ECLI:NL:TADRAMS:2026:59 Raad van Discipline Amsterdam 25-808/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:59 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 16-03-2026 |
| Datum publicatie: | 23-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-808/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij. De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen vast dat de procedure over het ontslag van klager als executeur van het testament al was opgestart op het moment dat verweerster de makelaar op 10 januari 2025 mailde. In haar e-mail heeft verweerster het standpunt van haar cliënte weergegeven, namelijk dat klager alleen bevoegd is tot het beheer van de nalatenschap en niet bevoegd is om de woning ter verkopen. Het stond verweerster in het belang van haar cliënte vrij om dat standpunt in te nemen en aan de makelaar kenbaar te maken. Van het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de makelaar is dan ook niet gebleken. Klacht ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 16 maart 2026 in de zaak 25-808/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 16 januari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 19 november 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2443150/ER/KV
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 2 februari 2026. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Verweerster is bijgestaan door mr. F.G. Schalker.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 14 maart 2023 is de vader van klager overleden. Klager en zijn zus (hierna
ook: de zus) zijn beiden erfgenaam. Klager is benoemd tot executeur van de nalatenschap.
Tussen klager en zijn zus is een geschil ontstaan over de afwikkeling van de erfenis
van hun vader. Verweerster staat de zus hierin bij. Klager wordt bijgestaan door mr.
B.
2.3 Op 25 juni 2024 heeft verweerster namens de zus een verzoekschrift ontslag
executeur bij de rechtbank ingediend.
2.4 In november 2024 heeft klager een makelaar opdracht gegeven om de woning
van de vader te verkopen.
2.5 Begin december 2024 heeft de zus de makelaar bericht dat klager niet alleen
tot verkoop van de woning bevoegd is.
2.6 Op 6 december 2024 heeft de advocaat van klager verweerster gemaild dat de
zus geen informatie aan de makelaar mag verstrekken en geen contact met de makelaar
mag opnemen.
2.7 Op 10 december 2024 heeft verweerster de advocaat van klager gemaild dat
klager niet tot verkoop van de woning bevoegd is.
2.8 Op 12 december 2024 heeft de rechtbank het verzoek tot ontslag executeur
inhoudelijk op zitting behandeld. In het proces-verbaal van deze zitting is het volgende
opgenomen:
‘[Verweerster]
Maar waar het toen om ging, die lening van € 100.000,-. Daar zijn nog geen stukken
van overgelegd. Het is voor client heel vervelend dat zij overal van beschuldigd wordt.
Maar [klager] is executeur. Veel dingen doen niet ter zake.
Dan is het opeens wel heel bijzonder (…) dat er allerlei brieven van vader die niet
ter zitting zijn besproken wel worden ingediend. Blijkt nergens uit dat vader een
bepaalde verdeling wenst, en nu komen er opeens allerlei brieven boven zetten. Ik
kan mij niet aan de indruk onttrekken dat [klager] dit zelf gemaakt heeft.
(…)
In de aangifte erfbelasting, die uiteindelijk gedaan is, daar komt de lening niet
in voor. Dus ook die is niet goed. En twee schenkingsovereenkomsten legt hij over
om aan te tonen dat die ton twee keer is geschonken. Maar op (…), vader heeft die
stukken niet getekend. Ik ben bang dat die stukken onder zijn neus geduwd zijn. (…)
Het is er gewoon niet. Dit is fraude, het klopt gewoon niet. Het is wel duidelijk
dat de executeur zijn taak niet goed uitoefent.
Ook het verhaal dat het huis verkocht moet worden omdat de schulden betaald moeten
worden. Er zou nog € 200.000,- moeten zijn. (…) De bankafschriften kregen we helaas
niet, maar we zijn heel bang dat er allemaal geld weggesluisd is. We zijn heel benieuwd
en heel bang wat er gebeurd is. (…)’
2.9 Op 6 januari 2025 heeft verweerster de makelaar gebeld.
2.10 Op 10 januari 2025 heeft verweerster de makelaar gemaild:
‘Begin van de week heb ik getracht u telefonisch te bereiken inzake de verkoop van
de woning te (…). Ik heb begrepen dat u dit in behandeling heeft.
Ik behartig de belangen van (…) de zus van [klager]. De woning staat op naam van
wijlen vader van cliënte. Cliënte en haar broer zijn erfgenamen, ieder voor de helft.
[Klager] is tot executeur benoemd maar is niet bevoegd om de woning te verkopen. Hij
heeft immers alleen het beheer over de nalatenschap. Ook zijn er geen schulden in
de nalatenschap waardoor de executeur bevoegd is om bezittingen te verkopen.
Cliënte heeft reeds op 4 december 2024 aan uw kantoor doorgegeven dat haar broer
niet tot verkoop bevoegd is. Dit ook omdat er een procedure ontslag executeur loopt.
De uitspraak wordt verwacht op 23 januari 2025 verwacht.
Het verbaast mij dat u zonder nader onderzoek en zonder contact met cliënte de woning te koop heeft aangeboden. Ik wijs u er op dat u de woning niet zonder medewerking van cliënte kan verkopen.
Graag ontvang ik uiterlijk maandag 13 januari 2025 een bevestiging dat u dit bericht ontvangen heeft en dat u contact zal opnemen met cliënte over de verkoop ofwel de woning uit de verkoop zal halen.’
2.11 Op 13 januari 2025 heeft de advocaat van klager verweerster gemaild:
‘Mijn cliënt heeft kennis genomen van uw e-mail aan [de makelaar] d.d. 10 januari
2025.
Mijn cliënt constateert dat u willens en wetens, in strijd met de waarheid, [de makelaar] bericht hebt dat mijn cliënt als executeur niet bevoegd zou zijn om de woning in de verkoop te zetten respectievelijk verkopen. U bent er namelijk volledig van op de hoogte dat, in gevolge artikel H onder 3 van het testament van vader, de executeur tot taak heeft de goederen van de nalatenschap te beheren, maar ook om de schulden van de nalatenschap te voldoen die tijdens zijn beheer uit die goederen moeten worden voldaan, waaronder doch niet uitsluitend maar thans van belang, de erfbelasting die ten laste komt van de erfgenamen of legatarissen. In verband met de betaling van schulden is de executeur bevoegd de door hem beheerde goederen, daaronder begrepen, de woning van vader, te gelde te maken. Daarvoor hoeft mijn cliënt als executeur niet in overleg te treden met uw cliënte en evenmin is haar toestemming daarvoor vereist.
Mijn cliënt vindt uw handelwijze ontoelaatbaar. Mijn cliënt stelt vast dat u handelt buiten mijn cliënt om. U hebt de makelaar bewust verkeerd geïnformeerd. Mijn cliënt spreekt u hierop aan in uw hoedanigheid van advocaat van [de zus]. Hij verzoekt u – en zo nodig sommeert hij u – deze onjuiste informatie per ommegaande te rectificeren en ondergetekende daarvan een afschrift in zijn bezit te stellen. (…)
Mijn cliënt behoudt zich het recht voor om, indien niet binnen 48 uur na dagtekening van dit bericht de voornoemde rectificatie door u aan de makelaar heeft plaatsgevonden en ondergetekende daarvan binnen voornoemde termijn geen afschrift heeft ontvangen, tegen u een klacht in te dienen bij de Orde van Advocaten. (…)’
2.12 Op 14 januari 2025 heeft verweerster de makelaar gemaild:
‘Na uw ontvangstbevestiging heb ik niet meer van u vernomen.
Graag verneem ik vandaag uiterlijk 16.00 uur of u de woning uit de verkoop heeft gehaald of dat u vandaag nog contact zal opnemen met cliënte over de verkoop.’
2.13 Op 23 januari 2025 heeft de rechtbank geoordeeld dat klager in ernstige mate tekort is geschoten in zijn taak als executeur waardoor gewichtige redenen aanwezig zijn voor zijn ontslag.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster het volgende:
a) verweerster heeft achter de rug van klager en zijn advocaat contact opgenomen
met de makelaar en deze onder druk gezet om de woning van de vader uit de verkoop
te halen. Door deze handelwijze voelde de makelaar zich niet meer vrij de opdracht
tot verkoop uit te voeren. Verweerster heeft geen contact met klager of zijn advocaat
opgenomen om haar bezwaren tegen de handelwijze van klager als executeur te uiten
en zij heeft geen afschrift van haar berichten aan de makelaar aan klager gestuurd;
b) verweerster heeft de makelaar informatie verstrekt waarvan zij wist althans
zou moeten weten dat die onjuist was, namelijk dat klager als executeur niet bevoegd
zou zijn de woning te verkopen. De woning van de vader moest worden verkocht om de
schulden van de nalatenschap, waaronder de erfbelasting, uit de boedel van de nalatenschap
te kunnen voldoen. Uit het testament blijkt dat klager daartoe als executeur bevoegd
was en dat hij hierover niet overleg hoefde te treden met zijn zus of haar toestemming
nodig had;
c) verweerster heeft klager zonder enige onderbouwing vals beschuldigd van onder
meer diefstal, fraude en onrechtmatig handelen, ook tijdens de zitting van 12 december
2024.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster voert verweer tegen de klacht en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerster op dat zij al contact
had met de advocaat van klager ruim een maand voordat zij contact heeft opgenomen
met de makelaar. Volgens verweerster was het in het belang van haar cliënte om in
januari 2025 contact op te nemen met de makelaar, omdat het niet bekend was of de
makelaar op de hoogte was van de procedure over het verzoek tot ontslag van klager
als executeur.
Verder betwist verweerster dat zij onjuiste informatie aan de makelaar heeft verstrekt. Volgens verweerster was het in het belang van haar cliënte om de makelaar erop te wijzen dat naar de mening van haar cliënte klager niet bevoegd was tot verkoop van de woning.
Tot slot merkt verweerster op dat het haar niet duidelijk is in welk processtuk of
op welke zitting zij klager heeft beschuldigd van diefstal, fraude en onrechtmatig
handelen. Als klager daarmee bedoelt dat zij namens haar cliënte heeft gesteld dat
klager tot op heden geen bewijs heeft aangedragen van de aflossing/schenking van de
vordering die de vader op klager had van € 100.000, verwijst verweerster van de onderbouwing
van die stelling naar de overgelegde kort geding dagvaarding met producties.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.2 De raad oordeelt dat verweerster niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld
door de makelaar te mailen. Uit de overgelegde e-mails blijkt dat de advocaat van
klager en verweerster in december 2024 met elkaar hebben gecorrespondeerd, nadat de
zus van klager de makelaar begin december 2024 had gemaild dat klager niet alleen
tot verkoop van de woning bevoegd is (zie 2.5 tot en met 2.7). Er was dus al contact
tussen de advocaat van klager en verweerster geweest toen verweerster de makelaar
op 10 januari 2025 mailde, zie 2.10. De raad kan op grond van de inhoud van deze e-mail
niet vaststellen dat verweerster de makelaar onder druk heeft gezet. Verweerster heeft
in haar e-mail de situatie ten aanzien van de woning uiteengezet en de makelaar onder
meer geïnformeerd over de lopende procedure ontslag executeur. Het stond verweerster
in het belang van haar cliënte vrij om zo te handelen. Het besluit van de makelaar
om de woning uiteindelijk uit de verkoop te halen, is verweerster niet te verwijten.
Klachtonderdeel a) is ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.3 De raad stelt op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting afgelegde
verklaringen vast dat de procedure over het ontslag van klager als executeur van het
testament al was opgestart op het moment dat verweerster de makelaar op 10 januari
2025 mailde. In haar e-mail heeft verweerster verder het standpunt van haar cliënte
weergegeven, namelijk dat klager alleen bevoegd is tot het beheer van de nalatenschap
en niet bevoegd is om de woning ter verkopen. Het stond verweerster in het belang
van haar cliënte vrij om dat standpunt in te nemen en aan de makelaar kenbaar te maken.
Van het bewust verstrekken van onjuiste informatie aan de makelaar is dan ook niet
gebleken. De omstandigheid dat klager een ander standpunt inneemt en zich op grond
van het testament wel bevoegd acht om de woning te verkopen, betekent niet dat verweerster
klachtwaardig heeft gehandeld door het andersluidende standpunt van haar cliënte aan
de makelaar te mailen. Een inhoudelijke beoordeling van de standpunten van klager
en de cliënte van verweerster over het beheer van de nalatenschap van de vader is
voorbehouden aan de civiele rechter. De tuchtrechter heeft daar in het kader van een
klachtprocedure geen ruimte voor. Aangezien van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
van verweerster niet is gebleken, is klachtonderdeel b) eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.4 De raad stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat verweerster op
de zitting van 12 december 2024 heeft verklaard dat sprake is van fraude ten aanzien
van de aangifte erfbelasting en twee door klager overgelegde schenkingsovereenkomsten.
Van andere (proces)stukken waarin verweerster een dergelijke uitlating over klager
heeft gedaan of waarin verweerster klager heeft beschuldigd van diefstal of onrechtmatig
handelen, is de raad niet gebleken.
5.5 Hoewel verweerster in haar verklaring tijdens de zitting van 12 december
2024 vrij stellig is geweest in de kwalificatie van het handelen van klager ten aanzien
van de door hem gestelde schenking van € 100.000 mocht verweerster dit standpunt namens
haar cliënte innemen. Verweerster heeft zowel in haar schriftelijke verweer tegen
de klacht als tijdens de inhoudelijke behandeling toegelicht waarom zij heeft verklaard
dat volgens haar cliënte sprake is van fraude. Gelet op deze toelichting en de context
waarin verweerster de bewuste uitlating over het handelen van klager heeft gedaan
– de mondelinge behandeling van het verzoek tot ontslag van klager als executeur –,
heeft verweerster de grenzen van de haar toekomende vrijheid als advocaat van de wederpartij
van klager niet overschreden. Het uiteindelijke oordeel over de vraag of de vader
aan klager een bedrag van € 100.000 heeft geschonken is voorbehouden aan de civiele
rechter in de lopende verdelingsprocedure. Aangezien van tuchtrechtelijk verwijtbaar
handelen van verweerster geen sprake is, is klachtonderdeel c) ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. C.C. Horrevorts en J. Schulp,
leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar
op
16 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 16 maart 2026