ECLI:NL:TADRAMS:2026:50 Raad van Discipline Amsterdam 26-077/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:50
Datum uitspraak: 02-03-2026
Datum publicatie: 09-03-2026
Zaaknummer(s): 26-077/A/NH
Onderwerp: Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Tijdverloop tussen gewraakte gedraging en indienen van de klacht
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht is niet-ontvankelijk vanwege overschrijding driejaarstermijn.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 2 maart 2026 (bij vervroeging)
in de zaak 26-077/A/NH

naar aanleiding van de klacht van:

  
klager

over:

verweerster

De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) van 29 januari 2026 met kenmerk re/ss/25-118/2476112, door de raad ontvangen op 29 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9. 
De raad heeft op 20 februari 2026 tweemaal nagezonden stukken van klager ontvangen, maar deze niet aan het procesdossier toegevoegd omdat zij buiten de termijn van veertien dagen zijn ingediend en daarom op grond van artikel 2.4.1 van het Landelijk Procesreglement voor klachten bij de raden van discipline te laat zijn. De stukken worden aan klager retour gezonden.   

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Verweerster heeft de ex-echtgenote van klager bijgestaan in de echtscheidingsprocedure. Bij niet gedateerde brief, door de deken ontvangen op 28 november 2024, heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. De deken heeft klager op 3 december 2024 verzocht zijn klacht verder te onderbouwen. Dat heeft klager bij brief van 16 december 2024 gedaan. Vervolgens heeft klager bij niet gedateerde brief (door de deken ontvangen op 3 maart 2025) opnieuw een klacht over verweerster ingediend. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: 
a)    partijdigheid en structurele discriminatie van de vader-man;  
b)    onjuiste advocaatkeuze en gebrek aan bemiddeling; 
c)    bemoeilijken van waarheidsvinding en onderzoek;  
d)    achterhouden of verdraaien van informatie richting instanties; 
e)    grievende uitlatingen zonder feitelijke basis; 
f)    voeren van procedures voor eigen financieel belang;
g)    misbruik van titels en institutioneel gebrek aan begrip. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in beginsel het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken) die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waarover de klacht gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager van die informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden. 
4.2    De klacht heeft betrekking op de bijstand van verweerster aan de ex-echtgenote van klager. Verweerster heeft onbetwist aangevoerd dat haar bijstand aan de ex-echtgenote in augustus 2021 is geëindigd. Klager heeft (voor het eerst) op 28 november 2024 een klacht ingediend. Dit betekent dat de klacht na het verstrijken van de driejaarstermijn en dus te laat is ingediend. 
4.3    Dat klager pas op een later moment kennis heeft genomen van verweersters handelen, is niet gesteld en blijkt evenmin uit het klachtdossier. De uitzondering uit het tweede lid is niet van toepassing. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen zijn, is de voorzitter niet gebleken. 
4.4    Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren. Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter niet toe. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    de klacht, met toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk. 

Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026. 


Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 2 maart 2026