Bij (eind)beschikking van 28 januari 2025 heeft het Hof een oordeel gegeven
over de afwikkeling van de nevenvoorzieningen. Daarbij heeft het Hof onder 2.11 overwogen:
“Partijen hebben tijdens de schorsing van de mondelinge behandeling in hoger beroep
in onderling overleg afgesproken dat zij zich samen (opnieuw) zullen wenden tot de
accountants (…) om te komen tot een gezamenlijk voorstel voor de wijze van afwikkeling
van de huwelijkse voorwaarden (…)”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt
verweerder dat hij het hoger beroep ten aanzien van de echtscheiding niet had mogen
instellen, nu het enig doel was de alimentatieverplichting nog niet in te laten gaan.
Klaagster heeft hierdoor onnodige rechtsbijstandskosten moeten maken.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Verder geldt dat in familierechtkwesties de advocaat ervoor moet waken dat
de verhoudingen tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid
worden verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
5.3 Klaagster stelt dat het door verweerder ingestelde hoger beroep niet alleen
was gericht tegen de hoogte van de vastgestelde alimentatie, maar ook tegen de echtscheiding
zelf waarover partijen nu juist overeenstemming hadden bereikt. Verweerder heeft met
betrekking tot de echtscheiding geen gronden aangevoerd en de man is ten aanzien van
dit onderdeel niet-ontvankelijk verklaard. Verweerder heeft het instellen van hoger
beroep voor een andere reden gebruikt (namelijk het uitstellen van het betalen van
alimentatie) dan waarvoor het was bedoeld. Hiermee heeft klager de redelijke belangen
van klaagster geschaad en misbruik van recht gemaakt, aldus klaagster.
5.4 Naar het oordeel van de raad heeft verweerder gemotiveerd aangevoerd dat
hij met het instellen van het hoger beroep slechts gebruik heeft gemaakt van de bestaande
processuele mogelijkheden. Het instellen van hoger beroep was in het voordeel van
zijn cliënt nu hiermee de door de rechtbank vastgestelde alimentatieverplichting kon
worden uitgesteld. Daarbij zag het hoger beroep op meerdere onderdelen en bestonden
er ook voor klaagster afdoende mogelijkheden om in de tussentijd een onderhoudsbijdrage
aan te vragen, bijvoorbeeld door middel van het indienen van een verzoek tot het bepalen
van een voorlopige voorziening. Dat klaagster niet om een spoedige behandeling van
dit verzoek heeft verzocht en hiertoe ook niet meteen is overgegaan (r.o. 5.2 van
de beschikking van het Hof van 17 december 2024) maakt niet dat het de cliënt van
verweerder niet vrijstond om hoger beroep in te stellen of dat dit op andere wijze
voor rekening van verweerder komt. Daarnaast blijkt uit de inhoud van het proces-verbaal
van de behandeling van het hoger beroep ter zitting en de beschikkingen van het Hof
dat de gang van zaken ter zitting voor de man aanleiding gaf om zich te refereren
aan het oordeel van het Hof voor wat betreft het instellen van hoger beroep tegen
de echtscheiding. Dat het Hof de man ten aanzien van de echtscheiding niet-ontvankelijk
heeft verklaard, leidt er naar het oordeel van de raad evenmin toe dat verweerder,
met het instellen van dit beroep, de belangen van klaagster onevenredig zou hebben
geschaad of dat daarmee sprake zou zijn van misbruik van recht. Er bestond gelet op
het voorgaande een gerechtvaardigd belang voor de cliënt van verweerder om hoger beroep
in te stellen en van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is geen
sprake.
5.5 De klacht is gelet op het voorgaande ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. J.C. Ellerman en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters, als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 maart 2026