ECLI:NL:TADRAMS:2026:5 Raad van Discipline Amsterdam 25-813/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:5 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-813/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; betreft een klacht over de advocaat wederpartij. Klaagster heeft geen rechtstreeks belang bij de verwijten dat verweerster klakkeloos standpunten van haar cliënte overneemt een daarmee niet onafhankelijk van haar cliënte optreedt, haar zorgvuldigheidsplicht schendt door een onvoldoende analyse te geven en haar cliënte onjuist juridisch advies geeft. Deze verwijten hebben betrekking op verweersters bijstand aan haar cliënte. Als wederpartij heeft klaagster geen bemoeienis met die bijstand en wordt zij hierdoor niet rechtstreeks in haar belangen getroffen. In zoverre is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk. Voor zover verweerster wordt verweten tegenstrijdige uitspraken te doen en daarmee haar waarheidsplicht te schenden, vertragend te werk te gaan en ontwijkend gedrag te vertonen, treffen deze verwijten ook geen doel. De klacht is voor het overige kennelijk ongegrond. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026
in de zaak 25-813/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 21 november 2025 met kenmerk 2485523/ER/AS, door de raad ontvangen op 21 november 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1 Klaagster was gedurende langere tijd distributeur van een bedrijf dat actief is in het vervaardigen van werkkleding (hierna: het bedrijf). In 2015 heeft klaagster met het bedrijf een agentuurovereenkomst gesloten voor het grondgebied Zwitserland en Liechtenstein.
1.2 Op enig moment heeft het bedrijf de agentuurovereenkomst met klaagster opgezegd met inachtneming van een opzegtermijn van zes maanden. Klaagster is van mening dat zij meerdere vorderingen heeft op het bedrijf omdat de agentuurovereenkomst volgens haar niet correct is afgewikkeld. Hierover is tussen klaagster en het bedrijf een geschil ontstaan.
1.3 Bij e-mail van 23 januari 2023 heeft klaagster het bedrijf over haar vorderingen aangeschreven. De vorderingen gaan samengevat over: (A) extra commissiebetaling van 3%, (B) extra klantenvergoeding, (C) marketingbijdrage, (D) bonus van 2%, (E) commissie over creditnota’s van het bedrijf aan haar klanten en (F) extra commissie voor verkopen door Duitse retailers van het bedrijf aan consumenten wonende op het grondgebied van klaagster.
1.4 Vanaf januari 2023 is verweerster voor het bedrijf gaan optreden en heeft zij bij brief van 7 februari 2023 namens het bedrijf gereageerd op de vorderingen van klaagster. Tussen partijen is vervolgens over het geschil gecorrespondeerd.
1.5 Naar aanleiding van een e-mail van klaagster van 12 maart 2025 waarin melding werd gemaakt van een ‘ongoing arbitration procedure’ bij het Nederlands Arbitrage Instituut (NAI) heeft verweerster contact opgenomen met het NAI.
1.6 Op 8 april 2025 heeft klaagster bij de deken een klacht ingediend over verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster neemt de standpunten van haar cliënte klakkeloos over en schendt daarmee de kernwaarde onafhankelijkheid;
b) verweerster doet tegenstrijdige uitspraken en schendt daarmee haar waarheidsplicht;
c) verweerster schendt haar zorgvuldigheidsplicht door een onvoldoende analyse van contractuele en economische feiten;
d) verweerster schendt haar loyaliteitsplicht door foutief juridisch advies te geven aan haar cliënten;
e) verweerster past namens haar cliënte herhaaldelijke vertragingen toe en vertoont ontwijkend gedrag;
f) verweerster weigert namens haar cliënte commissies en marketingbijdragen te betalen.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Maatstaf
4.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Ontvankelijkheid
4.2 De voorzitter zal eerst beoordelen of klaagster voor alle onderdelen van de klacht ontvankelijk is. Hiervoor is relevant dat het klachtrecht niet in het leven is geroepen voor iedereen, maar slechts voor degene die door het handelen of nalaten van een advocaat rechtstreeks in zijn (of haar) belang is of kan worden getroffen. Als in het algemeen belang een tuchtrechtelijke toetsing nodig is, kan de deken het klachtrecht uitoefenen.
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter heeft klaagster geen rechtstreeks eigen belang bij de klachtonderdelen a), c) en d). Klachtonderdeel a) betreft het verwijt dat verweerster klakkeloos standpunten van haar cliënte overneemt een daarmee niet onafhankelijk van haar cliënte optreedt. Klachtonderdeel c) betreft het verwijt dat verweerster haar zorgvuldigheidsplicht schendt door een onvoldoende analyse te geven van contractuele en economische feiten. Klachtonderdeel d) betreft het verwijt dat verweerster haar loyaliteitsplicht schendt door haar cliënte onjuist juridisch advies te geven. Deze verwijten hebben betrekking op de kwaliteit van dienstverlening van verweerster aan het bedrijf (haar cliënte). Het staat verweerster vrij om de belangen van haar cliënte te behartigen op een wijze die haar in samenspraak met haar cliënte geraden voorkomt. Als het bedrijf niet tevreden is over de bijstand van verweerster, is het aan haar hierover een klacht in te dienen. Als wederpartij heeft klaagster geen bemoeienis me
Inhoudelijk oordeel
4.4 In de overige klachtonderdelen wordt verweerster verweten tegenstrijdige uitspraken te doen en daarmee haar waarheidsplicht te schenden (klachtonderdeel b), vertragend te werk te gaan en ontwijkend gedrag te vertonen (klachtonderdeel e) en tot slot te weigeren om namens haar cliënte commissies en marketingbijdragen te betalen (klachtonderdeel f). Ook deze verwijten treffen naar het oordeel van de voorzitter geen doel.
4.5 De voorzitter stelt voorop dat het niet tot de taak van de tuchtrechter behoort om in het onderliggende geschil een oordeel te geven, maar dat in dit tuchtrechtelijk geschil uitsluitend beoordeeld wordt of verweerster zich in haar bijstand aan het bedrijf ten opzichte van klaagster heeft gedragen op een manier die niet passend is voor een behoorlijk handelend advocaat. De voorzitter benadrukt in dat verband dat aan verweerster een grote mate van vrijheid toekomt om de belangen van haar cliënte te behartigen op een wijze die haar passend voorkomt (toetsingskader rov. 4.1). Deze vrijheid mag niet ten gunste van een (processuele) wederpartij worden beknot, tenzij de belangen van die wederpartij nodeloos en op ontoelaatbare wijze worden geschaad. Die situatie doet zich hier niet voor.
4.6 Verweerster heeft terecht aangevoerd dat zij mocht uitgaan van de juistheid van de omzetgegevens van haar cliënte in het grondgebied en van de verschuldigde en betaalde commissie en betaalde marketingbijdrage. Het is de voorzitter niet gebleken van een uitzonderingssituatie waarin zij de juistheid van die informatie had moeten controleren. Ook heeft verweerster onderbouwd toegelicht dat zij klaagster op haar verzoek heeft bevestigd dat zij ook de advocaat is van het Amerikaanse bedrijf en dat dit bedrijf geen partij is in het geschil over de agentuurovereenkomst. Dat verweerster daarmee onjuiste informatie heeft verstrekt, is de voorzitter evenmin gebleken. Niet is derhalve komen vast te staan dat verweerster haar waarheidsplicht heeft geschonden door bewust onjuiste (of tegenstrijdige) informatie te verkondigen. Klachtonderdeel b) is dan ook kennelijk ongegrond.
4.7 Ook is de voorzitter op grond van de door klaagster aangeleverde stukken onvoldoende gebleken dat verweerster bewust vertragingstactieken heeft gehanteerd in het geschil met klaagster. Verweerster heeft op de e-mail van klaagster van 23 januari 2023 per brief van 7 februari 2023 (en daarmee binnen een niet ongebruikelijke termijn) inhoudelijk gereageerd. Ook overigens bevat het dossier onvoldoende aanknopingspunten voor de conclusie dat de door verweerster in acht genomen reactietermijnen duiden op bewust vertragend dan wel ontwijkend handelen. Verweerster heeft toegelicht dat het soms wat langer duurde voordat zij reageerde - bijvoorbeeld door de zomervakantie of vanwege het opmaken van jaarrekeningen door het bedrijf - omdat zij daarbij afhankelijk was van de financiële afdeling van het bedrijf. Daarmee heeft verweerster een plausibele verklaring gegeven voor soms langere reactietermijnen. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen is naar het oordeel van de voorzitter niet gebleken. Ook klachtonderdeel e) is kennelijk ongegrond.
4.8 Tot slot valt verweerster niet te verwijten dat zij (volgens klaagster) weigert om namens haar cliënte commissies en marketingbijdragen te betalen. De voorzitter begrijpt uit de stukken dat de verschuldigdheid hiervan partijen onder meer verdeeld houdt. Het is verweersters taak om hierin het standpunt van het bedrijf te verwoorden. De vraag welk standpunt hierin juist is valt buiten het bestek van deze tuchtrechtelijke procedure. Klachtonderdeel f) is daarmee eveneens kennelijk ongegrond.
4.9 Ook overigens is het de voorzitter niet gebleken dat verweerster in haar bijstand aan het bedrijf de grenzen van het betamelijke heeft overschreden. Voor zover klaagster verweerster nog heeft verweten dat zij contact heeft opgenomen met het NAI nadat klaagster had geschreven dat daar al een procedure liep, geldt dat het verweerster vrijstond dit in het belang van haar cliënte te doen en dat niet is gebleken dat verweerster buiten klaagster om inhoudelijk met het NAI over het geschil heeft gesproken.
4.10 Ook al hetgeen klaagster verder naar voren heeft gebracht kan de voorzitter niet tot een ander oordeel leiden. Gelet hierop zal de voorzitter de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, daarom gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk (klachtonderdelen a), c) en d)) en gedeeltelijk kennelijk ongegrond (klachtonderdelen b), e) en f)) verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
klachtonderdelen a), c) en d) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk niet-ontvankelijk;
klachtonderdelen b), e) en f) met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026