ECLI:NL:TADRAMS:2026:68 Raad van Discipline Amsterdam 25-742/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:68 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-742/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Geheimhoudingsplicht |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht is deels gegrond voor wat betreft het verwijt dat verweerder onbevoegd en zonder toestemming of instructie van klager heeft gesproken met een journalist. De raad ziet in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een maatregel. Hierin weegt de raad de -op zichzelf begrijpelijke- belangenafweging van verweerder mee waarin hij heeft geprobeerd om in het belang van zijn cliënt te handelen en de schade te proberen te beperken. Daarnaast weegt de raad mee dat niet is gebleken dat verweerder op enige wijze vertrouwelijke informatie met de journalist zou hebben gedeeld, als ook dat verweerder verder geen tuchtrechtelijk verleden kent. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 maart 2026
in de zaak 25-742/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 29 april 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2489951/ER/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 februari 2026. Daarbij
was verweerder aanwezig. Klager is (met bericht) niet ter zitting verschenen. Van
de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04, als ook van de door klager
op 9 februari 2026 verstuurde pleitnota.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Verweerder heeft klager bijgestaan in een strafzaak.
2.3 In oktober 2023 heeft verweerder contact gehad met een journalist (dhr van
W, verder de journalist) van de Telegraaf over de zaak van klager.
2.4 In oktober 2023 is er een online artikel in de Telegraaf verschenen van de
journalist . De kop van dit artikel luidt: “Agent die racisme bij politie aankaartte
nu verdachte.”
2.5 In het artikel staat verder, voor zover relevant:
“Een 56-jarige politieagent, tevens een van de hoofdpersonen in de documentaire
(…) die racisme en andere misstanden binnen de politie aankaartte, is onderwerp van
justitieel onderzoek. [Klager] wordt verdacht van het onrechtmatig binnendringen van
de politiesystemen en moet zich in januari verantwoorden voor de rechter. Dat blijkt
uit stukken van de rechtbank en wordt bevestigd door het Openbaar Ministerie en de
advocaat van O., [verweerder] (…). De advocaat van [klager] zegt dat zijn cliënt erkent
dat hij uitvoerig gegrasduind heeft in de systemen. ‘Hij leefde met gevoelens van
onveiligheid. Mijn cliënt was actief binnen een belangrijke tak van de politie. Hij
zat dicht tegen het criminele milieu aan. Hij had daardoor veel angst. Soms wilde
hij informatie inwinnen vanuit die angst. Stel dat je nieuwe buren krijgt en wil checken
wie het zijn. Of je ziet een verdachte auto voor de deur en wilt weten van wie die
is. Dat soort zaken’, zegt [verweerder]. De politie-inspecteur vindt het volgens zijn
advocaat ‘onverteerbaar’ dat hij zo wordt behandeld. ‘Een betere crimefighter bestaat
er niet. Zo staat hij bekend binnen de organisatie. Er was in onze ogen te weinig
oog voor zijn omstandigheden.”
2.6 Op 22 april 2025 heeft klager een klacht tegen verweerder ingediend bij de
deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijten
verweerder dat hij:
a) onbevoegd en zonder toestemming of instructie van klager heeft afgesproken
met een journalist, hetgeen heeft geresulteerd in een publicatie waarin uitspraken
zijn gedaan over de zaak van klager;
b) de geheimhoudingsplicht en zorgvuldigheidsplicht heeft geschonden;
c) een ernstige vertrouwensbreuk heeft veroorzaakt, waarmee de kern van de cliënt-advocaatrelatie
is aangetast.
4 BEOORDELING
Klachtonderdelen a), b) en c)
4.1 De raad ziet in de inhoud van de klachtonderdelen a), b) en c) aanleiding
voor een gezamenlijke beoordeling. De raad weegt hierin het bepaalde in artikel 11a
van de Advocatenwet en gedragsregel 3 mee.
4.2 In artikel 11a van de Advocatenwet staat dat een advocaat in beginsel verplicht
is tot geheimhouding van al hetgeen, waarvan hij uit hoofde van zijn beroepsuitoefening
als zodanig kennis draagt.
4.3 Op grond van gedragsregel 3 eerste lid is de advocaat op grond van de wet
verplicht tot geheimhouding; zo dient de advocaat te zwijgen over bijzonderheden van
door hem behandelde zaken, de persoon van zijn cliënt en de aard en omvang van diens
belangen.
4.4 In gedragsregel 3 zesde lid staat dat de advocaat, bij het verstrekken van
informatie aan derden over een zaak die bij hem in behandeling is of was, behalve
de belangen van de cliënt, tevens gerechtvaardigde andere belangen in acht neemt.
De advocaat verstrekt geen informatie zonder instemming van de cliënt.
Standpunt klager
4.5 Klager stelt dat verweerder zonder toestemming van klager contact heeft gehad
met een journalist van de Telegraaf. Dit contact resulteerde in een publicatie waarin
door verweerder, zonder overleg en zonder toestemming met klager, uitspraken zijn
gedaan. Dit alles heeft geleid tot reputatieschade, stress en een ernstig verstoorde
vertrouwensband. Verweerder beroept zich naar de mening van klager ten onrechte op
een belangenafweging. De toepasselijke gedragsregels zijn helder: een advocaat mag
zich uitsluitend met toestemming van zijn cliënt publiekelijk uitlaten over diens
zaak. Die toestemming ontbrak volledig, aldus klager.
Standpunt verweerder
4.6 Verweerder voert aan dat hij op 9 oktober 2023 werd gebeld door een journalist
van de Telegraaf. De journalist vertelde verweerder dat hij online een artikel zou
gaan plaatsen over een tegen klager lopend strafonderzoek. De journalist stelde verweerder,
in het kader van hoor en wederhoor, vooraf in de gelegenheid om een reactie te geven.
Verweerder heeft de journalist meteen gezegd dat hij dat niet kon doen zonder eerst
overleg hierover te voeren met zijn cliënt (klager). Hij heeft de journalist gevraagd
om te wachten en verweerder de kans geven om eerst met zijn cliënt te spreken. De
journalist weigerde dat. Verweerder heeft toen een belangenafweging gemaakt en ervoor
gekozen om het belang van klager voorop te stellen en nuance aan te brengen in het
artikel. Hij heeft de journalist verwezen naar de NPO-documentaire “De Blauwe Familie”.
Op de vraag van de journalist wat er volgens verweerder wordt bedoeld met “privégedragingen”,
heeft verweerder een algemeen voorbeeld gegeven. Verweerder heeft in dit verband de
situatie beschreven waarin je in de systemen checkt wie je nieuwe buren zijn. Verweerder
heeft niet gezegd wat klager op dat punt wel of niet zou hebben gedaan. De in het
artikel genoemde citaten komen niet uit de mond van verweerder. Verweerder heeft niets
inhoudelijks of vertrouwelijks over de zaak prijsgegeven en hij betwist met klem dat
hij zou hebben gezegd dat klager zou hebben “gegrasduind” in de systemen.
4.7 De raad overweegt ten aanzien van klachtonderdeel a) als volgt. Alhoewel
het de raad niet is gebleken dat verweerder in het telefoongesprek met de journalist
(vertrouwelijke) informatie over de zaak van klager heeft gedeeld, of dat hij iets
met de journalist zou hebben afgesproken, stelt de raad op grond van de inhoud van
het klachtdossier en hetgeen ter zitting is besproken wel vast dat verweerder met
de journalist heeft gesproken en dat hij in dat gesprek in ieder geval ook antwoord
heeft gegeven op een vraag van de journalist wat er volgens hem moest worden verstaan
onder “privégedragingen”. Dat verweerder dit slechts deed met de bedoeling om nuance
aan te brengen op het artikel en in algemeenheden heeft gesproken, doet daarbij naar
het oordeel van de raad niet terzake voor de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid. In
gedragsregel 3 staat immers dat een advocaat dient te zwijgen over de bijzonderheden
van de door hem behandelde zaken. Dit houdt naar het oordeel van de raad ook in dat
verweerder de journalist niet te woord had mogen staan, nog los van de vraag wat zijn
(goede) bedoelingen hierbij waren, welke belangenafweging hieraan vooraf is gegaan
en of hij daarbij slechts heeft verwezen naar algemene informatie. Verweerder had
naar het oordeel van de raad überhaupt niet mogen ingaan op vragen van de journalist
nu hij zijn cliënt hierover nog niet had gesproken en hij dit, gelet ook op het bepaalde
in lid 6 van gedragsregel 3, wel eerst had moeten doen. Dat verweerder de kans niet
zou hebben gehad om zijn cliënt vooraf te raadplegen, zoals verweerder heeft aangevoerd,
maakt de tuchtrechtelijke verwijtbaarheid van zijn handelen niet minder. Vaststaat
dat verweerder in ieder geval is ingegaan op het gesprek en op (een deel van) de gestelde
vragen en hij dit niet had mogen doen.
4.8 Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande deels gegrond voor wat betreft
het verwijt dat verweerder onbevoegd en zonder toestemming of instructie van klager
heeft gesproken met een journalist.
4.9 Dat het gesprek van verweerder met de journalist eraan heeft bijgedragen
of heeft geresulteerd in de publicatie waarin uitspraken zijn gedaan over de zaak
van klager, is de raad niet gebleken en dit wordt door verweerder ook betwist. Het
overige deel van klachtonderdeel a) is daarom ongegrond.
4.10 Nu het de raad evenmin is gebleken dat verweerder vertrouwelijke informatie
heeft gedeeld of op andere wijze de geheimhoudingsplicht heeft doorbroken of onzorgvuldig
richting klager heeft gehandeld, zijn de klachtonderdelen b) en c) ongegrond. Daarbij
geldt dat vooral de inhoud van het stuk van de journalist de vertrouwensbreuk lijkt
te hebben veroorzaakt en niet verweerder zelf.
5 MAATREGEL
5.1 Hoewel verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld door zonder
voorafgaande toestemming van zijn cliënt met een journalist te hebben gesproken, ziet
de raad in de gegeven omstandigheden aanleiding af te zien van het opleggen van een
maatregel. Hierin weegt de raad de -op zichzelf begrijpelijke- belangenafweging van
verweerder mee waarin hij heeft geprobeerd om in het belang van zijn cliënt te handelen
en de schade te proberen te beperken. Daarnaast weegt de raad mee dat niet is gebleken
dat verweerder op enige wijze vertrouwelijke informatie met de journalist zou hebben
gedeeld, als ook dat verweerder verder geen tuchtrechtelijk verleden kent.
6 GRIFFIERECHT
6.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerder op
grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van
€ 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is
geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer
schriftelijk aan verweerder door.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel a) deels gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a) voor het overige, alsmede de klachtonderdelen
b) en c) ongegrond;
- bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
- veroordeelt verweerder tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. J.C. Ellerman en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 maart 2026