ECLI:NL:TADRAMS:2026:54 Raad van Discipline Amsterdam 25-736/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:54 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 13-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-736/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing; klacht over de dienstverlening van de eigen advocaat ongegrond. Dat de werkzaamheden van verweerder onder de maat zijn geweest, is de raad niet gebleken. Evenmin heeft de raad kunnen vaststellen dat verweerder zich onvoldoende partijdig heeft opgesteld voor klager. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 maart 2026
in de zaak 25-736/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 13 juni 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 24 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2497913/ER/AS
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij
was verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 06. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de op 15 november 2025 door klager nagezonden stukken.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is eigenaar van een eenmansbedrijf (hierna: het eenmansbedrijf) en
heeft een geschil met DOPS Recycling Technologies B.V. (hierna: DOPS) over de nakoming
van een op 6 april 2023 tussen partijen gesloten overeenkomst van opdracht. Het kantoor
van verweerder heeft klager bijgestaan in het geschil met DOPS. De zaak van klager
is behandeld door verweerder en zijn kantoorgenoten mrs. B en W.
2.3 Bij e-mail van 2 mei 2025 heeft mr. B namens klager een eerste brief aan
DOPS gestuurd. Op 7 mei 2025 heeft de advocaat van DOPS, mr. U van het kantoor F op
de brief gereageerd.
2.4 Op 13 mei 2025 heeft mr. B een tweede brief aan DOPS gestuurd. Per e-mail
van 15 mei 2025 heeft mr. U ook op deze brief gereageerd. Daarbij refereert mr. U
aan een investeringsovereenkomst tussen DOPS en Innovation Quarter (hierna: IQ) uit
2022 en stelt hij dat klager destijds per e-mail zou hebben aangegeven geen aanspraak
te maken op enige vergoeding van DOPS.
2.5 Mr. W heeft de e-mail van 15 mei 2025 van mr. U op 16 mei 2025 aan klager
doorgestuurd. In zijn begeleidende e-mail heeft mr. W het volgende geschreven:
“Bijgaand tref je de reactie aan van de wederpartij op onze brief van dinsdag 13
mei jl. Wij ontvangen graag jouw reactie hierop en ontvangen graag de e-mail waar
de wederpartij naar verwijst waarin jij zou hebben aangegeven dat je geen succesfee
(voor IQ) hoeft te ontvangen.”
2.6 Bij e-mail van 19 mei 2025 (om 16:06 uur) heeft klager commentaar gegeven
op de e-mail van 15 mei 2025 van mr. U. Klager schrijft dat hij de genoemde investeringsovereenkomst
tussen IQ en DOPS uit 2022 nooit heeft gezien en dat hem hierover nooit iets is verteld.
2.7 Mr. B heeft klager hierop bij e-mail van 19 mei 2025 om 16:45 uur als volgt
bericht:
“Dank voor je input. Het is mijns inziens zonder eerst inhoudelijk in te gaan op
het verweer van de advocaat van DOPS goed om de mail op te vragen waarnaar wordt verwezen
en waaruit zou blijken dat [de eenmansbedrijf] de bevestiging heeft gegeven dat IQ
een bestaand contact is van DOPS. Is dat wat jou betreft akkoord?”
2.8 Klager heeft diezelfde dag bevestigd dat de e-mail waar mr. U in haar e-mail
van 15 mei 2025 aan refereert, kon worden opgevraagd.
2.9 Op 20 mei 2025 ontving verweerder van mr. U de e-mail die klager op 27 juni
2023 om 21:50 uur aan DOPS zou hebben gestuurd. Een dag later heeft verweerder klager
over deze e-mail bevraagd. Verweerder schrijft klager:
“De advocate van DOPS heeft ons jouw bijgevoegde email van 27 juni 2023, 21:50 uur
gestuurd. Die mail hadden wij nog niet eerder van je gehad. In deze mail schrijf je
zelf: “Prima om IQ zelf te bedienen. (-) “Ik hoef geen fee of iets dergelijks als
het jullie contact is”. Hiermee komt jouw aanspraak op succesfee over de funding van
IQ naar ik vrees op losse schroeven te staan, want je doet hier zonder voorbehoud
afstand van. De kans dat een rechter jouw succesfee desondanks toch nog over IQ zal
toewijzen acht ik hiermee klein.
Vervolgens blijft de vraag over welke andere funding jij je fee kunt rekenen. Je
zult per funding party moeten kunnen aantonen dat jij hierbij betrokken bent geweest.
Als deze partijen via IQ zijn gekomen, gaat dat jou denk ik niet helpen. (...) Zullen
we nog even bellen hierover?”
2.10 Het kantoor van verweerder heeft vervolgens op 28 mei 2025 een conceptbrief
opgesteld in reactie op de e-mails van mr. U van 15 en 20 mei 2025. In deze conceptbrief
is de volgende passage opgenomen:
“U stelt dat IQ al sinds 2021 een contact is van uw cliënte, hetgeen zou blijken
uit een presentatie van februari 2023. Los van het feit dat mijn cliënt niet bekend
is met deze presentatie, is het geven van een presentatie aan IQ niet equivalent aan
het uitsluiten van IQ als contact bij het aangaan van de overeenkomst van 6 april
2023 (de “Overeenkomst”), zoals de Overeenkomst dat voorschrijft. Dit geldt eveneens
voor het sluiten van een investeringsovereenkomst in 2022, waar mijn cliënt niet van
op de hoogte was.”
2.11 In de conceptbrief is ook verwezen naar, en geciteerd uit, de e-mail van 27
juni 2023 van klager aan DOPS.
2.12 Klager heeft commentaar geleverd op de conceptbrief. In dat verband heeft
klager onder meer opgemerkt:
“-verhaal van investeringsovereenkomst 2022 via IQ of InvestNL (R.Z(…)) is een leugen!
(Is nooit aangegeven door DOPS, IQ, INVESTNL). Vraag deze OVK 2022 op? En ook OVK
2025 please.”
2.13 Als toevoeging op de eerder geciteerde passage in de conceptbrief heeft
klager voorgesteld om aansluitend de volgende zin in de brief op te nemen:
“Als deze overeenkomst er zou zijn, zou deze zijn overleg[d] aan [de eenmanszaak]
en zou IQ op basis van deze overeenkomst vooraf in het SCP contract zijn uitgesloten.
Graag ontvangen we de OVK 2022 van IQ, waar uw cliënt naar verwijst.”
2.14 Verder heeft klager voorgesteld de volgende zinsnede in de brief op te nemen:
“Ook staat vast dat DOPS evenals IQ en InvestNL niets gemeld hebben over een ‘eventuele
overeenkomst 2022’ tot aan de mail van 15 mei 2025, na gerealiseerde funding, ondanks
geregeld contact met [klager].”
2.15 Met betrekking tot de in de conceptbief geciteerde e-mail van 27 juni 2023
heeft klager opgemerkt dat dit een vervalsing betreft. Klager schrijft hierover in
zijn commentaar:
“[klager] kan de email dd. niet terug vinden in zijn mail bestanden, maar ziet wel
2 mails van 27 juni 2023 met een wezenlijk andere strekking over IQ. (De mail van
27 juni 2023 moet opgevraagd worden. Het lijkt een falsificatie).”
2.16 Daarop heeft het kantoor van verweerder een aangepaste conceptbrief aan
klager gestuurd. Daarin waren de hiervoor beschreven voorstellen van klager niet overgenomen.
2.17 Bij e-mail van 4 juni 2025 om 8:22 uur heeft klager het volgende bericht
aan verweerder en mr. B gestuurd:
“Het verbaast me dat jullie niet terugbellen en niet in staat zijn informatie te
verschaffen over de ‘vreemde conceptbrief’ die is opgesteld. Vooral geen inzicht verschaffen
in opgevoerde zaken als 'investmentovereenkomst 2022 van IQ' en 'het herhalen van
zaken die niet in mijn belang en in het belang van deze casus' zijn baart mij ernstige
zorgen en maakt een conflict of interest inzichtelijk.
Graag ontvang ik deze ochtend een gedetailleerde uitleg waarom [het kantoor van
verweerder] deze zaken in mijn conceptbrief opvoert en waarom [het kantoor van verweerder]
mijn belang niet wil dienen?
Ook mag u ervoor kiezen om met een zeer degelijk voorstel te komen hoe we deze zaak
gaan afronden.
Op dit moment zet ik alle facturen on hold wegens wanprestatie.”
2.18 Tussen klager en verweerder heeft vervolgens telefonisch overleg plaatsgevonden.
2.19 Bij e-mail van 4 juni 2025 om 11:41 uur heeft klager verweerder, met kopie
aan mrs. B en W, geschreven:
“Dank voor de call. Deze was echt even noodzakelijk om mijn casus duidelijk en krachtig
te omschrijven.
We hebben afgesproken dat de volgende zaken nog worden toegevoegd in de conceptbrief.
(…)
Mijn mailtje van vanochtend had ik misschien niet moeten schrijven. De oorzaak was
dat ervan uit [het kantoor van verweerder] geen inzage wordt gegeven in het verweer
van F. Echter ik heb nog steeds niet gezien wat F(…) exact heeft geschreven dat er
sprake is van een investeringsovereenkomst 2022 met IQ. Dat stuk van de correspondentie
ontvang ik graag nog steeds, alvorens er goedkeuring kan komen op het huidige concept.
Dat wordt een heel belangrijk bewijsstuk van het verweer van F(…), waarbij ik denk
en mag aannemen dat dit gebaseerd op onwaarheden. Het baarde mij zorgen dat [het kantoor
van verweerder] opent in mijn schikkingsvoorstel met deze zgn. investeringsovereenkomst
2022 in haar verweer. Doordat ik deze informatie van F(…) niet heb gezien, vond ik
het een hele vreemde concept brief, dat kunt u zich nu wel voorstellen.”
2.20 Bij e-mail van 4 juni 2025 om 22:59 uur heeft verweerder klager als volgt
bericht:
“Ik had je gevraagd je mail van vanochtend in te trekken, want er is geen enkele
grond om ons van “wanprestatie” te betichten. Dat heb je in je mail hieronder niet
gedaan. Kun je dat svp dus alsnog ondubbelzinnig doen? Dank!
Wij hebben je meerdere keren uitgelegd waarom wij bepaalde punten die jij in de
reactiebrief aan de advocaat van DOPS wil niet opnemen, omdat dit je zaak vanuit juridisch
perspectief alleen maar zwakker maakt. Ik heb je vanochtend aangegeven dat het je
goed recht is uiteraard om er een andere mening op na te houden. Je huurt ons echter
in vanwege onze juridische kennis en ervaring, en als je die niet wilt volgen zien
wij geen andere mogelijkheid dan om onze opdracht te beëindigen. Voor alle duidelijkheid:
conform onze opdrachtbevestiging betaal jij ons gewoon voor de door ons verrichte
werkzaamheden tot dat moment. Die zijn op dit moment al meer dan vooraf ingeschatte
EUR 2.000, met als belangrijkste reden dat wij door de vele mails die jij ons stuurt
veel meer tijd aan de zaak hebben moeten besteden dan wij van tevoren redelijkerwijze
hadden kunnen inschatten.
Zoals ik je heb toegelicht hebben wij geen andere stukken dan van de wederpartij
gehad dan wij jou al hebben gestuurd en bestrijden wij in onze reactiebrief juist
hetgeen de advocaat van DOPS daarover stelt.
Ik stuur je hierbij de reactiebrief met de 3 besproken aanpassingen erin.”
2.21 Klager heeft hierop bij e-mail van 5 juni 2025 om 8:38 uur als volgt geantwoord:
“Op dit moment verschillen we van mening. Uw kantoor heeft nog niet aangetoond dat
het intrekken van mijn mail gerechtvaardigd is.
Meermaals heb ik gevraagd om de brief van F(…) (15 & 20 mei), waaraan u refereert
en waarin de investeringsovereenkomst van 2022 met IQ wordt benoemd, waarop in uw
laatste concept meermaals gereageerd wordt. Deze heb ik nog niet mogen ontvangen.
Tevens mag ik van [het kantoor van verweerder] verwachten dat jullie een verzoek aan
F(…) hebben gedaan om inzage te geven in de investeringsovereenkomst van 2022 van
IQ en de investeringsovereenkomst 2025 van DOPS en alle investeerders. Dit zijn essentiële
documenten, die nog niet in ons bezit zijn om tot een schikking te komen.
Voor de derde keer komt u met eenzelfde soort concept, welke niet onderbouwd is
met het essentiële huiswerk van uw kant, dat vooraf zou moeten gaan aan een schikkingsvoorstel
mijnerzijds. Graag ontvang ik de brieven van F(…) van 15 en 20 mei jl. en beide investeringsovereenkomsten.
Tevens heeft u aangegeven dat u voor een maximaal bedrag zou declareren en al het
onnodige extra werk niet door u in rekening gebracht zal worden.
Graag krijg ik een exacte opgave van het maximale bedrag dat u voornemens was in
rekening te brengen en graag ontvang ik weer de week specificaties van uw totale werkzaamheden
tot nu toe. Dit zijn werk-afspraken, die we schriftelijk gemaakt hebben en nog bevestigd
zijn in de call van gisteren, maar die tot op heden niet zijn nagekomen. Wel heeft
u al een factuur opgestuurd voor doorlezen van de stukken in april van ca. € 1000
voor een bijzonder eenvoudige casus.
[Het kantoor van verweerder] mag binnen 24 uur de gevraagde stukken aan mij aanleveren.
Als u in staat bent om 3 concepten binnen een week te schrijven op basis van deze
informatie, moet [het kantoor van verweerder] ook in staat zijn de juiste stukken
aan te leveren om mijn belang goed te kunnen dienen.”
2.22 Op 5 juni 2025 om 14:35 uur heeft klager verweerder verder bericht:
“Helaas is uw kantoor niet in staat gebleken om de brieven van F(…) (15 & 20 mei
jl.) en de investeringsovereenkomst van 2022 met IQ en de investeringsovereenkomst
van DOPS met de investeerders aan mij te overleggen.
In uw laatste 3 concept brieven voor mijn verweer verwijst u naar allerlei zaken,
welke ik niet heb gezien, die essentieel zijn in uw concept verweer. Bij ontvangst
van de brieven van F(…) van 15 & 20 mei, investeringsovereenkomst van 2022 met IQ
en de investeringsovereenkomst van DOPS met de investeerders en een degelijke conceptbrief
zou ik de wanprestatie kunnen intrekken. Door met kracht deze 'ongelooflijk slechte
en ondoordachte conceptbrief 3* door te duwen zonder uw huiswerk gedaan te hebben
en uw klant te hebben ingelicht met de essentiële ontbrekende informatie is het mij
duidelijk dat [het kantoor van verweerder] een belangenconflict heeft en mijn belang
niet wilt dienen.
Uw concept brieven verzwakken mijn casus en ik ga niet akkoord met deze concepten.
Voor mij is bijzonder duidelijk dat uw kantoor een belangenconflict heeft en dat
u niet in staat bent mijn belang in optima forma te dienen. Uw concept brieven zijn
ondermaats en niet in mijn belang.
Wanprestatie:
- door 3 maal weigeren van het leveren van de essentiële brieven van F(…) inzake
DOPS,
- door 3* conceptbrieven voor te stellen op basis van ‘een onduidelijk verweer vanuit
onbekende brieven’,
- door een zinnetje ‘prima... QI ....’ uit een email onjuist in te schatten, en
aan te geven dat ik 1-0 achter zou staan,
- door het niet opvragen van essentiële investeringsovereenkomsten en
- door in de eerste verweer brief voor [de eenmanszaak] inhoudelijk in te gaan op
mijn rol bij individuele investeerders,
heeft uw kantoor mijn zaak volledig verkeerd behandeld en probeert uw kantoor mijn
zaak niet correct en onjuist te dienen. Uw concept voorstellen hebben er alle schijn
van de zaak van de tegenpartij te dienen. Mijn casus is juridisch heel sterk en een
kantonrechter zal naar alle waarschijnlijkheid mij gelijk geven in de succes fee casus
en de vervolg fee casus. De vaste fee casus is discutabel, maar het stopzetten van
de vaste fee versterkt de casus voor mijn succes fee.
Derhalve als uw kantoor deze zaak wilt beëindigen, door wangedrag van uw eigen organisatie
en het opvoeren van onjuistheden (bijv..... investeringsovereenkomst 2022), dan heeft
u wat mij betreft geen aanspraak op een vergoeding voor uw diensten.
Derhalve stel ik u aansprakelijk voor een wanprestatie en staat u wat mij betreft
niet in uw recht uw kosten aan [de eenmanszaak] te declareren. Bij aanlevering van
de juiste door mij geformuleerde informatie en een correcte juridische aanpak van
mijn casus, mag u mijn zaak dienen en kan de claim op wanprestatie misschien komen
te vervallen. Een claim uwerzijds over kosten zal sowieso beantwoordt worden met een
tegenclaim en een melding bij de deken van de Orde van Advocaten.”
2.23 Op 5 juni 2025 om 15:57 uur heeft verweerder klager laten weten dat de werkzaamheden
voor klager per direct werden beëindigd. De e-mail luidt als volgt:
“U heeft ons vandaag 2 e-mails gestuurd, die inhoudelijk tegenstrijdig zijn met
wat wij gisteren gedurende 40 minuten telefonisch met elkaar bespraken.
Nogmaals: het is uw goed recht als client er een andere mening op na te houden over
wat in uw zaak juridisch relevante punten zijn, ondanks het feit dat u ons juist heeft
ingehuurd voor dat juridische oordeel. Ons vervolgens van wanprestatie betichten is
echter ongefundeerd. Wij hebben uw zaak tot op heden naar eer en geweten behandeld
en van het door u gestelde belangenconflict is geen sprake. Wel hebben wij moeten
constateren dat u ons ondanks herhaald verzoek van een cruciaal document heeft onthouden,
dat naar ons juridische oordeel ernstig afbreuk doet aan uw zaak. Dat u ons nu ongefundeerde
verwijten maakt, maakt dit niet anders.
U kunt op elk moment besluiten dat u ons niet langer inschakelt. Omgekeerd hebben
wij als uw advocaat ook de mogelijkheid te besluiten dat wij u niet langer kunnen
bijstaan. In beide gevallen is het echter niet zo dat u ons dan niet meer hoeft te
betalen voor de tot nu toe verrichte diensten. Conform de door u getekende opdrachtbevestiging
bent u ons het honorarium verschuldigd over de verrichte werkzaamheden.
Nu wij inhoudelijk van mening verschillen over de wijze waarop uw zaak het beste
behandeld kan worden is er geen basis meer om langer voor u op te treden. Daarnaast
is de wijze waarop u ons bejegent voor ons onwenselijk en mijns inziens ook ongepast.
Om die redenen beëindigen wij onze werkzaamheden voor u per heden. Ik zal u de eindnota
sturen van de tot op heden aan uw zaak bestede tijd en zie de betaling daarvan, net
als van onze vorige nota, graag tijdig van u tegemoet.”
2.24 Op 5 juni 2025 om 16:49 uur heeft klager verweerder en mrs. B en W als volgt
bericht:
“Graag ontvang ik binnen 24 uur de volgende stukken, die u in de productie van uw
concepten in mijn verweer naar de advocaat F(…) gebruikt en waarop u uw conceptbrief
heeft gebaseerd.
– F(…) brief 15 mei
– F(…) brief 20 mei
- Investeringsovereenkomst 2022 IQ met DOPS
- Investeringsovereenkomst DOPS met investeerders (2025).”
2.25 Mr. B heeft klager hierop op 6 juni 2025 het volgende meegedeeld:
“Naar aanleiding van jouw verzoek per e-mail, sturen wij hierbij opnieuw de gevraagde
stukken toe. Graag lichten wij het een en ander toe om eventuele verwarring te voorkomen.
Allereerst: de advocate van de wederpartij heeft uitsluitend per e-mail met ons
gecorrespondeerd. Er zijn dus geen fysieke of schriftelijke stukken in ons bezit.
Alle e-mails die wij van haar hebben ontvangen, hebben wij aan jou doorgestuurd.
– E-mail F(…) d.d. 15 mei jl.
Deze e-mail is als bijlage toegevoegd. Hierin voert de advocate van de wederpartij
verweer ten aanzien van onder meer de vermeende investeringsovereenkomst uit 2022
en de presentatie uit 2023. Deze stukken zijn echter nooit aan ons verstrekt en bevinden
zich niet in ons bezit, waardoor wij ze ook niet kunnen overleggen.
Overigens hebben wij – los van de vraag of deze stukken bestaan – steeds het standpunt
ingenomen dat dit voor jouw verweer niet relevant is. Het (eventuele) bestaan van
deze stukken betekent immers niet dat investeerders contractueel zijn uitgesloten,
zoals wél expliciet is bepaald en overeengekomen in jouw overeenkomst met DOPS. Wij
hebben jou deze e-mail op 16 mei jl. al doorgestuurd, waar jij vervolgens op 19 mei
jl. op hebt gereageerd in het rood (zie bijlage).
– E-mail F(…) d.d. 20 mei jl.
Ook deze e-mail tref je als bijlage aan. In deze e-mail stuurt de advocate van de
wederpartij de door jou verzonden e-mail van 27 juni 2023 om 21:50 uur naar ons door,
waarin je aangeeft geen vergoeding voor IQ te hoeven ontvangen. De e-mail van de advocate
bevat verder geen inhoudelijk verweer, maar is enkel bedoeld als doorzending van jouw
eerdere e-mail. Wij hebben deze e-mail op 21 mei jl. aan jou doorgestuurd (zie bijlage).
– Investeringsovereenkomst 2022
Zoals hierboven benoemd, hebben wij deze overeenkomst niet van de wederpartij ontvangen.
Daarnaast hebben wij steeds aangegeven dat het bestaan ervan voor jouw verweer niet
van doorslaggevend belang is.
– Investeringsovereenkomst 2025
Over deze overeenkomst is nimmer gecommuniceerd of gecorrespondeerd. Deze overeenkomst
is dan ook niet ter sprake gekomen, en wij beschikken niet over een exemplaar.
Ik hoop dat bovenstaande toelichting, samen met de bijlagen, voldoende helderheid
biedt.”
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder, zo is vermeld in de aanbiedingsbrief van de deken, het volgende:
a) verweerder heeft in juni 2025 een conceptbrief opgesteld voor klager waarin
hij niet-verifieerbare bewijsstukken heeft opgevoerd. Zo heeft verweerder in deze
brief verwezen naar (i) een investeringsovereenkomst uit 2022 en (ii) een investeringsovereenkomst
uit 2025. Klager verwijt verweerder dat hij deze overeenkomsten heeft genoemd in zijn
conceptbrief zonder dat klager daarmee bekend is en zonder dat verweerder deze overeenkomsten
eerst heeft opgevraagd bij de wederpartij;
b) verweerder heeft zich schuldig gemaakt aan belangenverstrengeling door bij
de behandeling van de zaak voor klager ook de belangen van zijn eigen kantoor en/of
meerdere overheidsinvesteerders te behartigen (waaronder ROMinWest en IQ). Volgens
klager is verweerder daarmee ernstig tekortgeschoten in zijn belangenbehartiging voor
klager.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen en op hetgeen klager over de klachtomschrijving
heeft aangevoerd, ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Omvang van de klacht en de beoordeling
5.1 Klager heeft in het dekenonderzoek en in zijn nagezonden stukken van 15 november
2025 bij de raad kenbaar gemaakt dat de deken zijn klacht te beperkt heeft opgevat.
In zijn nagezonden stukken heeft klager zijn klacht nader toegelicht en met aanvullende
stukken onderbouwd. Verweerder heeft ter zitting aangegeven dat (nagenoeg) al hetgeen
klager hierin naar voren brengt volgens hem beschouwd moet worden als een nadere onderbouwing
van het overkoepelende verwijt dat verweerder zijn werk niet goed heeft gedaan. De
raad is het hiermee eens en is van oordeel dat de nagezonden stukken geen nieuwe verwijten
bevatten die geen onderdeel hebben uitgemaakt van het onderzoek door de deken, maar
een nadere onderbouwing vormen van zaken die wel onderdeel zijn geweest van dat onderzoek.
De raad zal klagers nadere toelichting dan ook in zijn beoordeling van de klacht betrekken.
Maatstaf
5.2 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
5.3 De raad neemt bij de beoordeling van de klacht als uitgangspunt dat (naar
vaste jurisprudentie van het hof) de tuchtrechter bij de beoordeling van een tegen
een advocaat ingediende klacht of dekenbezwaar het aan de advocaat verweten handelen
of nalaten toetst aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen. Bij deze toetsing
betrekt de tuchtrechter de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet.
De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen, gezien
ook het open karakter van de wettelijke norm, daarbij wel van belang zijn (direct
of analoog). Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de
feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.4 De kernwaarde partijdigheid brengt mee dat de advocaat uitsluitend instructies
ontvangt van zijn cliënt. Dat betekent niet dat hij zonder meer gehouden is om al
hetgeen te doen dat hem door zijn cliënt wordt opgedragen.
Klachtonderdeel a)
5.5 Klager heeft toegelicht dat de investeringsovereenkomst uit 2022 een essentiële
schakel in zijn zaak vormt. Verweerder had deze bij de advocaat van de wederpartij
(mr. U) moeten opvragen. Volgens klager bestaat deze overeenkomst niet en verweerder
had dit boven tafel moeten zien te krijgen. Ook de investeringsovereenkomst die in
2025 met de huidige investeerders is gesloten, is een essentieel onderdeel in de zaak
van klager en had verweerder moeten opvragen. Op grond van de overeenkomst van opdracht
van 6 april 2023 geldt er een contractuele verplichting voor DOPS om deze investeringsovereenkomst
aan klager over te leggen, zodat een zinvolle inhoudelijke discussie kan worden gevoerd
over de aan klager te betalen succesfee.
5.6 Verder heeft klager (in zijn nagezonden stukken) toegelicht dat de conceptstukken
van verweerder niet gecommuniceerde verwijzingen en onjuiste feiten bevatten. Daarnaast
heeft verweerder een verkeerde interpretatie van de e-mail van klager van 27 juni
2023 gegeven, heeft verweerder nagelaten de lijst met ‘excluded names’ te pareren
en de verschuldigde maandfee en vervolgfee niet als argument in het geschil met de
wederpartij gebruikt. Ook heeft verweerder aldus klager door middel van drie conceptbrieven
de kans gekregen om het eerste concept te wijzigen op basis van feedback van klager,
maar koos verweerder ervoor om over drie conceptbrieven met dezelfde strekking een
40 minuten durende monoloog te houden over klagers gebrek aan juridische kennis en
gebrek aan ervaring in dit soort zaken. Tot slot stond verweerder niet open voor feedback
van klager.
5.7 Naar het oordeel van de raad treffen de verwijten van klager geen doel. Zoals
verweerder gemotiveerd heeft toegelicht, heeft hij - toen mr. U in haar e-mail van
15 mei 2025 verwees naar een investeringsovereenkomst uit 2022 en klager aangaf deze
niet te kennen - dit als zodanig in de conceptbrief van 28 mei 2025 opgenomen. Omdat
deze investeringsovereenkomst geen afbreuk deed aan de rechtspositie van klager heeft
verweerder, zo heeft hij toegelicht, deze overeenkomst echter niet opgevraagd bij
de wederpartij. Waar klager spreekt over een investeringsovereenkomst van 2025, vermoedt
verweerder dat klager doelt op die van 2022. Verweerder heeft aan klager uitgelegd
waarom hij de investeringsovereenkomst niet heeft opgevraagd. Omdat hij als advocaat
de vrijheid een zaak te behandelen op een wijze die hem goeddunkt en niet verplicht
is gehoor te geven aan verzoeken van klager waarmee hij zich niet kan verenigen, stond
dit hem - zo voert verweerder naar het oordeel van de raad terecht aan - vrij.
5.8 Wat betreft de e-mail van 27 juni 2023 waarin klager afstand heeft gedaan
van zijn recht op vergoeding ten aanzien van IQ geldt dat verweerder deze wel degelijk
bij de wederpartij heeft opgevraagd en op 20 mei 2025 ook heeft ontvangen en aan klager
heeft doorgeleid. Op basis van de inhoud van deze e-mail is verweerder vervolgens
tot de slotsom gekomen dat klager geen sterke zaak had. Klager kon zich niet verenigen
met deze opvatting, hetgeen hem vrijstond. Nu klager zich vervolgens niet langer kon
vinden in de door verweerder voorgestane koers, heeft verweerder klager bij e-mail
van 5 juni 2025 bericht zijn dienstverlening te beëindigen. Ook van deze gang van
zaken valt verweerder naar het oordeel van de raad geen verwijt te maken. Verweerder
heeft immers de leiding over de zaak en dient, vanuit zijn eigen professionele verantwoordelijkheid,
te bepalen welke aanpak het meest in het belang van zijn cliënt is. Tussen klager
en verweerder was inmiddels sprake van een verschil van inzicht over de te volgen
aanpak. Verweerder heeft voldoende toegelicht dat dit verschil van inzicht wat hem
betreft niet kon worden overbrugd zodat van hem evenmin kon worden verwacht dat hij
zijn werkzaamheden voor klager zou voortzetten.
5.9 Voor de overige verwijten in dit klachtonderdeel ontbreekt naar het oordeel
van de raad een voldoende feitelijke grondslag. Zo heeft de raad niet kunnen vaststellen
dat verweerder niet-verifieerbare bewijsstukken heeft opgevoerd en is ook overigens
niet gebleken dat verweerder zich verwijtbaar jegens klager heeft gedragen. Klachtonderdeel
a) is dan ook (volledig) ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.10 Klager stelt dat in de door het kantoor van verweerder opgestelde brieven
onjuist opgevoerde bewijzen staan, die in het nadeel van zijn zaak zijn. Het commentaar
van klager op de laatste conceptbrief is niet door verweerder meegenomen. De zaak
van klager wordt hierdoor onjuist voorgesteld. Het kantoor van verweerder behoort
de argumenten van klager krachtig te verwoorden en de argumenten van de wederpartij
te ontkrachten. Dit ziet klager niet terug in de conceptbrieven van het kantoor van
verweerder. Ook het schikkingsvoorstel dat verweerder namens klager aan DOPS had willen
doen gaat uit van totale kwijting, zonder behoud van rechten op vervolginvesteringen
en wordt gemaakt op onjuiste gronden en informatie. De belangen van klager zijn niet
gediend door verweerder. Er is sprake geweest van een belangenconflict, mogelijk in
verband met eigen financieel gewin of mogelijk met een of meerdere overheidsinvesteerders,
aldus steeds klager.
5.11 De raad begrijpt dit klachtonderdeel aldus dat klager verweerder verwijt
dat hij zijn onvoldoende partijdig heeft opgesteld en de schijn heeft gewekt een ander
- lees: eigen - belang te dienen dan het belang van klager. Verweerder heeft dit verwijt
uitdrukkelijk bestreden. Het is aan klager om een dergelijk verwijt voldoende concreet
en feitelijk te onderbouwen. Dit heeft klager niet voldoende gedaan. Omdat de overgelegde,
uitvoerige stukken voor dit verwijt ook geen enkel aanknopingspunten bieden, zal de
raad dit verwijt passeren. Zo is de raad, anders dan klager stelt, niet gebleken van
een schikkingsvoorstel dat erop zou duiden dat verweerder het belang van klager onvoldoende
zou hebben behartigd. Ook klachtonderdeel b) is derhalve ongegrond.
Overig
5.12 Dat de werkzaamheden van verweerder voor klager voor het overige duidelijk
onder de maat zijn geweest, zoals klager met zijn uitvoerige klacht naar voren heeft
gebracht, is de raad niet gebleken. Dit betekent dat de klacht in zijn geheel ongegrond
wordt verklaard.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart de klacht ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. M. Kemmers en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026