ECLI:NL:TADRAMS:2026:52 Raad van Discipline Amsterdam 25-519/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:52 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 13-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-519/A/A |
| Onderwerp: | Tuchtprocesrecht, subonderwerp: Hoger beroep niet mogelijk |
| Beslissingen: | Overige (tussen)beslissingen |
| Inhoudsindicatie: | Tussenbeslissing; verzet gegrond; zaak wordt voor nader onderzoek terugverwezen naar de deken. |
Tussenbeslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 maart 2026
in de zaak 25-519/A/A
naar aanleiding van het verzet tegen de beslissing van de plaatsvervangend voorzitter
van de raad van discipline van 22 september 2025 op de klacht van:
klaagsters
gemachtigden: mrs. R. de Bree en Y. Buruma
over:
verweerster
gemachtigde: mr. E. Krikke
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 3 februari 2025 hebben klaagsters bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 4 augustus 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2450280/JS/BF
van de deken ontvangen.
1.3 Bij beslissing van 22 september 2025 heeft de (plaatsvervangend) voorzitter
van de raad (hierna: de voorzitter) de klacht met toepassing van artikel 46g, lid
1 onder a Advocatenwet gedeeltelijk niet-ontvankelijk verklaard en, met toepassing
van artikel 46j Advocatenwet, gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk
niet-ontvankelijk verklaard. Deze beslissing is op dezelfde datum verzonden aan partijen.
1.4 Op 21 oktober 2025 is namens klaagsters verzet ingesteld tegen de beslissing
van de voorzitter. De raad heeft het verzetschrift op dezelfde datum ontvangen.
1.5 Op 2 januari 2026 is namens verweerster een schriftelijke reactie gegeven
op het verzet.
1.6 Het verzet is behandeld op de zitting van de raad van 26 januari 2026. Daarbij
waren namens klaagsters hun gemachtigden aanwezig. Ook was verweerster met haar gemachtigde
aanwezig.
1.7 De raad heeft kennisgenomen van de beslissing van de voorzitter waartegen
het verzet is gericht, van de stukken waarop de voorzittersbeslissing is gebaseerd,
van het verzetschrift en de schriftelijke reactie van verweerster van 2 januari 2026.
2 BEOORDELING
Feiten en klachtomschrijving
2.1 De raad verwijst voor een weergave van de feiten en de omschrijving van de
klacht naar de beslissing van de voorzitter. Tegen de vaststaande feiten en de klachtomschrijving
komen klaagsters in verzet niet op.
Beslissing van de voorzitter
2.2 De beslissing van de voorzitter van 22 september 2025 luidt – samengevat
– als volgt. Ten aanzien van klachtonderdelen a) en b) heeft de voorzitter allereerst
beoordeeld of de klacht tijdig is ingediend. Daarbij is overwogen dat een klacht op
grond van artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet moet worden ingediend binnen drie
jaar nadat de klager bekend is geworden met de feiten waarop de klacht betrekking
heeft. De voorzitter heeft vastgesteld dat de verwijten in (i) klachtonderdeel a)
voor zover deze betrekking hebben op de uitlatingen tijdens de zitting bij het gerechtshof
’s-Hertogenbosch op 24 januari 2022 over het UBO-schap van X in aanwezigheid van verweerster,
en (ii) klachtonderdeel b) over het optreden van verweerster namens X zonder machtiging,
alle betrekking hebben op gedragingen waarvan klaagsters op dat moment kennis hadden.
Volgens de voorzitter is niet gesteld of gebleken dat klaagsters pas op een later
moment bekend zijn geworden met deze feiten of met de gevolgen daarvan. Nu klaagsters
hun klacht pas op 3 februari 2025 hebben ingediend, is de wettelijke klachttermijn
overschreden. Geen sprake is van bijzondere of verschoonbare omstandigheden die deze
termijnoverschrijding rechtvaardigen. Klachtonderdeel a) als hiervoor bedoeld, en
klachtonderdeel b) zijn geheel niet-ontvankelijk verklaard.
2.3 Voor zover klachtonderdeel a) nog betrekking heeft op het optreden van verweerster
tijdens de zitting bij de voorzieningenrechter van de rechtbank Rotterdam op 21 november
2022, heeft de voorzitter dit inhoudelijk beoordeeld. Klaagsters verwijten verweerster
dat zij de voorzieningenrechter onjuist, althans onvolledig, heeft geïnformeerd door
namens haar cliënten te stellen dat de vrouw sinds begin 2020 UBO van X was. Volgens
klaagsters wist verweerster of had zij moeten weten dat deze mededeling onjuist was.
De voorzitter heeft overwogen dat verweerster gemotiveerd heeft aangevoerd dat zij
deze informatie had ontvangen van haar cliënten en hun buitenlandse advocaten en dat
zij op basis daarvan dit standpunt heeft uitgedragen. Gelet op het toepasselijke toetsingskader
mocht verweerster uitgaan van de juistheid van die informatie. Dat klaagsters deze
stelling in rechte hebben betwist, brengt niet mee dat verweerster had moeten aannemen
dat de informatie onjuist was, of dat zij zich had moeten onthouden van het innemen
van dit standpunt. Van een uitzonderingssituatie waarin verweerster gehouden was de
juistheid van de informatie nader te verifiëren, is de voorzitter niet gebleken. De
voorzitter heeft daarbij benadrukt dat de inhoudelijke juistheid van het ingenomen
standpunt niet ter beoordeling staat in het tuchtrecht. Dit onderdeel van klachtonderdeel
a) is daarom door de voorzitter kennelijk ongegrond verklaard.
2.4 Ten aanzien van klachtonderdeel c) heeft de voorzitter, ten slotte, overwogen
dat klaagsters verweerster verwijten dat zij haar cliënten niet (tijdig) heeft geïnformeerd
over de zogenaamde Paulianabrief van 11 juli 2022. De voorzitter heeft geoordeeld
dat de verplichting om haar cliënten te informeren, zoals neergelegd in gedragsregel
16 lid 1, betrekking heeft op de rechtsverhouding tussen advocaat en cliënt. Klaagsters
zijn in dit verband wederpartij en hebben hooguit een afgeleid belang bij de naleving
van deze mededelingsplicht. Dat is onvoldoende voor ontvankelijkheid. Klachtonderdeel
c) heeft de voorzitter daarom kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.
Verzet
2.5 De gronden van het verzet tegen voornoemde beslissing van de voorzitter houden,
zakelijk weergegeven, het volgende in:
2.6 Klaagsters stellen allereerst dat de voorzitter ten onrechte heeft geoordeeld
dat klachtonderdeel a), voor zover dit gaat over de mededeling op de zitting van 24
januari 2022 en klachtonderdeel b) te laat zijn ingediend. Klaagsters hadden deze
klachten namelijk al op 15 oktober 2024 ingediend bij de deken. Tegelijk met het indienen
van deze klachtonderdelen - die nadien niet meer inhoudelijk zijn gewijzigd - hadden
klaagsters bij de deken destijds ook een verzoek tot nader onderzoek naar mogelijk
ander laakbaar handelen door verweerster ingediend. Op verzoek van de deken hebben
klaagsters toen het verzoek tot nader onderzoek losgekoppeld van de klachten en dit
nog apart ingediend. (De advocaat van) klaagsters meende(n) dat de hiervoor bedoelde
klachtonderdelen nog altijd ter behandeling voorlagen bij de deken. De deken dacht
op haar beurt dat klaagsters van de klachten hadden afgezien. In elk geval leidt dit
ertoe dat de klachtonderdelen al in oktober 2024 en daarmee tijdig zijn ingediend.
Dat de klacht vervolgens - op verzoek van de deken - hernieuwd is ingediend op 3 februari
2025 maakt dit niet anders. Klaagsters zijn ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard
in de klacht.
2.7 Bovendien menen klaagsters dat de driejaarstermijn niet (zonder meer) op
24 januari 2022 is gestart. Dat laat zich als volgt toelichten.
2.8 In klachtonderdeel a) is geklaagd over het handelen van verweerster in november
2022. Dat handelen is, zo menen klaagsters, laakbaar vanwege kennis die verweerster
in de periode daarvoor had opgedaan, onder meer ter zitting van 24 januari 2022. Voor
de start van de driejaarstermijn dient echter aangesloten te worden bij het moment
van het verweten handelen zelf: november 2022.
2.9 In klachtonderdeel b) is geklaagd over het handelen van verweerster op de
zitting van 24 januari 2022, alwaar verweerster zonder machtiging of instructie optrad
voor X. Klaagsters wisten dat op dat moment echter (nog) niet en konden dat redelijkerwijs
ook niet weten; zij mochten er in beginsel immers op vertrouwen dat de advocaat van
hun wederpartij gemachtigd was. Klaagsters konden redelijkerwijs pas op de hoogte
zijn van het ontbreken van de machtiging toen zij de stukken uit Liechtenstein ontvingen.
Die ontvingen zij in september 2023 en februari 2024. In beide gevallen begon de driejaarstermijn
dus (ruim) na 24 januari 2022. De klachten zijn om die reden niet tardief.
2.10 Voor wat betreft het verwijt in klachtonderdeel a) (overig) dat luidt dat
verweerster op de zitting van 21 november 2022 de voorzieningenrechter onjuist c.q.
onvolledig heeft geïnformeerd, zijn klaagsters van mening dat de beslissing van de
voorzitter te kort door de bocht is. Volgens klaagsters had verweerster - zoals bij
klacht uitvoerig is toegelicht - op basis van een aantal bronnen ernstig moeten twijfelen
aan het standpunt van haar cliënten.
2.11 Tot slot stellen klaagsters over klachtonderdeel c) dat de voorzitter ten
onrechte heeft geoordeeld dat klaagsters slechts een afgeleid belang hebben bij de
naleving van de mededelingsplicht van verweerster over de Paulianabrief. Klaagsters
menen dat zij wel degelijk rechtstreeks in hun belangen zijn geschaad doordat de Paulianabrief
niet aan (bestuurders van) X is doorgestuurd. Klaagsters mochten immers erop vertrouwen
dat verweerster de Paulianabrief naar al haar (gestelde) cliënten zou doorsturen,
inclusief X. Klaagsters hadden, gelet op de aard van die brief, een groot belang dat
die brief werd doorgestuurd en hebben, zoals toegelicht in de klacht, zelf schade
geleden doordat de brief niet is doorgestuurd. De brief had X en haar (voormalig)
bestuurder immers moeten weerhouden van de overdracht van de aandelen. Richting klaagsters
hebben X en de voormalig bestuurder aangegeven dat zij, als zij wel waren geïnformeerd
over de lopende procedure en de Paulianabrief, anders zouden hebben gehandeld. Bovendien
mochten klaagsters, gelet op Gedragsregel 25, zich niet rechtstreeks tot X wenden.
Als de voorzittersbeslissing in stand zou blijven zou dat het onverkwikkelijke gevolg
hebben dat klaagsters ‘door de kat en de hond gebeten zouden worden’, immers:
(i) klaagsters mochten dan niet anders handelen dan nu gedaan;
(ii) terwijl X zich mag blijven verweren met de stelling dat zij de Paulianabrief
niet heeft ontvangen;
(iii) verweerster wordt tuchtrechtelijk gevrijwaard omdat haar (gestelde) cliënt
- die er geen belang bij heeft te klagen omdat zij juist baat had bij het niet-doorsturen
- geen klacht zal indienen.
Reactie verweerster
2.12 Volgens verweerster kan het verzet niet slagen. Allereerst voert verweerster
over de tijdigheid van klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en b) aan dat dat zij nu
geconfronteerd wordt met klachten die zien op handelingen die meer dan drie jaar geleden
hebben plaatsgevonden. Verweerster heeft inderdaad in oktober 2024 van klaagsters
een afschrift van een brief gericht aan de deken ontvangen. Zij heeft echter naar
aanleiding van die brief nooit een vervolgbericht van de deken ontvangen en ging er
tot het verzetschrift dan ook vanuit dat de onderhavige klachtprocedure was aangevangen
met de klachtbrief van 3 februari 2025, en dus buiten de termijn.
2.13 Ten aanzien van de klachtonderdeel b (indien tijdig) en klachtonderdeel
c) geldt volgens verweerster dat klaagsters op omslachtige wijze proberen een belang
te reconstrueren. Dat belang ontbreekt volgens verweerster. Dat geldt in de eerste
plaats ten aanzien van de stelling dat verweerster X zonder machtiging zou hebben
vertegenwoordigd. Het bestaan van een advocaat-cliënt relatie tussen X enerzijds en
verweerster anderzijds, alsmede de invulling van die relatie, is iets wat per definitie
alleen verweerster en haar cliënte aangaat. Klaagsters hebben hierbij per definitie
geen belang. Dat zou slechts anders kunnen zijn indien sprake zou zijn van opzettelijk
handelen van verweerster waarvan klaagsters nadeel zouden hebben ondervonden. Daarvan
is geen sprake.
2.14 Dit geldt ook ten aanzien van het niet doorsturen van de Paulianabrief aan
X (klachtonderdeel c)). Klaagsters stellen dat hun belang is gelegen in het feit dat
als X en haar bestuurder wél zouden zijn geïnformeerd over de lopende procedure en
Paulianabrief, zij op een andere wijze zouden hebben gehandeld. De zoon zou volgens
klaagsters in dat geval niet in staat zijn geweest een vermogensbestanddeel weg te
sluizen en verhaal zou dan mogelijk zijn geweest. Deze stellingen zijn echter volgens
verweerster niet onderbouwd.
Oordeel ten aanzien van het verzet
2.15 Voordat de raad de klacht inhoudelijk kan beoordelen moet sprake zijn van
een gegrond verzet. Een verzet is alleen gegrond als in redelijkheid moet worden betwijfeld
of de beslissing van de voorzitter juist is. Twijfel kan bijvoorbeeld bestaan als
de voorzitter een verkeerde maatstaf (toetsingsnorm) heeft toegepast of de beslissing
heeft gebaseerd op onjuiste of onvolledige feiten.
2.16 Klaagsters hebben onderbouwd betoogd dat zij al eerder, namelijk bij brief
van 15 oktober 2024, een (gelijkluidende) klacht hebben ingediend bij de deken. Verweerster
heeft ter zitting bevestigd dat zij destijds inderdaad een afschrift van een klachtbrief
van klaagsters aan de deken heeft ontvangen, maar dat zij daarover nadien niets meer
heeft gehoord. Over deze kwestie is in de aanbiedingsbrief van de deken niets vermeld.
De voorzitter heeft deze informatie ook niet meegenomen in haar beslissing van 22
september 2024. Zou echter de onderhavige klachtonderdelen a) (gedeeltelijk) en b)
(volledig) geacht moeten worden al op 15 oktober 2024 te zijn ingediend, dan zouden
zij, anders dan de voorzitter heeft beslist, ontvankelijk zijn en inhoudelijk beoordeeld
kunnen worden. Dit betekent dat onvoldoende is komen vast te staan dat de voorzitter
bij de beoordeling van de klacht de juiste maatstaf heeft toegepast en rekening heeft
gehouden met alle relevante feiten en omstandigheden van het geval. Het verzet is
gegrond.
2.17 De raad heeft ook twijfels of de juiste maatstaf is toegepast en alle relevante
feiten en omstandigheden zijn meegenomen bij de beoordeling door de voorzitter van
de klachtonderdeel a) voor zover dit gaat over de mededelingen van verweerster op
de zitting van de voorzieningenrechter van 21 november 2022 en klachtonderdeel c,
over de vraag of klaagsters een (rechtstreeks) belang hebben bij de naleving van de
mededelingsplicht van verweerster over de Paulianabrief. Mede in het licht van wat
in het verzetschrift is vermeld behoeven ook deze klachtonderdelen naar het oordeel
van de raad een nader debat.
Oordeel ten aanzien van de klacht
2.18 Nu het verzet gegrond is, dient de raad de klacht te beoordelen.
2.19 Hiervoor acht de raad het allereerst van belang dat duidelijkheid wordt
verschaft (i) over de gang van zaken rondom de indiening van de eerdere klachtbrief
van 15 oktober 2024 van klaagsters bij de deken, (ii) over de vraag of deze brief
dezelfde klachtonderdelen betrof en (iii) of het moment van ontvangst van deze klachtbrief
niet als moment van indiening van (een deel van) de onderhavige klachten moet worden
aangemerkt.
2.20 De raad ziet daarom aanleiding om de zaak eerst terug te verwijzen naar
de deken met het verzoek hiernaar onderzoek te doen en de raad op deze punten schriftelijk
te informeren. Na ontvangst van de bevindingen van de deken zal de raad de klacht
op een nieuwe zitting plannen voor een hernieuwde beoordeling van de klacht.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het verzet gegrond;
- verwijst de zaak terug naar de deken met het verzoek de raad schriftelijk te informeren zoals hiervoor in 2.19 en 2.20 bedoeld;
- bepaalt dat de deken uiterlijk op 9 april 2026 aan de raad zal rapporteren over het aanvullende onderzoek;
- houdt iedere verdere beslissing aan.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, voorzitter, mrs. M. Kemmers en T. Felix, leden, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026