ECLI:NL:TADRAMS:2026:51 Raad van Discipline Amsterdam 26-065/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:51 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-03-2026 |
| Datum publicatie: | 13-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-065/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in nalatenschapskwestie. Verweerder heeft in het verzoekschrift in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen de standpunten van zijn cliënten naar voren gebracht. De voorzitter begrijpt dat klager zich door de inhoud van het verzoekschrift en de daarin gedane uitlatingen over zijn persoon beledigd voelt, maar is van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen geen sprake is geweest. De uitlatingen zijn gedaan in de context van een verzoekschriftprocedure over de schorsing dan wel het ontslag van klager als executeur-testamentair van de nalatenschap van de moeder van partijen. In dat kader stond het verweerder vrij om de standpunten van zijn cliënten te formuleren zoals hij dat heeft gedaan op grond van de informatie die hij voor dat doel van zijn cliënten heeft gekregen. Klager kan tegen de gebruikte informatie en de daarop gebaseerde standpunten van zijn broer en zus verweer voeren in de verzoekschriftprocedure en het is uiteindelijk aan de civiele rechter om daarover te oordelen. De klacht is kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline
in het ressort Amsterdam
van 9 maart 2026
in de zaak 26-065/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 23 januari 2026 met kenmerk 2482390/EvR/FS, door de raad ontvangen op 23 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 05.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 6 februari 2025 is de moeder van klager (hierna ook: de overledene) overleden.
De begrafenis is verzorgd door vereniging het Joodse Begrafeniswezen te Amsterdam
(het JBW). Klager is de executeur-testamentair van de nalatenschap van zijn overleden
moeder.
1.2 Tussen klager, zijn broer en zijn zus is een geschil ontstaan over de nalatenschap
van de overledene en de rol van klager als executeur-testamentair.
1.3 Op 11 maart 2025 heeft verweerder namens de broer en zus van klager aan klager
een verzoekschrift ex artikel 4:149 lid 2 BW gestuurd voor de schorsing c.q. ontslag
van klager als executeur van de nalatenschap. Verweerder is ook voorzitter van het
bestuur van het JBW. In het verzoekschrift is het volgende vermeld:
‘3. De onderlinge verhoudingen tussen enerzijds verzoekers en anderzijds [klager]
zijn al geruime tijd ernstig verstoord. In het vervolg van dit verzoekschrift zal
daar nader op worden ingegaan, maar de verstoorde relatie was met name het directe
gevolg van een vermoeden (door verzoekers) van (ernstig) financieel misbruik van de
moeder van partijen door [klager]. Verzoekers en [klager] hadden dan ook geen enkel
contact, in ieder geval vanaf 2012 niet meer. Contact tussen verzoekers en erflaatster
was de laatste jaren ook slecht, omdat [klager] dit contact bemoeilijkte en blokkeerde.
4. Verzoekers hebben er recht en belang bij om [klager] te schorsen c.q.
te ontslaan als executeur van de nalatenschap van erflaatster. Zulks wegens gewichtige
redenen. Er is naar de mening van de verzoekers (nu al) sprake van een serieus ernstig
tekort schieten in de nakoming van de wettelijke verplichtingen als executeur. Bovendien
hebben verzoekers er – op goede gronden – geen enkel vertrouwen in dat [klager] in
staat is afwikkeling van de nalatenschap in goede banen te leiden. Daarbij komt dat
[klager] zich schuldig heeft gemaakt aan financieel misbruik van erflaatster en/of
heeft hij frauduleuze handelingen verricht uit naam van erflaatster. Dit alles in
samenhang bezien levert voldoende grond op om [klager] te schorsen c.q. te ontslaan
als executeur.
(…)
7. Erflaatster, een kwetsbare bejaarde dame, had vanwege de (afhankelijks)positie
die [klager] zichzelf had verschaft weinig (meer) te zeggen. Zij was afhankelijk van
[klager] en omdat [klager] bij haar inwoonde stond zij onder constante druk van [klager].
Die druk veroorzaakte een verslechterde band tussen erflaatster en verzoekers. Het
contact tussen verzoekers en hun moeder verwaterde en er was zodoende in de laatste
jaren van erflaatsters leven nog maar sporadisch contact met (…).
(…)
9. Over de jaren heen probeerden verzoekers de zorgelijke situatie te ‘managen’
door op de spaarzame momenten dat verzoekers alleen waren met moeder, [klagers] positie
in het leven van moeder te bespreken met erflaatster. (…) probeerde tot zijn moeder
door te dringen. Helaas zonder resultaat. Als (…) telefonisch een bezoek aan zijn
moeder aankondigde, zorgde [klager] ervoor dat hij niet aanwezig was in de woning.
Bij een onverwachts bezoek van (…) glipte [klager] stilletjes het huis uit. [Klager]
vermeed ieder contact met zijn broer en zus. Steeds als het erop leek dat tot erflaatster
was doorgedrongen, nam [klager] de regie weer over en zette hij erflaatster onder
druk. Doordat [klager] bij erflaatster woonde was het zo goed als onmogelijk invloed
uit te oefenen op erflaatster.
(…)
13. Omdat de bank de bankoverboekingen niet vertrouwde nam de bank voor het
eerst contact op met (…) op (…). (…) schrok van de mededeling van de bank omdat hij
zijn zuster nimmer opdracht, laat staan toestemming, had gegeven voor de verrichte
betalingen. Uit de omschrijvingen bij de betalingen zou het gaan om terugbetalingen
van een door (…) aan [klager] verstrekte lening. Er was echter nimmer sprake van een
lening. De betalingen waren dan ook onrechtmatig verricht.
(…)
16. Uit andere bankafschriften van juli 2012 (…) blijkt verder dat de geldbedragen
die van de rekening van (…) naar [klager] werden overgemaakt, eerst (…) van een rekening
op naam van erflaatster aan (…) zijn overgemaakt. Bij de omschrijving van die betalingen
staan dat het om een lening (…) zou gaan. Er was echter (…) geen sprake van een lening.
Wat [klager] precies wilde bereiken met de verschillende geldstromen is verzoekers
niet duidelijk, maar vaststaat dat er destijds verdachte en dubieuze bankbetalingen
zijn verricht van bankrekeningen op naam van erflaatster en (met misbruik van volmachten)
(…). Hoe dan ook heeft [klager] zich op onrechtmatige wijze verrijkt (…) met gelden
van erflaatster en/of (…).
(…)
17. Na het incident van 2012 hebben verzoekers, maar ook de familie van (…),
geprobeerd verhaal te halen bij erflaatsters en [klager]. [Klager] hield de deuren
echter gesloten. Als verzoekers of de familie van (…) contact probeerde op te nemen,
dan konden zij rekenen op tirades, bedreigingen of scheldpartijen van [klager]. (…)
en zijn familie hebben er destijds na lang wikken en wegen voor gekozen geen procedure
te starten tegen erflaatsters en/of [klager]. (…) hield van zijn zuster en zag met
lede ogen aan dat en hoe zij slachtoffer was geworden van haar zoon. Omdat (…) in
die jaren ook al op gevorderde leeftijd was had hij de mentale kracht niet (meer)
het (juridisch) gevecht met [klager] aan te gaan. Hij liet de zwendel dus rusten.
Wel heeft (…) tegen het einde van zijn leven een ‘Affidavit’ (…) laten opstellen waaruit
blijkt dat hij (1) zijn zuster nimmer toestemming heeft gegeven leningen te verstrekken
aan [klager], (2) zijn zuster nimmer toestemming heeft gegeven een bankpas van zijn
rekening aan [klager] te geven, (3) niet de fax van 13 augustus 2012 heeft geschreven/verzonden,
(4) op 13 augustus 2012 in Griekenland was en nooit een fax vanuit Tel Aviv heeft
kunnen sturen en (5) nooit van zijn zuster of haar echtgenoot een lening heeft verkregen
die in 2012 aan hem zou zijn terugbetaald.
18. De belangrijkste conclusie uit de Affidavit van (…) is dat er geen sprake
is geweest van een lening tussen hem en zijn zuster. Dat betekent dat de gelden die
in juli 2012 van de bankrekening van erflaatster aan haar broer (…) zijn overgemaakt
zonder enige (rechts)grond of titel zijn verricht. Die gelden zijn uiteindelijk onder
de noemer ‘lening’ bij [klager] terecht gekomen. Onderaan de streep is dan de conclusie
dat [klager] zijn moeder bijna een miljoen euro afhandig heeft gemaakt.
(…)
20. Het incident uit 2012 was dus een voorval dat voor een definitieve breuk
tussen [klager] en de rest van de familie zorgde. Voor het onderhavige verzoek is
het incident uit 2012 relevant. Het kleurt in hoe het er aan toeging in die jaren,
maar ook in de jaren erna. Erflaatster was de 80 jaar al gepasseerd en [klager] had
de volledige macht over het leven van zijn moeder overgenomen. Hij beheerde haar banken
en die van (…). Door misbruik te maken van de machtigingen die door (…) aan erflaatster
waren verstrekt, pleegde [klager] bovendien fraude die ook nog eens op het conto van
zijn moeder werd geschreven. Met alle gevolgen van dien. Erflaatster werd op hoge
leeftijd geconfronteerd met beslagleggingen en gerechtelijke procedures. Bovendien
werd erflaatster gedwongen de bank (…) te verlaten.
21. Verzoekers hebben de stellige overtuiging dat [klager] ook – ten tijde van
het leven van de moeder – ander financieel misbruik heeft gemaakt van het vermogen
van erflaatster. Overigens is in dit kader nog relevant dat ook volgens de eigen stellingen
van [klager] hij het volledige (financiële) beheer van erflaatster in handen had.
Dit laatste blijkt uit een schrijven van [klager] gedateerd 6 februari 2025. In de
het vervolg van dit verzoekschrift zullen verzoekers nader ingaan op deze brief.
22. Een verstoorde familierelatie tussen kinderen en een erflater, waarbij één
van die kinderen executeur in de nalatenschap is, is an sich een voldoende gewichtige
reden voor schorsing c.q. ontslag van een executeur. Zeker als die executeur betrokken
is geweest bij verdachte en frauduleuze handelingen uit naam van de overledene. Er
is echter meer. Er zijn ook andere gronden om [klager] te schorsen c.q. te ontslaan
als executeur. Daartoe geldt het volgende.
(…)
29. Welnu, [klager] heeft geen seconde gewacht om verzoekers duidelijk te maken
dat een normale verstandhouding tussen executeur en verzoekers niet mogelijk is. Op
een moment dat erflaatster nog niet eens begraven was, zette [klager] – enkele uren
na het overlijden – op ongekende wijze keihard de aanval in jegens verzoekers. Hierbij
wordt ten overvloede opgemerkt dat [klager] niet eens aanwezig was bij de begrafenis
van moeder. Erflaatster was op het einde van haar leven opgenomen in een hospice.
Toen moeder was overleden hebben medewerkers van het hospice geprobeerd contact op
te nemen met [klager]. Maar [klager] was onbereikbaar. In plaats van zich bezighouden
met het regelen van de begrafenis (…) klom hij in de pen en schreef hij de (brand)brief
van 6 februari 2025. (…) [Klager] was in geen velden of wegen te bekennen. Hij had
het te druk met het schrijven van de brief, waarmee hij op voorhand een volledig verstoorde
relatie tussen executeur en de erven creëerde. Nog een saillant detail over het tijdstip
van het versturen van de brief door [klager] is dat deze slechts 4 uur na het overlijden
werd toegezonden aan verzoekers. Verzoekers hebben dan ook de stellige overtuiging
dat de (uitgebreide) brief al gereed lag voor ‘het geval dat….’.
(…)
32. Verzoekers menen dat los van de inhoud van de brief van 6 februari 2025
ook het incident uit 20212 met de banktegoeden van de brief van erflaatster een gewichtige
reden is om [klager] te schorsen c.q. te ontslaan. Zoals eerder in dit verzoekschrift
uiteen is gezet had [klager] de volledige zeggenschap over de financiën van moeder
toen zijn nog leefde. Verzoekers hebben meerdere aanwijzingen dat [klager] daar misbruik
van heeft gemaakt. Het incident in 2012 met de broer van erflaatster en de ABN-Amro
illustreert dit.
33. Verzoekers hebben bovendien recht en belang onderzoek te doen naar de financiële
handel en wandel van erflaatster ten tijde van haar leven. En dan met name de laatste
levensjaren van erflaatster, toen zij de 90-jaar al was gepasseerd. Als hun vermoeden
klopt dat [klager] de volledige beschikking had over de bankgegevens en toegang had
tot de bankrekeningen van erflaatster, dan is zeer waarschijnlijk dat [klager] – zoals
hij dat in 2012 heeft gedaan – dubieuze handelingen heeft verricht met de bankrekeningen
van erflaatster, althans en in ieder geval willen verzoekers dit laten onderzoeken.
(…)’
1.4 Op 26 maart 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder heeft gehandeld
in strijd met gedragsregels 2 (onafhankelijkheid), 7 (geen ongepaste uitlatingen),
9 (kenbaarheid hoedanigheid advocaat) en 10 (verenigbaarheid van activiteiten) en
dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel
46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende:
a) verweerder heeft zijn onafhankelijkheid als advocaat in gevaar gebracht door
naast het bijstaan van de broer en zus van klager als advocaat ook voorzitter te zijn
van het JBW en lid van de ‘Chewra Kadisha’ die verantwoordelijk is voor rituele wassing
van het lichaam van de overledene;
b) verweerder heeft onduidelijkheid laten bestaan over de hoedanigheid waarin
hij heeft opgetreden;
c) verweerder heeft zich in het verzoekschrift onnodig grievend over klager uitgelaten;
d) verweerder heeft zich gebaseerd op niet-onderbouwde verklaringen van zijn
cliënten. Daarmee heeft verweerder gehandeld in strijd met de minimale onderzoeksplicht
die als advocaat op hem rust.
3 VERWEER
3.1 Verweerder voert verweer tegen de klacht en betwist dat hij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband voert verweerder aan dat zijn nevenfunctie
van voorzitter van het JBW niets te maken heeft met zijn werkzaamheden als advocaat.
Het is verweerder onduidelijk welk misverstand ten opzichte van zijn cliënten en/of
anderen zou bestaan over de hoedanigheid waarin hij heeft opgetreden. Verder voert
verweerder aan dat hij niets van doen heeft gehad met de rituele wassing van de overledene
en/of de door JBW verrichte werkzaamheden.
Daarnaast betwist verweerder dat hij zich in het verzoekschrift onnodig grievend
over klager heeft uitgelaten en verweerder wijst erop dat de standpunten, ook die
van klager, die in de procedure naar voren zijn gebracht door de rechter inhoudelijk
beoordeeld zullen moeten worden.
Tot slot betwist verweerder dat hij namens zijn cliënten feiten heeft geponeerd
waarvan hij de onwaarheid kende of redelijkerwijs kon kennen. Volgens verweerder was
er ook geen aanleiding om te twijfelen aan het feitenmateriaal dat zijn cliënten hem
hebben verstrekt.
3.2 De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de
tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46
Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel
10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die
regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm
in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen
hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval
beoordeeld.
4.2 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle
advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen
cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang
van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen
van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen
zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten
niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel
van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is.
Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie
te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het
voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij
aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdeel a) is kennelijk niet-ontvankelijk
4.3 De voorzitter stelt voorop dat alleen de persoon of de rechtspersoon die
door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden
getroffen, het recht heeft om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet.
Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken
het recht om te klagen.
4.4 De voorzitter oordeelt dat klager geen rechtstreeks eigen belang heeft bij
zijn verwijt dat verweerder zijn onafhankelijkheid als advocaat in gevaar heeft gebracht
door naast zijn bijstand aan de broer en zus van klager ook voorzitter te zijn van
het JBW en lid van de ‘Chewra Kadisha’. Verweerder heeft een advocaat-cliëntrelatie
met de broer en zus van klager. Voor zover de nevenfuncties van verweerder al een
belemmering zouden zijn voor zijn bijstand aan de broer en zus van klager, hetgeen
verweerder uitdrukkelijk heeft betwist, is het aan zijn cliënten om daarover te klagen
en niet aan klager. Klachtonderdeel a) is dan ook kennelijk niet-ontvankelijk.
Klachtonderdeel b) is kennelijk ongegrond
4.5 De voorzitter kan op grond van het klachtdossier niet vaststellen dat verweerder
op enig moment onduidelijkheid heeft laten bestaan over zijn hoedanigheid van advocaat
in de door hem namens de broer en zus van klager gestarte verzoekschriftprocedure
over het ontslag van klager als executeur-testamentair. Voor zover klager er met zijn
verwijt op doelt dat verweerder naast zijn beroep van advocaat ook voorzitter is van
het JBW en lid van de ‘Chewra Kadisha’, kan de voorzitter niet vaststellen op welke
wijze deze nevenfuncties van verweerder bij klager of anderen zouden kunnen hebben
geleid tot onduidelijkheid over de hoedanigheid van verweerder als advocaat van de
broer en zus van klager. Verweerder heeft de gestelde onduidelijkheid uitdrukkelijk
betwist en het klachtdossier biedt daar ook geen enkel aanknopingspunt voor. Klachtonderdeel
b) is daarom kennelijk ongegrond.
Klachtonderdelen c) en d) zijn kennelijk ongegrond
4.6 De voorzitter stelt op grond van het overgelegde verzoekschrift van verweerder
vast dat hij daarin namens zijn cliënten in duidelijke en niet mis te verstane bewoordingen
de standpunten van zijn cliënten naar voren heeft gebracht. De voorzitter begrijpt
uit de klacht en de daarop door klager gegeven toelichting dat klager zich door de
inhoud van het verzoekschrift en de daarin gedane uitlatingen over zijn persoon beledigd
voelt, maar is van oordeel dat van onnodig grievende uitlatingen geen sprake is geweest.
De uitlatingen zijn gedaan in de context van een verzoekschriftprocedure over de schorsing
dan wel het ontslag van klager als executeur-testamentair van de nalatenschap van
de moeder van partijen. In dat kader stond het verweerder vrij om de standpunten van
zijn cliënten te formuleren zoals hij dat heeft gedaan op grond van de informatie
die hij voor dat doel van zijn cliënten heeft gekregen. Klager heeft onvoldoende concreet
gemaakt van welke feiten verweerder redelijkerwijs had kunnen weten dat die onjuist
waren en van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder de informatie van
zijn cliënten had moeten verifiëren, is niet gebleken. Klager kan tegen de gebruikte
informatie en de daarop gebaseerde standpunten van zijn broer en zus verweer voeren
in de verzoekschriftprocedure en het is uiteindelijk aan de civiele rechter om daarover
te oordelen. Klachtonderdeel c) en d) zijn op grond van het voorgaande kennelijk ongegrond.
Conclusie
4.7 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter klachtonderdeel a), met toepassing
van artikel 46j lid 1 onder b Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk verklaren
en klachtonderdelen b), c) en d), met toepassing van artikel 46j lid 1 onder c Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter:
- verklaart klachtonderdeel a), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
niet-ontvankelijk;
- verklaart klachtonderdelen b), c) en d), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door
mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 maart 2026