ECLI:NL:TADRAMS:2026:67 Raad van Discipline Amsterdam 25-804/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:67 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 30-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-804/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over het handelen van de advocaat van de wederpartij is in beide klachtonderdelen ongegrond. Dat er een tijdsverloop van slechts 11 minuten zat tussen eerst de opzegging van de bemiddeling door de heer AK, en het hierna door verweerder zenden van de sommatiebrief aan klagers, wekt (inderdaad) sterk de indruk dat de heer AK al eerder met verweerder had gesproken. Dit kan zo zijn, maar dit maakt naar het oordeel van de raad niet dat verweerder om die reden een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. Er bestond voor verweerder geen reden waardoor het hem was verboden om de heer AK als advocaat bij te staan. De door klagers in dit verband aangehaalde mediationovereenkomst is niet overgelegd en het bestaan van deze overeenkomst wordt door verweerder met klem betwist, en klager 1 heeft ter zitting erkend dat deze er niet is, zodat van een schending van deze overeenkomst in ieder geval geen sprake kan zijn. Van het bestaan van een misverstand over de hoedanigheid waarin verweerder optrad, en het daarmee schenden van het bepaalde in gedragsregel 9, is evenmin sprake. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 30 maart 2026
in de zaak 25-804/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 10 mei 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 19 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2492548/EvR/BF
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 16 februari 2026. Daarbij
waren klager 1 en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 01 tot en met 04.
1.5 Ook heeft de raad kennisgenomen van de op 5 december 2025 door klager en
verweerder nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klagers en de heer AK zijn middels hun persoonlijke vennootschappen aandeelhouder
en bestuurder van een vennootschap (hierna: de vennootschap).
2.3 Tussen klagers en de heer AK is een geschil ontstaan over de wijze van ontwikkeling
van het vastgoed van de vennootschap, bestaande uit een kerk op de Nieuwendammerdijk
te Amsterdam.
2.4 Verweerder staat in dit geschil de heer AK bij.
2.5 Partijen hebben gepoogd het geschil op te lossen door middel van enkele bemiddelingsgesprekken,
onder leiding van mr. D. als bemiddelaar.
2.6 In november 2024 is door partijen een bemiddelingsovereenkomst getekend.
In de bemiddelingsovereenkomst staat, voor zover van belang:
“1. [klager 2], [klager 1] en [de heer AK] (de “Aandeelhouders”) houden gezamenlijk
(middellijk) alle geplaatste aandelen in de Vennootschap. [K] Investments, [M] Investments
en [B] Investments zijn gezamenlijk bevoegd bestuurders van de Vennootschap (de “Bestuurders”).
2. Tussen de Aandeelhouders, althans Bestuurders, bestaat een geschil over de wijze
van projectontwikkeling van het vastgoed van de Vennootschap, zijnde (…)
3. Partijen beogen dit geschil op te lossen aan de hand van enkele bemiddelingsgesprekken.
4. Partijen hebben [mr. D] bereid gevonden ter zake het geschil in opdracht van
de Vennootschap als bemiddelaar op te treden.
5. Partijen beloven elkaar om zich tijdens het gesprek serieus in te zetten voor
een oplossing van het geschil, met dien verstande dat zij niet tot een oplossing in
der minne gedwongen kunnen worden en over en weer op voorhand afstand doen van eventuele
rechten uit hoofde van afgebroken onderhandelingen voor het geval de bemiddeling niet
zou slagen.
(…)
7. Partijen kunnen niet gehouden worden aan door hen in de bemiddeling ingenomen
standpunten en mededelingen (waaronder de beschrijving van het geschil in artikel
2 hiervoor) en verplichten zich voorts jegens elkaar tot geheimhouding in en buiten
rechte en tot afstand van het recht van bewijslevering ten aanzien van al hetgeen
hen uitsluitend door middel van de bemiddelingsprocedure bekend is geworden op straffe
van een boete van € 10.000 per overtreding, onverminderd het recht op volledige vergoeding
van de door de overtreding geleden schade, dit behoudens een nadere, hiervan afwijkende,
schriftelijk verwoorde overeenkomst waaronder een nader te sluiten vaststellingsovereenkomst
tussen Partijen.
(…)
9. Indien het onmogelijk gebleken is het geschil deels of geheel op te lossen met
behulp van een of meer bemiddelingsgesprekken, dan zijn Partijen niet meer gebonden
aan artikel 3 van deze overeenkomst.”
2.7 Op 1 mei 2025 om 14:39 uur heeft de heer AK in een e-mailbericht aan klagers
en mr. D geschreven, voor zover relevant:
“Het bemiddelingstraject was helaas al nagenoeg ten einde. Ik kan mij totaal niet
vinden in het huidige traject en ben niet akkoord met de verschillende voorstellen.
Hiermee komt de bemiddeling volledig ten einde.”
2.8 Dezelfde dag om 14:50 uur heeft verweerder per e-mail een sommatiebrief aan
klagers gestuurd. In het e-mailbericht staat, voor zover relevant:
“Namens cliënte zend ik u hierbij een (sommatie-)brief van heden. Ik volsta met
te verwijzen naar de inhoud daarvan.
Kunt u mij de deugdelijke ontvangst van de brief met bijlagen bevestigen?
Verdere correspondentie ter zake dient u aan mij te richten, aangezien ik thans
de belangen van cliënte behartig.”
2.9 In de bijgevoegde brief van verweerder staat, voor zover relevant:
“1. Tot mij heeft zich gewend [B] B.V. in haar hoedanigheid van (indirect) medeaandeelhouder
in en medebestuurder van (…).
(…)
4. Er zijn diverse inhoudelijke geschilpunten tussen partijen, zoals u genoegzaam
bekend. Ik zal daarop nog in een later stadium terugkomen, maar door middel van dit
schrijven wordt met name dringend uw aandacht gevraagd voor de ernst van het achterstallige
onderhoud van de kerk.
(…)
Met vriendelijke groet,
[verweerder]
Advocaat”
2.10 Op 1 mei 2025 om 16:51 uur heeft mr. D in een e-mailbericht aan klagers
en de heer AK geschreven, voor zover relevant:
“Beste allen,
De bemiddeling vindt plaats op vrijwillige basis. Met het bericht van (de heer AK)
is de bemiddeling beëindigd, waardoor mijn betrokkenheid ook is geëindigd.
Het spijt mij dat partijen niet heb kunnen begeleiden naar een minnelijke regeling
(…)
Aan de standpunten ingenomen tijdens deze bemiddeling kunnen geen rechten worden
ontleend en deze vallen bovendien onder geheimhouding. (...)”
2.11 Op 2 mei 2025 hebben klagers in een e-mailbericht aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Wij bevestigen de ontvangst van uw brief van 1 mei 2025, waarvan wij de inhoud
zorgvuldig hebben bestudeerd.
In verband met het feit dat het bemiddelingstraject op het moment van uw interventie
formeel nog voortduurde en bindende bepalingen kende ten aanzien van vertrouwelijkheid
en exclusieve communicatie via de aangewezen mediator, plaatsen wij kanttekeningen
bij de toelaatbaarheid van uw optreden binnen dit kader.
Desalniettemin achten wij het, mede ter waarborging van de integriteit van het dossier,
aangewezen om thans kort en zakelijk te reageren op de door u ingenomen stellingen.
(…)
1. Schending mediationovereenkomst
Het inschakelen van externe juridische bijstand buiten de mediator om is in strijd
met de mediationovereenkomst van 19 maart 2025 (bijgevoegd), waarin in artikel 2 en
7 expliciet is bepaald:
“Partijen onthouden zich van het inschakelen van derden ten behoeve van advisering
of vertegenwoordiging zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de mediator.”
“De mediation is vertrouwelijk en alle informatie die in het kader daarvan gedeeld
wordt, blijft geheim, ook na beëindiging.”
Uw betrokkenheid – en met name de inhoud van uw brief – roept daarmee fundamentele
vragen op over de rechtmatigheid van uw optreden binnen dit kader. Wij gaan ervan
uit dat u hierover inmiddels bent geïnformeerd door [mr. D].
De mediation loopt sinds september 2024 en had als doel om te komen tot de kern
van het geschil: een directe uitkoop of een neutrale shoot-out-regeling. Uw optreden
is voorbarig, onjuist gekaderd en draagt niet bij aan de gewenste zakelijke oplossing.
2. Reikwijdte en inhoud van uw brief
Uw brief betreft grotendeels bekende en reeds besproken aangelegenheden die uitgebreid
aan bod zijn gekomen tijdens het mediationtraject.
(…)
Zoals wij eerder hebben aangegeven, zijn wij onder geen beding bereid om de samenwerking
met uw cliënt, [de heer AK], in de huidige vorm voort te zetten. Wel blijven wij onverminderd
bereid om deze situatie op respectvolle, zakelijke wijze af te wikkelen – bij voorkeur
via een directe uitkoop of een bindende shoot-out, op korte termijn en onder duidelijke
voorwaarden. Indien uw cliënt een ander toekomstbeeld voor zich ziet, ontvangen wij
graag een concreet voorstel, onderbouwd met termijnen, aannames en een reële waardering.”
2.12 Op 5 mei 2025 hebben klagers in een e-mailbericht aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Ter waarborging van een ordentelijke en transparante dossiervorming verzoeken wij
u, met inachtneming van hetgeen bepaald is in de Gedragsregels 2 en 9 van de Nederlandse
Orde van Advocaten, om ons binnen 48 uur na heden schriftelijk te confirmeren:
1. De exacte datum waarop u door uw cliënt, [de heer AK] formeel bent geïnstrueerd
om hem in deze aangelegenheid juridisch te vertegenwoordigen;
Of uw opdracht tevens ziet op eventuele advisering dan wel optreden voorafgaand
aan uw correspondentie d.d. 1 mei 2025;
Of uw vertegenwoordigingsbevoegdheid is vastgelegd in een schriftelijke opdrachtbevestiging
of volmacht, en zo ja, of u daarvan een afschrift aan ons kunt verstrekken.
Zoals u bekend zal zijn, volgt uit voornoemde gedragsregels dat een advocaat desgevraagd
zijn bevoegdheid tot optreden jegens derden dient te kunnen aantonen. Dit verzoek
wordt derhalve gedaan in lijn met de geldende professionele standaard.
Wij zien uw bevestiging graag uiterlijk binnen 48 uur na heden per omgaande tegemoet.
Bij gebreke van tijdige reactie behouden wij ons alle rechten en weren nadrukkelijk
voor.”
2.13 In een e-mailbericht van 6 mei 2025 heeft verweerder gereageerd op de e-mails
van 2 en 5 mei 2025 van klagers met, voor zover relevant:
“(…) Uw verwijzing in uw mail van 5 mei 2025 naar Gedragsregels 9 en 2 kan ik ook
niet plaatsen. Ik heb duidelijk gemaakt dat ik advocaat ben, namens wie ik optreed
(hetgeen cliënte die ook was gekopieerd op mijn mail van 1 mei 2025 zo nodig kan bevestigen)
en mijn onafhankelijkheid staat niet ter discussie. Er is reeds daarom helemaal geen
grond of redelijk belang voor uw verzoek.
De bemiddeling waarnaar u verwijst (en ten aanzien waarvan u overigens zelf allerlei
inhoudelijke uitlatingen doet in uw reactie) is niet geslaagd. Vanwege de spoedeisendheid
in verband met het achterstallige onderhoud dat tot onveiligheid leidt, hebt u een
brief ontvangen waarin is verzocht tot het bijeenroepen van een BAV en bestuursvergadering.
In de brief staan ook de te behandelen onderwerpen tot in detail benoemd. (…)”
2.14 In een e-mailbericht van 7 mei 2025 hebben klagers aan verweerder geschreven,
voor zover relevant:
“Onder verwijzing naar onze e-mail van 5 mei jl. constateren wij dat uw reactie
per e-mail d.d. 6 mei (bijlage) niet kan worden aangemerkt als een afdoende beantwoording
van het daarin vervatte verzoek. Wij volstaan vooralsnog met deze formele rappel.
Voor zover u uit de door u aangehaalde onafhankelijkheid als advocaat – zoals geformuleerd
in uw schrijven van 6 mei jl. – afleidt dat u geen nadere toelichting behoeft te verschaffen
op grond van gedragsregels 2 en 9 van de NOvA, merken wij op dat gedragsregel 3 NOvA
geenszins afbreuk doet aan de informatieverplichtingen die jegens wederpartijen op
u rusten. Deze verplichtingen zijn autonoom en cumulatief van aard en dienen separaat
te worden nageleefd.
Met het oog op correcte dossieropbouw en zorgvuldige procesbewaking, verzoeken wij
u dan ook, in lijn met de geldende beroepsregels, om uiterlijk vrijdag 9 mei a.s.
om 17:00 uur te antwoorden op alle volgende punten:
1. De datum waarop u door uw cliënt, [de heer AK], bent verzocht hem in deze aangelegenheid
bij te staan;
2. De datum waarop feitelijk uitvoering is gegeven aan bedoelde opdracht;
3. De exacte aard en reikwijdte van uw opdracht (bijvoorbeeld: louter advisering,
schriftelijke vertegenwoordiging, of bredere mandatering);
4. Of aan u een schriftelijke opdrachtbevestiging dan wel machtiging is verstrekt;
zo ja, gelieve een afschrift daarvan over te leggen;
5. Of u voorafgaand aan uw schrijven van 1 mei jl. kennis had genomen van de bemiddelingsovereenkomst;
6. Of u op dat moment bekend was met de inhoud van de artikelen 2 en 7 daarvan,
waarin – voor zover ons bekend – bepalingen zijn opgenomen omtrent exclusiviteit van
communicatie en geheimhouding richting derden.
7. Of u voorafgaand aan de verzending van uw sommatiebrief d.d. 1 mei 2025 contact
heeft opgenomen met [mr. D] (in cc) – de door uw cliënt [de heer AK] op eigen initiatief
benaderde en vervolgens door alle partijen unaniem geaccepteerde mediator – en of
u hem vóór uw optreden uitdrukkelijk heeft geïnformeerd over uw voorgenomen betrokkenheid
bij dit dossier.
Wij verzoeken deze informatie uitsluitend met het oog op een juiste positionering
van uw optreden in de procesrechtelijke context. Deze verzoeken zien uitsluitend op
uw formele hoedanigheid als advocaat-gemachtigde in dit geschil, en vallen buiten
het bereik van de vertrouwelijkheid zoals beschermd onder gedragsregel 6 NOvA.
Wij gaan ervan uit dat u als advocaat volledig handelt binnen de kaders van uw beroepsverantwoordelijkheid.
Transparantie op deze punten zal eventuele misverstanden voorkomen.”
2.15 Op 10 mei 2025 hebben klagers een klacht tegen verweerder ingediend bij
de deken.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder dat hij:
a) zonder voorafgaande communicatie of overleg met de mediator een sommatiebrief
aan klagers heeft verzonden, in een geschil tussen aandeelhouders waarin partijen
een bemiddelingstraject met geheimhouding, exclusieve communicatieafspraken en een
exclusiviteitsbeding waren overeengekomen en daarmee handelen in strijd met mediationafspraken;
b) heeft nagelaten om zich als advocaat correct en volledig te positioneren in
een juridisch complexe context. Het niet kenbaar maken van hoedanigheid en optreden
en het niet verschaffen van duidelijkheid over de datum van de opdrachtverlening,
de feitelijke startdatum van de werkzaamheden, de aard en reikwijdte van de opdracht,
het al dan niet bestaan van een schriftelijke opdrachtbevestiging en de kennis van
een op dat moment nog lopende bemiddelingsovereenkomst.
4 BEOORDELING
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
4.2 In gedragsregel 9 staat dat een advocaat tegenover zijn cliënt en in zijn
contacten met derden ervoor zorg dient te dragen dat geen misverstand kan bestaan
over de hoedanigheid waarin hij in een gegeven situatie optreedt.
Klachtonderdelen a) en b)
4.3 De raad stelt vast dat klagers en verweerder in november 2024 een bemiddelings-overeenkomst
met elkaar hebben ondertekend. In artikel 3 van deze overeenkomst staat dat partijen
“met elkaar beogen het onderlinge geschil op te lossen aan de hand van enkele bemiddelingsgesprekken”.
Uit artikel 4 van de overeenkomst blijkt dat partijen mr. D bereid hadden gevonden
om als hun bemiddelaar op te treden. In artikel 5 staat verder dat partijen “niet
tot een oplossing in der minne gedwongen konden worden en dat zij over en weer op
voorhand afstand zouden doen van eventuele rechten uit hoofde van afgebroken onderhandelingen
voor het geval de bemiddeling niet zou slagen”.
4.4 De raad stelt verder vast dat de wederpartij van klagers, de heer AK, in
een e-mailbericht van 1 mei 2025 om 14:39 uur aan klagers heeft laten weten dat hij
de bemiddeling beëindigde. Hierna heeft verweerder dezelfde dag om 14:50 uur een sommatiebrief
aan klagers gestuurd. Daarbij heeft hij aan hen bericht dat hij vanaf dat moment de
belangen van de heer AK zou behartigen en klagers hun correspondentie om die reden
verder aan hem dienden te richten.
4.5 Dat er een tijdsverloop van slechts 11 minuten zat tussen eerst de opzegging
van de bemiddeling door de heer AK, en het hierna door verweerder zenden van de sommatiebrief
aan klagers, wekt (inderdaad) sterk de indruk dat de heer AK al eerder met verweerder
had gesproken. Dit kan zo zijn, maar dit maakt naar het oordeel van de raad niet dat
verweerder om die reden een tuchtrechtelijk verwijt kan worden gemaakt. De raad weegt
hierin mee dat in de bemiddelingsovereenkomst geen exclusiviteitsbeding staat opgenomen
en dat er voor verweerder ook overigens geen reden bestond waardoor het hem was verboden
om de heer AK als advocaat bij te staan. De door klagers in dit verband bij e-mailbericht
van 2 mei 2025 aangehaalde mediationovereenkomst (en de daarin opgenomen artikelen
2 en 7) is niet overgelegd en het bestaan van deze overeenkomst wordt door verweerder
met klem betwist, en klager 1 heeft ter zitting erkend dat deze er niet is, zodat
van een schending van deze overeenkomst in ieder geval geen sprake kan zijn. Zoals
verweerder daarnaast terecht heeft aangevoerd was op grond van de bemiddelingsovereenkomst
sprake van een vrijblijvende bemiddeling en stond het partijen vrij om deze op ieder
moment ook weer op te zeggen en desgewenst een advocaat in te schakelen. Verweerder
heeft hiernaar gehandeld en zijn werk als advocaat gedaan. Dit kan hem tuchtrechtelijk
niet worden verweten.
4.6 Klachtonderdeel a) is gelet op het voorgaande ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.7 Ten aanzien van klachtonderdeel b) heeft verweerder naar het oordeel van
de raad gemotiveerd aangevoerd dat hij in de eerste alinea van zijn brief van 1 mei
2025 direct duidelijk heeft gemaakt namens wie en in welke hoedanigheid hij optrad
en wiens belang hij diende. Ook heeft verweerder in de brief meteen duidelijk gemaakt
wat het doel hiervan was. De brief is daarnaast opgesteld op het briefpapier van het
kantoor van verweerder en door verweerder als advocaat ondertekend. Van het bestaan
van een misverstand over de hoedanigheid waarin verweerder optrad, en het daarmee
schenden van het bepaalde in gedragsregel 9, is dan ook geen sprake.
4.8 Voor wat betreft het verwijt dat verweerder de opdrachtbevestiging met zijn
cliënt niet aan klagers wilde verstrekken, overweegt de raad dat een advocaat niet
verplicht kan worden een verklaring af te leggen over wat tussen hem en zijn cliënt
is gewisseld aan informatie. Dit valt onder de geheimhoudingsplicht die op een advocaat
rust en verweerder kon en mocht deze informatie daarom niet aan klagers verstrekken.
4.9 Klachtonderdeel b) is gelet op het voorgaande eveneens ongegrond.
Overweging ten overvloede
4.10 Bij dit alles merkt de raad nog op dat de stukken waarop klagers zich baseren
door klagers zelf, met behulp van AI, lijken te zijn opgesteld, nu er wordt verwezen
naar een niet bestaande overeenkomst en een rapport dat zou zijn opgesteld door een
niet bestaande functionaris. Dat doet afbreuk aan de geloofwaardigheid van de overige
stellingen van klagers.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klachtonderdelen a) en b) ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, mrs. J.C. Ellerman en P.J. Mijnssen, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 30 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 30 maart 2026