ECLI:NL:TADRAMS:2026:53 Raad van Discipline Amsterdam 25-496/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:53 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 13-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-496/A/NH |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Beslissing op verzet |
| Inhoudsindicatie: | Verzet ongegrond; er hoeft in redelijkheid niet te worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 maart 2026
in de zaak 25-496/A/NH
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 22 september 2025 op de klacht van:
klager
over:
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 21 februari 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in
het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 28 juli 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-098/2468277
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 22 september 2025 heeft de plaatsvervangend voorzitter
van de raad (hierna ook: de voorzitter) de klacht met toepassing van artikel 46j Advocatenwet
kennelijk ongegrond verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan
partijen.
1.4 Op 13 oktober 2025 heeft klager verzet ingesteld tegen de beslissing van
de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij
waren klager en verweerder aanwezig.
1.6 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd
en van het verzetschrift.
2 VERZET
2.1 De gronden van het verzet houden, zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.2 Klager is het niet eens met de beslissing van de voorzitter. Volgens klager
moet in redelijkheid worden betwijfeld dat de voorzittersbeslissing juist is omdat
veel belangrijke punten daarin niet betrokken zijn. Volgens klager was het onderzoek
door verweerder bij diens cliënte, de verhuurder, naar de stelling dat aan klager
een werkplek was aangeboden op het kantoor van de verhuurder als ‘mosterd na de maaltijd’;
klager had toen immers al een akte moeten laten nemen om de onwaarheid uit de wereld
te helpen. Dit heeft hem, behalve geld en tijd, ook meer frustratie bezorgd. Bovendien
is hiermee miskend dat de kern van de klacht was dat verweerder dit onderzoek nu juist
al eerder had moeten doen. Ook aan de bereidheid van medewerkers van de verhuurder
om een verklaring ‘onder ede’ af te leggen is door de voorzitter ten onrechte betekenis
toegekend. De slotzin in de zeer summiere voorzittersbeslissing, dat het aan de civiele
rechter is om een inhoudelijk oordeel te geven over de vraag of het door verweerder
verkondigde standpunt juist is, is een dooddoener en gaat eraan voorbij dat het gerechtshof
Amsterdam in haar arrest van 17 december 2024 hierover een oordeel had gegeven. Uit
dit oordeel volgde dat verweerder wist, althans behoorde te weten dat de informatie
over de aangeboden werkplek op het kantoor van de verhuurder niet waar was.
2.3 Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving komt klager in verzet
niet op.
3 FEITEN EN KLACHT
3.1 Voor de vaststaande feiten en de omschrijving van de klacht verwijst de raad
naar de beslissing van de voorzitter.
4 BEOORDELING
4.1 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van een
gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
4.2 De raad is van oordeel dat de door klager aangevoerde verzetgronden niet
slagen; de voorzitter heeft bij de beoordeling de juiste maatstaf toegepast en heeft
rekening gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval.
4.3 Gelijk de voorzitter heeft geoordeeld, mocht verweerder ten behoeve van zijn
antwoord-memorie na verwijzing van 25 juni 2024 afgaan op de informatie die hij van
de verhuurder had ontvangen over het aanbieden van een werkplek op het kantoor van
de verhuurder. Verweerder heeft naar voren gebracht – en dit ter zitting bevestigd
– dat hij deze informatie voorafgaand aan de indiening van zijn antwoord-memorie bij
de verhuurder heeft geverifieerd, en dat hij dat, naar aanleiding van de nadere akte
van klager, opnieuw heeft gedaan. Hoe vervelend deze voor klager onverwachte wending
in de stellingname van de verhuurder over de aangeboden werkplek na zes jaar procederen
voor klager ook moet zijn geweest, het stond verweerder als partijdig raadsman, zeker
toen hij hiernaar ook nog onderzoek had gedaan, vrij om dit standpunt van zijn cliënte
naar voren te brengen. Dat het gerechtshof bij arrest van 17 december 2024 het standpunt
van de verhuurder op verschillende gronden - omdat dit in strijd met de goede procesorde
en te laat was ingenomen en omdat daar geen grief tegen gericht was geweest - heeft
verworpen, maakt niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
4.4 De raad komt dan ook tot de slotsom dat er in redelijkheid niet hoeft te
worden betwijfeld of de beslissing van de voorzitter juist is.
4.5 Omdat het verzet tegen de beslissing van de voorzitter ook verder geen nieuwe
gezichtspunten oplevert, is er geen plaats voor nader onderzoek naar de klacht. De
raad zal het verzet daarom ongegrond verklaren.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart het verzet ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. M. Kemmers en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026