ECLI:NL:TADRAMS:2026:63 Raad van Discipline Amsterdam 25-767/A/A 25-769/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:63 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-03-2026 |
| Datum publicatie: | 03-04-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; over en weer ingediende klachten met betrekking tot handelen van verweerders als oud-collega's in een geschil over beëindigingsafspraken en de financiële afwikkeling van een aansluitingsovereenkomst. Het gaat om een geschil van civielrechtelijke aard dat zo nodig ter beoordeling aan de civiele rechter dient te worden voorgelegd. De tuchtrechter gaat niet over dergelijke geschillen, tenzij kan worden vastgesteld dat verweerders met hun handelen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad. Daarvan is de raad niet gebleken. De klachten zijn ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 maart 2026
in de zaken 25-767/A/A en 25-769/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
25-767/A/A
klagers
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius
over
verweerder
25-769/A/A
klagers
over
verweerder
gemachtigde: mr. T.J. Roest Crollius
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
25-767/A/A
1.1 Op 22 november 2024 hebben de klagers (uit Eindhoven) bij de deken van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend
over verweerder (uit Amsterdam).
1.2 Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2390434/JS/AP
van de deken ontvangen.
25-769/A/A
1.3 Op 24 december 2024 hebben de klagers (uit Amsterdam) bij de deken van de
Orde van Advocaten in het arrondissement Oost-Brabant een klacht ingediend over verweerder
(uit Eindhoven).
1.4 Op verzoek van de deken in Oost-Brabant heeft de voorzitter van het Hof van
Discipline bij beslissing van 18 september 2025 de klacht voor verdere behandeling
verwezen naar de Raad van Discipline Amsterdam in verband met de verwevenheid van
voornoemde klachten.
1.5 Op 6 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2436117/JS/AP
van de deken ontvangen.
25-767/A/A en 25-769/A/A
1.6 De klachten zijn behandeld op de zitting van de raad van 9 februari 2026.
Daarbij waren aanwezig:
- in de zaak 25-767/A/A klagers 1 tot en met 4, mede namens klaagster 5 (het
kantoor), bijgestaan door hun gemachtigde, en verweerder (uit Amsterdam).
- in de zaak 25:769/A/A: klager 1, mede namens klaagster 2 (de praktijkvennootschap),
en verweerder (uit Eindhoven), bijgestaan door zijn gemachtigde.
1.7 Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.8 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.2 en 1.5 genoemde klachtdossiers
en van de op de inventarislijsten genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klachten gaat de raad, gelet op de klachtdossiers
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
25-767/A/A en 25-769/A/A
2.2 De procedure met kenmerk 25-767/A/A betreft een klacht van vier advocaten
uit Eindhoven (waaronder verweerder in de procedure 25-769/A/A) en hun kantoor (HL)
over verweerder (uit Amsterdam) die een voormalig kantoorgenoot is. HL heeft tevens
een kantoor in Amsterdam.
2.3 De procedure met kenmerk 25-769/A/A betreft een klacht van een advocaat (tevens
verweerder in de procedure 25-767/A/A) en zijn praktijkvennootschap ZH (ZH) uit Amsterdam
over verweerder (uit Eindhoven).
2.4 Voor de leesbaarheid van de beslissing wordt verweerder in de procedure 25-767/A/A
hierna (ook) aangeduid als mr. F en verweerder in de procedure 25-769/A/A (ook) als
mr. V.
2.5 Mr. F was in dienst bij V advocaten te Amsterdam samen met klagers 3 en 4
in de procedure 25-767/A/A. Mr. F heeft op 19 december 2022 via zijn praktijkvennootschap
ZH een aansluitingsovereenkomst gesloten van 1 maart 2023 tot 1 maart 2024 bij HL.
2.6 In artikel 3 van de aansluitingsovereenkomst tussen HL en mr. F is het volgende
opgenomen over de overeengekomen vergoeding:
“1. [HL] zal de door [mr. F] verrichte werkzaamheden (excl. BTW) aan de cliënt declareren
en betalingen in verband daarmee collecteren.
2. [ZH] is gerechtigd tot een jaarlijkse vergoeding van EUR 200.000 (zegge: tweehonderdduizend
Euro).”
(…)
3. Daarnaast zullen Partijen de (door HL te collecteren) omzet per kalenderjaar
in verband met de door [verweerder Amsterdam] verrichte werkzaamheden vanaf EUR 200.000
(zegge: tweehonderdduizend Euro) (het “Surplus”) 80%-20% (zegge: tachtig-twintig procent
verdelen (in het voordeel van [ZH]), met dien verstande dat de aan [HL] toekomende
20% (zegge: twintig procent) gemaximeerd zal zijn op EUR 40.000 (zegge: veertigduizend
Euro) per kalenderjaar. Dat betekent dat het Surplus vanaf EUR 400.000 (zegge: vierhonderdduizend
Euro) per kalenderjaar voor 100% (zegge: honderd procent) toekomt aan [ZH].”
2.7 Op 27 december 2022 heeft mr. F zijn arbeidsovereenkomst met V advocaten
opgezegd. Klagers 3 en 4 zijn per 1 maart 2023 op basis van een arbeidsovereenkomst
bij HL in dienst getreden. Met de komst van mr. F en klagers 3 en 4 heeft HL een vestiging
in Amsterdam geopend.
2.8 Op 29 november 2023 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen mr. F en HL.
Mr. F heeft in dat gesprek laten weten dat hij zijn overeenkomst met HL niet wilde
verlengen en per 1 januari 2024 wilde vertrekken. Ook HL wilde de aansluitingsovereenkomst
niet voortzetten. Partijen hebben vervolgens onderhandeld over de voorwaarden van
een mogelijk eerder vertrek.
2.9 Op 29 november 2023 heeft HL aan mr. F een voorstel voor het beëindigen van
de samenwerking gedaan met ingang van 1 januari 2024. Partijen hebben hierover veelvuldig
gecorrespondeerd en hun standpunten uitgewisseld maar zijn hierover niet tot overeenstemming
gekomen. In januari 2024 moest er conform de aansluitingsovereenkomst (zie randnummer
2.5) een financiële afwikkeling plaatsvinden met mr. F van de omzet over 2023.
2.10 Met ingang van 31 december 2023 had mr. F persoonlijk een bedrag van € 628.960,05
exclusief kantoorkosten en btw gefactureerd. HL heeft de factuur van ZH van 23 januari
2024 volgens de regeling - artikel 3 van de aansluitingsovereenkomst - volledig betaald.
2.11 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) wilden, gelet op de afspraken over
de afrekening en de tussen partijen ontstane situatie, nagaan of de declaraties van
mr. F wel correct waren. In dat kader hebben zij in een drietal dossiers geconstateerd
dat de door mr. F gefactureerde uren voor onderling telefonisch overleg (tussen mr.
F en collega’s van kantoor) en telefonisch overleg met derden (waarbij collega’s van
kantoor aanwezig waren), significant hoger waren dan de bestede tijd die uit de telefoonrekeningen
van de betrokken collega’s bleek. Het gaat om in totaal 60 uur aan gefactureerde tijdsregels.
2.12 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) van het kantoor in Eindhoven wilden
met één cliënt, T, in overleg treden over deze discrepanties, maar daarvan had T aangegeven
een overleg niet op prijs te stellen en laten weten dat ook als de gedeclareerde tijd
niet zou kloppen, geen terugbetaling werd verlangd (zie verder hierna). Een andere
cliënt, B, had zich wel beklaagd over de discrepanties in de declaraties en HL heeft
B daarop een compensatieregeling aangeboden.
2.13 Klagers (in de procedure 25-767/A/A) hebben mr. F bij e-mails vanaf 10 januari
2024 meerdere malen verzocht om opheldering te geven over de discrepanties in de facturen
en hem verzocht zijn uren te verantwoorden. Mr. V schrijft mr. F over het dossier
T het volgende:
“Zoals aangekondigd zijn we de declaraties gaan bekijken in de dossiers waar jij
verantwoordelijk voor bent. We zijn begonnen met [T].
Jij hebt altijd heel duidelijk gezegd en benadrukt dat jij héél secuur bent in het
schrijven van jouw tijd. Wij nemen die toezegging dan ook als uitgangspunt. Een eerste
beoordeling van de declaraties in voornoemd dossier levert voor ons op dat je dan
misschien wel secuur bent op het schrijven van je eigen tijd, maar dat ben je niet
wat de tijd van [klagers 3 en 4] aangaat. Die heb je namelijk niet gecontroleerd.
Dat kunnen we namelijk alleen al vaststellen op basis van een vergelijking tussen
(i) de tijd die jij hebt geschreven in overleg met [klagers 3 en/of 4] en (ii) wat
[klagers 3 en/of 4] in verband met dat overleg hebben geschreven.
Het gaat daarbij niet om marginale verschillen. In bijgevoegd pdf-bestand kun je
zien dat onze eerste beoordeling al heeft opgeleverd dat er ruim 56,4 uur te weinig
is gedeclareerd. Dat zijn de uren die jij wel en [klagers 3 en/of 4] niet hebben geschreven
en gedeclareerd in verband met jullie onderling overleg in het dossier [T].
Het is onaanvaardbaar dat je vóórafgaand aan het uitsturen van de declaraties niet
bent nagegaan of [klagers 3 en 4] alle tijd volledig en correct hadden geschreven
en, nu dat niet zo was, dat ook niet hebt gecorrigeerd. Aangezien jij als enige dossierverantwoordelijke
bent, viel dat namelijk wel van jou te verwachten. Jij bent immers degene die [naam]
heeft gevraagd om deze declaraties te maken, jij bent degene die de declaraties vervolgens
beoordeelt (althans, dat behoor je in ieder geval te doen; ook op grond van de Gedragsregels)
en jij bent ook degene die ze vervolgens uitstuurt aan (in dit geval) [T] met het
verzoek om de declaraties te betalen.
Als gevolg van deze nalatigheid lijdt [HL] schade. Die schade bestaat uit de omzet
die [HL] misloopt als gevolg van de uren die [klagers 3 en 4] ten onrechte niet hebben
geschreven (wat jij, als gezegd, had behoren te voorkomen). Dat gaat om € 15.673,50
exclusief btw.
Wij stellen je in staat om deze schade te herstellen door deze € 15.673,50 exclusief
btw alsnog te declareren aan [T]. We geven je daarvoor tot 19 januari 2024, 17.00
uur, de tijd. Voor zover je wil zeggen dat dit niet haalbaar is omdat [klager 3] met
vakantie is, willen we benadrukken dat dat niet het geval is. Wij kunnen in overleg
met [klager 3] de nog niet geschreven en gedeclareerde tijd namens hem in het systeem
opvoeren. Herstel je de schade niet tijdig, dan zullen we ons beraden over vervolgstappen.
We hopen dat het niet zover hoeft te komen. We [hebben] overigens daarnaast geconstateerd
dat je tijdsregels dubbel hebt geschreven. We doen daar nog nader onderzoek naar en
komen daar bij je op terug zodra dat kan.”
2.14 Mr. F heeft in antwoord hierop bij e-mail van 11 januari 2024 zijn kant
van het verhaal uitgelegd en aan de hand van een uitgebreid memorandum laten weten
dat (en waarom) hij niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor de door (klagers
3 en 4) verantwoorde tijd. Iedere advocaat heeft namelijk een eigen verantwoordelijkheid
in verband met de door hem of haar verantwoorde tijd. De wijze waarop de advocaat
zijn of haar praktijk uitoefent en de rol die hij of zij binnen een kantoor vervult,
brengen daarin geen verandering. Voor zover de door klagers 3 en 4 ingevoerde tijd
vooraf moest worden gecontroleerd, lag dat op de weg van mr. V, aldus mr. F. Hij betwist
dan ook de inhoud van de e-mail van 10 januari 2024 en dat sprake is van een tekortkoming
van zijn kant. Hij zag geen aanleiding om op welke manier enige schade te herstellen.
2.15 Mr. V heeft op 15 januari 2024 als volgt gereageerd:
“(…)
Het is van tweeën één:
1. Jij hebt (substantieel) meer tijd geschreven dan er is gewerkt;
2. [Klagers 3 en 4] hebben (substantieel) minder tijd geschreven dan er is gewerkt.
We willen uiterlijk morgen vóór 15.00 uur van jou horen wat het is: 1 of 2. Horen
we niets, dan gaan wij ervan uit dat het onder 2. Genoemde van toepassing is. Wij
treden dan zelf wel in overleg met de cliënt over deze tijd (waarbij we volledig transparant
zullen zijn), nu jij dat niet wil doen om schade die [HL] lijdt weg te nemen. We beraden
ons nog op wat dit vanuit [HL] richting jou betekent. We vervolgen overigens met de
analyse van de overige dossiers.”
2.16 Mr. F heeft over de ontstane kwestie advies ingewonnen bij emeritus prof.
W (die bijzonder hoogleraar Advocatuur is geweest). In haar advies van 19 januari
2024 kwam zij tot de conclusie dat mr. F “niet geacht kan worden jegens [HL] verantwoordelijk
te zijn (geweest) voor de (controle van de) juiste tijdsregistratie door [zijn] kantoorgenoten.
Noch gedragsrechtelijk, noch verbintenisrechtelijk.” Mr. F heeft dit advies op 19
januari 2024 aan mr. V gestuurd.
2.17 Op 26 januari 2024 heeft de cliënt (de heer G) in het dossier T aan mr.
F geschreven:
“Het voorgaande betekent dat wij geen redenen zien om ons op basis van een analyse
van [HL], zover die erop neerkomt dat jij te veel tijd hebt geschreven, te beklagen
over de hoogte van de declaraties. Omgekeerd zien we ook geen redenen om op basis
van een analyse van [HL], voor zover die [erop] neerkomt dat [klagers 3 en 4] te weinig
tijd hebben geschreven, alsnog te betalen voor dat eventuele tekort aan geschreven
uren. ”
2.18 Mr. F heeft deze e-mail op 31 januari 2024 aan mr. V doorgestuurd, die daarop
reageert dat mr. F hen geen andere keuze laat dan verdere stappen te ondernemen.
2.19 Op 2 februari 2024 heeft mr. V vervolgens een e-mail aan de heer G gestuurd
zonder mr. F in kopie, als reactie op zijn e-mail van 26 januari 2024 (r.o. 2.16):
“[Mr. F] presenteerde gisteren de email van de heer [G] van vrijdag 26 januari 2024
in de vorm zoals aangehecht. Ik vind het spijtig dat ik u met het onderstaande moet
belasten.
Wij hebben kennis genomen van de inhoud van deze email en specifiek van het feit
dat de heer [G], namens [T], haar aandeelhouders en de achterliggende familie, de
door [mr. F] geschreven en gedeclareerde tijd niet richting [HL] ter discussie wenst
te stellen.
Helaas heeft [mr. F] ons niet in staat gesteld om de significante discrepanties
in de gedeclareerde tijd uit te klaren – ondanks het feit dat wij dit gedurende de
afgelopen periode herhaaldelijk hebben gevraagd.
U zult begrijpen dat in ieder geval [HL] er belang bij heeft om de kwestie volledig
helder te krijgen en wij zien ons dan ook genoodzaakt om dit voor te leggen aan de
bevoegde instanties.
Indien u daar prijs op stelt zijn wij zeer graag beschikbaar om met u het een en
ander te bespreken.
Aangezien wij hechten aan volledige transparantie adresseer ik dit schrijven aan
alle stakeholders.”
2.20 De heer G heeft bij e-mail van 5 februari 2024 aan mr. V geantwoord dat
hij het erbij wil laten. Mr. F is in de e-mail in cc opgenomen. Mr. V heeft geantwoord
dat hij het vervelend vindt een cliënt hiermee te belasten, maar hij het hier niet
bij kan laten zitten.
2.21 Mr. F heeft bij de deken Oost-Brabant diverse signalen over mr. V afgegeven.
De eerste melding van 26 februari 2024 luidt voor zover relevant:
“De hierboven gereleveerde gang van zaken wettigt geen andere slotsom dan dat [Mr
V] heeft gehandeld in strijd met de wettelijke betamelijkheidsnorm van artikel 46
van de Advocatenwet en aldus heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 1. Voorts
heeft [mr V] gehandeld in strijd met gedragsregel 7 door zich op ongepaste (en ongefundeerde)
wijze over mij uit te laten, ook tegenover mijn cliënt. En door de verhoudingen met
mij, mijn cliënt en mijn kantoorgenoten onnodig op scherp te zetten en ieder gesprek
uit de weg te gaan, heeft [mr V] bovendien gehandeld in strijd met gedragsregel 24
(onderlinge verhouding die berust op welwillendheid en vertrouwen).”
2.22 Klagers van het kantoor in Eindhoven (25-767/A/A) hebben naar aanleiding
van dit signaal, de ontstane situatie in een gesprek met de deken Oost-Brabant op
15 maart 2024 besproken. Met ingang van 1 maart 2024 is de samenwerking tussen HL
en mr. F door tijdsverloop van rechtswege geëindigd en op 1 maart 2024 is mr. F zijn
eigen kantoor begonnen.
2.23 Op 13 april 2024 heeft mr. F een persoonlijke brief gestuurd aan de bestuurder
B, en cliënt van HL. Hierin schrijft hij het volgende:
‘Sinds mijn vertrek bij [HL] op 1 maart jl. ben ik ervan uitgegaan dat ik geen werkzaamheden
meer voor je zal verrichten. Deze brief schrijf ik dan ook op persoonlijke titel en
dus niet als advocaat. Hoewel ik altijd met plezier voor je heb gewerkt, beoog ik
met deze brief nadrukkelijk niet om naar werk te solliciteren. Wel hoop ik langs deze
weg contact met je te krijgen om te begrijpen waarom je onze communicatie plotseling
lijkt te hebben verbroken. Als gezegd, vind ik dat ontzettend jammer, juist vanwege
de persoonlijke band die we met elkaar hebben opgebouwd. Ik hoop van harte dat je
naar aanleiding van deze brief iets van je zou willen laten horen.’
2.24 Op 21 mei 2024 en 11 november 2024 heeft mr. F bij de deken Oost-Brabant
opnieuw signalen over mr. V gegeven. In het laatste signaal betwist mr. F het wekken
van de suggestie dat hij een andere versie van een memorandum van prof. W zou hebben
gedeeld met (de gemachtigde van) mr. V. Mr. F beschouwt de suggestie als het verspreiden
van lasterlijke informatie over zijn persoon.
2.25 Op 22 november 2024 hebben klagers in de procedure 25-767/A/A bij de deken
Amsterdam een klacht over mr. F ingediend. Op 24 december 2024 heeft mr. F (mede namens
ZH) in de procedure 25-769/A/A een klacht over mr. V ingediend bij de deken Oost-Brabant.
3 KLACHTEN
25-767/A/A
3.1 De klacht inzake 25-767/A/A houdt, zakelijk weergegeven, in dat mr. F tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
mr. F het volgende:
a) géén rekening en verantwoording af te leggen over de door klagers geconstateerde
discrepanties in declaraties. Dit betreft de discrepanties die klagers op basis van
een vergelijking van specificaties van de telefoonrekeningen van klagers 3 en 4 hebben
geconstateerd. Vooralsnog gaat het om 60 declarabele uren.
b) niet redelijk en accuraat de tijdsverantwoording en declaraties uit te voeren.
Twee cliënten van HL hebben geklaagd over de kosten in verhouding tot het door mr.
F verrichte werk.
c) in februari 2023 buiten medeweten van zijn voormalig kantoor (waar hij toen
nog in dienst was) via HL aan cliënten te declareren.
d) schending van gedragsregel 28 doordat mr. F op 13 april 2024 - na zijn vertrek
bij HL op 1 maart 2024 - rechtstreeks aan de bestuurder van B een persoonlijke brief
heeft gestuurd, gericht aan het huisadres.
25-769/A/A
3.2 De klacht inzake 25-769/A/A houdt, zakelijk weergegeven, in dat mr. V tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
mr. V het volgende:
a) mr. V heeft klager 1 onder druk gezet om (zonder rechtsgrond) over het jaar
2023 extra declaraties naar een cliënt (T) te sturen, terwijl mr. V een eigen eindverantwoordelijkheid
had voor de urenverantwoording van zijn werknemers en bij klager 1 een controleplicht
ontbrak. Ook had mr. V geen inhoudelijke kennis van het dossier van de betreffende
cliënt en heeft mr. V enige vorm van overleg met klager 1 dan wel met de twee betrokken
medewerkers geweigerd. Dit handelen van mr. V heeft de verhoudingen tussen hem en
klager 1 en ook de verhouding tussen klager 1 en de cliënt (T) en bovendien de verhouding
tussen klager 1 en zijn kantoorgenoten bij HL onnodig op scherp gezet;
b) mr. V heeft zich in een e-mail van 2 februari 2024 (r.o. 2.18) onnodig grievend
over klager 1 uitgelaten. Mr. V heeft klager 1 gepoogd zwart te maken bij een cliënt
(de heer G) door, buiten klager 1 om, te insinueren dat klager 1 onbetrouwbaar zou
zijn. De e-mail van 2 februari 2024 is ook aan de aandeelhouders gestuurd.
4 VERWEER
4.1 Verweerders in beide zaken heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad
zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
5.1 Ook wanneer een advocaat optreedt in een andere hoedanigheid dan die van
advocaat, blijft het advocatentuchtrecht op hem van toepassing, maar in een dergelijk
geval toetst de tuchtrechter slechts aan de beperkte maatstaf of de advocaat zich
in die andere hoedanigheid zodanig heeft gedragen dat daardoor het vertrouwen in de
advocatuur wordt geschaad. Als dat het geval is zal in het algemeen sprake zijn van
een handelen of nalaten in strijd met hetgeen een behoorlijk advocaat betaamt.
5.2 De raad stelt vast dat het in de onderhavige, over en weer ingediende klachten
niet gaat om het optreden van verweerders (mrs. F en V) in hun hoedanigheid van advocaat,
maar om hun handelen in hoedanigheid van oud-collega’s met betrekking tot een geschil
over beëindigingsafspraken en de financiële afwikkeling van de aansluitingsovereenkomst.
Het gaat daarbij om een geschil van civielrechtelijke aard dat zo nodig ter beoordeling
aan de civiele rechter dient te worden voorgelegd. De tuchtrechter gaat niet over
dergelijke geschillen, tenzij kan worden vastgesteld dat verweerders in hun onderlinge
geschil met hun handelen het vertrouwen in de advocatuur hebben geschaad.
procedure 25-767/A/A
5.3 Klagers hebben gesteld dat mr. F niet integer zou hebben gedeclareerd en
hem in dat verband verweten dat hij zijn tijdsverantwoording niet redelijk en accuraat
zou hebben uitgevoerd. Tevens zou hij geen verantwoording hebben afgelegd over de
door klagers geconstateerde discrepanties tussen zijn declaraties en die van klagers
3 en 4 (klachtonderdelen a) en b)). De raad volgt klagers niet in dit standpunt en
overweegt dat verweerder uitgebreid gemotiveerd heeft toegelicht wat de mogelijke
achtergrond van deze verschillen kan zijn geweest, bijvoorbeeld het gebruik van andere
omschrijvingen dan klagers 3 en 4 voor de met de werkzaamheden gemoeide tijd. De raad
kan niet vast stellen dat verweerder met zijn declaratiewijze het vertrouwen in de
advocatuur heeft geschaad. Klachtonderdelen a) en b) zijn daarmee ongegrond. Ook in
de verwijten in klachtonderdelen c) en d) ziet de raad geen grond voor het oordeel
dat verweerder het vertrouwen in de advocatuur zou hebben geschaad. Dat mr. F met
zijn brief van 13 april 2024 gedragsregel 28 (overnemen van cliënten) zou hebben geschonden,
volgt op geen enkele wijze uit de inhoud van deze brief. Mr. F heeft die brief op
persoonlijke titel geschreven en benadrukt daarin dat hij niet naar werk aan het solliciteren
is (zie r.o. 2.23). Klachtonderdelen c) en d) zijn daarmee eveneens ongegrond.
procedure 25-769/A/A
5.4 De raad is van oordeel dat de verwijten in de klachtonderlenen a) en b) zo
nauw samen hangen met het onderliggende geschil over de afwikkeling van de samenwerking,
dat hierin geen taak voor de tuchtrechter is weggelegd. Wellicht heeft mr. V met zijn
handelen in het onderliggende geschil de verhoudingen nog meer op scherp gezet en
wellicht was het beter geweest als hij zijn e-mail van 2 februari 2024 niet naar de
cliënt (de heer G) had gestuurd, maar de raad ziet hierin - gegeven het criterium
weergegeven onder r.o. 5.1 en 5.2 - geen handelingen die de conclusie rechtvaardigen
dat mr. V het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. De klachtonderdelen a) en
b) zijn dan ook ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht in de procedure 25-767/A/A ongegrond;
- verklaart de klacht in de procedure 25-769/A/A ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. L.C. Dufour en R. Vos, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 maart 2026