ECLI:NL:TADRAMS:2026:6 Raad van Discipline Amsterdam 25-809/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:6 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-809/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de eigen advocaat in alle onderdelen kennelijk ongegrond. Het declareren van een te hoog uurtarief levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. Verweerder heeft dit na ontdekking direct gecorrigeerd. Ook was verweerder niet verplicht om een eindafrekening op te stellen. Wel is verweerder, zoals elke advocaat, gehouden zorgvuldig te handelen in financiële aangelegenheden en zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd te declareren. Uit de onderliggende stukken volgt dat klager alle declaraties met specificaties heeft ontvangen en klager deze ook heeft voldaan. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026
in de zaak 25-809/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 20 november 2025 met kenmerk 2477801/EvR/MvV, door de raad ontvangen op 20 november 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.1. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 17 december 2025 door klager nagezonden stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klager, althans zijn (aanvankelijk nog minderjarige) dochter, wordt al sinds 2015 bijgestaan door het kantoor van verweerder. Hiervoor is op 13 juli 2015 een opdrachtbevestiging gestuurd. Klager en zijn dochter zijn eerst door mr. H bijgestaan, daarna vanaf 2019 door mr. L en vervolgens door verweerder.
1.2 Op 26 april 2024 heeft de advocaat van één van de wederpartijen van klager (hierna: mr. D) verweerder per e-mail een berekening gestuurd van hetgeen haar cliënte naar aanleiding van een arrest van het gerechtshof Amsterdam nog aan klager zou moeten betalen. Dit betrof volgens mr. D een bedrag van € 7.605,23.
1.3 Diezelfde datum heeft verweerder de berekening van mr. D aan klager doorgestuurd en hem daarbij het volgende meegedeeld:
“Zie onderstaande berekening van de raadsvrouw. Volgens mij is die correct.
Zij gaat op vakantie dus als u met een enkel woord uw akkoord geeft dan laat ik haar dat nog weten en kan zij nog voor haar vakantie betalen. Mag ik van u vernemen?”
1.4 Klager heeft verweerder hierop laten weten dat er een fout in de berekening zat. Verweerder heeft mr. D op zijn beurt op die fout gewezen, waarna mr. D de berekening heeft aangepast. Het totaal aan klager te betalen bedrag kwam nu uit op een bedrag van € 9.607,73.
1.5 Bij e-mail van 7 mei 2024 heeft de dochter van klager de assistente van verweerder het volgende bericht gestuurd, voor zover relevant:
“2) uw declaratiebedrag € 926,74 is niet correct (voor uurtarief zie onze overeenkomst)
(…)
4) Ik verzoek u om een overzicht met alle betalingen van mijn vader en overige transacties naar ons te sturen. Wij willen deze langdurige procedure op correcte wijze afsluiten. Dat kunt u met mijn vader afronden.”
1.6 Bij e-mail van 8 mei 2024 heeft de assistente als volgt gereageerd:
“Dank voor jullie bericht; ik zal intern het één en ander nagaan met onze administratieve afdeling en kom daarna bij jullie terug met een inhoudelijke terugkoppeling. Tot die tijd vraag ik eerbiedig jullie geduld.”
1.7 Bij e-mail van 27 november 2024 heeft de dochter van klager de assistente opnieuw een e-mail gestuurd en bij e-mail van 24 december 2024 heeft de dochter van klager verweerder het volgende bericht gestuurd:
“Ik hoop dat wij gezamenlijk deze langdurige procedure correct kunnen afsluiten. Uw administratie reageert niet op mijn herhaalde verzoeken, zie onderliggende e-mails. Mijn vader is zeer positief over jullie contacten en denkt dat u dit met uw personeel zult regelen.”
1.8 Bij e-mail van 13 januari 2025 heeft verweerder aan de dochter van klager het volgende meegedeeld:
“Hartelijk dank voor uw e-mails van 27 november 2024 en 24 december 2024.
Het heeft mij even wat tijd gekost om één en ander na te gaan omdat uw zaak jarenlang heeft geduurd en door verschillende kantoorgenoten is behandeld. Voor de goede orde merk ik op dat [het kantoor van verweerder] een samenwerkingsverband is van verschillende advocaten die al dan niet via een praktijk vennootschap deelnemen aan dat samenwerkingsverband.
Gelet op het feit dat uw zaak al sinds 2015 heeft gelopen, hebben er in uw zaak verschillende advocaten gewerkt.
Uw ouders hebben tijdens uw minderjarigheid mijn kantoorgenoten geïnstrueerd. Uw ouders hebben daarvoor altijd rekeningen met specificaties ontvangen die zijn behouden en voldaan. Als ik goed ben geïnformeerd, is het grootste gedeelte van de kosten voldaan door de rechtsbijstandsverzekeraar. Voor zo ver uw ouders zelf zaken hebben voldaan die niet werden gedekt door de verzekering is daar altijd overeenstemming over geweest. Dat betreft dan een relatie tussen uw ouders en mijn kantoorgenoten. Het staat mij niet vrij u daarvan te voorzien van informatie - nog daargelaten dat uw ouders al die informatie zelf hebben. Er is vanzelfsprekend gewerkt voor de betaalde bedragen. Er is dus ook geen sprake van een ‘overgebleven bedrag’.
Alles is dus in bezit van uw ouders. Een eindafrekening wordt verder niet gemaakt in dit soort zaken. Er is geen grond voor enige terugbetaling.”
1.9 Op 4 februari 2025 heeft klager een klacht ingediend bij het kantoor van verweerder, omdat hij van mening was dat er geld aan hem terugbetaald moest worden.
1.10 Bij brief van 25 maart 2025 heeft de klachtenfunctionaris van het kantoor van verweerder (hierna: de klachtenfunctionaris), inhoudelijk op de klacht van klager gereageerd en deze volledig ongegrond bevonden.
1.11 Op 11 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.12 Op 2 april 2025 heeft verweerder aan klager een overzicht gestuurd van de totaal betaalde bedragen per dossier, voor zover die binnen zijn praktijkvennootschap vielen.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder heeft geprobeerd om een te hoog uurtarief in rekening te brengen;
b) verweerder heeft onzorgvuldig gehandeld inzake het verrekenen van het bedrag dat de wederpartij moest betalen na het arrest van het gerechtshof Amsterdam;
c) verweerder weigert een eindafrekening te maken;
d) verweerder heeft het dossier van de dochter van klager niet op orde gebracht.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.2 Klager verwijt verweerder in dit klachtonderdeel dat zijn kantoor op 7 mei 2024 heeft gerekend met verkeerde uurtarieven. Klagers dochter had hier bij e-mail van 7 mei 2024 op gewezen, waarna de declaratie is aangepast en deze door klager is betaald. De klachtenfunctionaris heeft de fout ook erkend.
4.3 Uit het klachtdossier en verweerders toelichting blijkt dat sprake was van een administratieve systeemfout als gevolg waarvan op 7 mei 2024 inderdaad een te hoog uurtarief in rekening is gebracht. Het kantoor van verweerder heeft dit erkend en de foutieve declaratie gecorrigeerd door middel van een creditnota. Vervolgens is aan klager een nieuwe correcte declaratie gestuurd, waar klager akkoord op heeft gegeven en die door klager is voldaan. Het is de voorzitter niet gebleken dat er opzet of misleiding in het spel was en verweerder heeft de situatie voortvarend opgelost. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel a) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel b)
4.4 Volgens klager heeft verweerder onzorgvuldig gehandeld inzake het verrekenen van het bedrag dat de wederpartij moest betalen na het arrest van het gerechtshof Amsterdam. Op 26 april 2024 stuurde de advocaat van de wederpartij, mr. D, verweerder een overzicht van wat naar aanleiding van dat arrest nog aan klager moest worden betaald. Verweerder had deze berekening aan klager doorgestuurd met de opmerking dat deze volgens hem correct was. Er zat echter een fout in de berekening. Klager heeft deze fout ontdekt en verweerder hierop gewezen. Vervolgens heeft verweerder mr. D telefonisch gewezen op de fout in haar berekening, waarna zij de berekening had aangepast. Door de slechte overdracht van de zaak van mr. L aan verweerder had klager bijna € 2.000,- aan schade geleden.
4.5 Ook dit klachtonderdeel slaagt niet. Uit de door klager overgelegde correspondentie van 26 april 2024 blijkt dat verweerder na ontvangst van de berekening van de wederpartij (mr. D), deze ter goedkeuring heeft voorgelegd aan klager. Nadat klager de fout had ontdekt, heeft verweerder de berekeningsfout direct besproken met mr. D, waarna een correctie heeft plaatsgevonden. De voorzitter is van oordeel dat verweerder hiermee zorgvuldig en voortvarend gehandeld en dat verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt valt te maken. Klachtonderdeel b) is gelet hierop eveneens kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel c)
4.6 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij weigert een eindafrekening op te maken. Klager stelt dat hij alle rekeningen steeds tijdig heeft betaald en dat hij één of twee keer ook borg of een voorschot heeft betaald. Er zijn betalingen via de rechtsbijstandsverzekeraar gedaan en bedragen uit procedures aan klager terugbetaald. Een totaaloverzicht van de kosten en teruggestorte bedragen, en hoe en wanneer deze door wie zijn betaald, heeft klager echter niet ontvangen. De dochter van klager heeft verweerder bij e-mails van 7 mei, 27 november en 24 december 2024 verzocht om een eindafrekening te maken. Verweerder weigerde echter tot indiening van zijn klacht een complete eindafrekening te verstrekken. Volgens klagers eigen berekeningen heeft verweerders kantoor een bedrag van € 8.7771,12 te veel ontvangen.
4.7 Verweerder heeft toegelicht dat zijn kantoor niet werkt met borgen, maar met voorschotten, die elke maand verrekend worden met de daarna verrichte werkzaamheden. Alle door de jaren heen gestuurde declaraties zijn voldaan. Daarbij is een slotdeclaratie opgesteld, die klager heeft goedgekeurd. Hoewel verweerder daartoe niet verplicht was, heeft hij klager op 2 april 2025 alsnog voorzien van een overzicht van de totaal betaalde bedragen per dossier, voor zover die binnen zijn praktijkvennootschap vielen. Volgens verweerder is de berekening die klager heeft gemaakt en op grond waarvan klager van mening is dat verweerders kantoor een bedrag van € 8.771,12 te veel heeft ontvangen onjuist. Klager betrekt in zijn berekeningen ten onrechte ook betalingen van mr. H, terwijl zij niet onder verweerders praktijk viel. Dat blijkt ook aan de opdrachtbevestiging die op 13 juli 2015 aan klager is gestuurd. Verweerder is van mening dat hij niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.8 De voorzitter volgt verweerder in dit standpunt en overweegt dat er op verweerder geen verplichting rust om een eindafrekening op te maken. Wel is verweerder, zoals elke advocaat, gehouden zorgvuldig te handelen in financiële aangelegenheden en zijn honorarium in beginsel periodiek en deugdelijk gespecificeerd te declareren. Uit de onderliggende stukken volgt dat klager alle declaraties met specificaties heeft ontvangen en klager deze ook heeft voldaan. De weigering een eindafrekening op te maken levert geen tuchtrechtelijk verwijt op. In dat verband merkt de voorzitter nog op dat verweerder tijdens het onderzoek naar de klacht door de deken alsnog een totaaloverzicht heeft gestuurd van de totaal betaalde bedragen en onderbouwd heeft weerlegd dat zijn kantoor te veel geld heeft ontvangen. Klachtonderdeel c) is kennelijk ongegrond.
Klachtonderdeel d)
4.9 In dit klachtonderdeel verwijt klager verweerder dat hij het dossier van zijn dochter niet op orde heeft gebracht. Klager bewaarde het complete papieren dossier bij zijn schoonmoeder. Zij is echter dement geworden en heeft het dossier opgeruimd. Klager, althans zijn dochter, heeft stukken uit het dossier bij verweerder opgevraagd. Uit de reactie van verweerder van 13 januari 2025 begrijpt klager dat het dossier niet op orde is. Dit is echter de verantwoordelijkheid van verweerder. Hij dient het dossier conform protocol en regelgeving te bewaren.
4.10 De voorzitter overweegt dat klager heeft nagelaten dit verwijt concreet te onderbouwen en dat haar op grond van het klachtdossier op geen enkele wijze is gebleken dat het dossier niet op orde zou zijn en wat er dan in het dossier zou ontbreken. Dit volgt anders dan klager stelt ook niet uit de e-mail van verweerder van 13 januari 2025. De voorzitter is dan ook van oordeel dat dit klachtonderdeel eveneens kennelijk ongegrond is.
4.11 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom in alle onderdelen kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026