ECLI:NL:TADRAMS:2026:49 Raad van Discipline Amsterdam 25-903/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:49 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 09-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-903/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond. Verweerder heeft de belangen van klager behartigd met de zorgvuldigheid die van een redelijk bekwaam en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden verwacht. Verweerder heeft klager adequaat geïnformeerd over hoe klagers zaak ervoor stond en welk verweer het beste kon worden gevoerd om ontruiming te voorkomen. Dat verweerder klager niet in al zijn wensen en eisen heeft gevolgd, leidt niet tot de conclusie dat verweerder is tekortgeschoten in zijn dienstverlening. Aan verweerder komt als dominus litis immers de vrijheid toe de zaak te behandelen zoals hem dat juist voorkomt. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van
2 maart 2026
in de zaak 25-903/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 24 december 2025 met kenmerk 2497383/EvRT/FS, door
de raad ontvangen op 24 december 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
00 tot en met 05.
Nagezonden stukken
Klager heeft op 14 januari 2026 stukken nagezonden. Bij brief van 19 januari 2026
heeft de (griffier van de) raad deze geretourneerd en klager erop gewezen dat zijn
nagezonden stukken gelet op artikel 2.4.3 van het Landelijk Procesreglement voor klachten
bij de Raden van Discipline (hierna: het procesreglement) nagezonden stukken niet
meer dan 25 bladzijden mogen beslaan. Klager is tot 30 januari 2026 in de gelegenheid
gesteld de stukken opnieuw in te dienen met een maximum van 25 bladzijden.
Op 23 januari 2026 heeft verweerder stukken nagezonden, die aan het procesdossier
zijn toegevoegd.
Op 30 januari 2026 heeft klager uitstel verzocht voor het opnieuw indienen van de
eerdere nagezonden stukken. De voorzitter heeft ingestemd met een uitstel tot 9 februari
2026. Via een advocaat, die klager verder niet bijstaat, heeft klager bij e-mail van
3 februari 2026 opnieuw stukken ingediend die het maximum toegestane aantal van 25
bladzijden opnieuw overschreed.
Bij e-mail van 4 februari 2026 heeft verweerder bezwaar gemaakt tegen deze nagezonden
stukken van klager wegens strijd met de regels van het procesreglement. Daarnaast
heeft verweerder zelf opnieuw aanvullende stukken ingediend. De voorzitter stelt vast
dat verweerder hiermee voor een tweede keer nagezonden stukken heeft ingediend. Hoewel
dit in strijd is met artikel 2.4.1 van het procesreglement (waarin is bepaald dat
eenmaal stukken mogen worden overgelegd) heeft de voorzitter besloten dat deze stukken
van verweerder van 4 februari 2026 ook aan het procesdossier worden toegevoegd.
Daarnaast heeft de voorzitter besloten dat ook de nagezonden stukken van klager
van 3 februari 2026 aan het procesdossier worden toegevoegd. Dat betekent dat de voorzitter
kennisgenomen heeft van de volgende stukken:
- de nagezonden stukken van verweerder van 23 januari 2026 en 4 februari 2026;
- de nagezonden stukken van klager van 3 februari 2026.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 HVO-Querido is een organisatie die zich richt op het verlenen van uiteenlopende
vormen van maatschappelijke opvang en begeleid wonen in de regio Amsterdam. Klager
had op grond van een zorgindicatie recht op woonbegeleiding.
1.2 Tussen klager en HVO-Querido is met ingang van 8 januari 2018 een ‘Overeenkomst
zorg- en dienstverlening’ gesloten (hierna: de zorgovereenkomst).
1.3 HVO-Querido huurt van woningcorporatie Stadgenoot een woning in Amsterdam
die aan klager werd onderverhuurd. In de onderhuurovereenkomst was bepaald dat de
zorg- en dienstverlening en het in huur geven van de woonruimte onverbrekelijk met
elkaar verbonden zijn.
1.4 Op 16 mei 2024, 4 juni 2024 en 7 juni 2024 heeft HVO-Querido klager officiële
waarschuwingen gegeven voor zijn gedrag richting medewerkers van HVO-Querido. Daarnaast
heeft een medewerker van HVO-Querido in juni 2024 aangifte tegen klager gedaan.
1.5 Bij brief van 22 augustus 2024 heeft HVO-Querido de zorgovereenkomst en de
onderhuurovereenkomst met klager opgezegd. Naar aanleiding hiervan heeft klager zich
tot verweerder gewend. Bij e-mail van 30 augustus 2024 heeft verweerder aan klager
een opdrachtbevestiging gestuurd. Daarnaast heeft verweerder voor klager een toevoeging
aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand.
1.6 Omdat klager weigerde de woning vrijwillig te verlaten, heeft HVO-Querido
bij dagvaarding in kort geding van 4 september 2024 uithuiszetting gevorderd. Op 26
september 2024 was een zitting gepland.
1.7 In de aanloop naar de zitting heeft verweerder klager op 16 september 2024
het volgende meegedeeld:
“Het is niet zo dat HvO-Querido zich op de kort geding zitting (…) zal moeten verantwoorden
voor de verleende zorg, althans niet meer dan zijdelings. Het gaat er om of HvO-Querido
terecht de zorgovereenkomst heeft opgezegd.
De volgende stap is dan of u ontruimd kunt gaan worden. Gezien voorgaande uitspraken
van rechters in het verleden is dat het geval. De onderhuurovereenkomst wordt hoogstwaarschijnlijk
door de rechter gezien als ondergeschikt onderdeel van de zorgovereenkomst. Als de
zorgovereenkomst terecht ten eind komt, hebt u geen huurbescherming en kunt u eruit
worden gezet. Als de rechter u wil gaan ontruimen, is het de vraag op welke termijn.
HvO-Querido heeft al zelf in de dagvaarding opgemerkt dat u zeer kritisch bent over
de verleende zorg en dat u die niet meer wilt. Als u in verweer wilt stellen wat er
allemaal fout aan de zorg was, dan levert dat geen verweer op dat scoort. U geeft
hiermee HvO-Querido alleen maar gelijk.
Als er geen conclusie van antwoord met onderbouwing wordt ingediend, resteert alleen
nog een mondeling verweer van uw kant op de zitting. Die zitting is heel snel afgelopen.
De rechter zal niet de zorg van HvO Querido gaan bespreken. De rechter wil van u weten
of u het eens bent met wat er in de dagvaarding staat. En zo nee, of het volgens u
niet klopt en waarom dan niet, plus bewijs van uw kant dat u gelijk hebt.”
1.8 Op 23 september 2024 heeft verweerder klager een concept-conclusie van antwoord
gestuurd en hem verzocht om commentaar. Verweerder heeft in dat verband geschreven:
“Graag punt voor punt uw aanvullingen/wijzigingen van het concept voor de conclusie
van antwoord, plus al uw bewijs.
Op de zitting aanstaande donderdag moet u het verhaal van HvO-Querido in zijn geheel
onderuit hebben gehaald. Alles waar u niets over zegt, is voor de rechter waar, want
onbetwist.
Met losse opmerkingen over punten van onvrede kan de rechter niets. De doet er ook
niets mee. De rechter kijkt of het verhaal van HvQ-Querido in de dagvaarding klopt.
De rechter doet geen eigen onderzoek. Het is aan u om te zeggen waar het verhaal niet
klopt en dat ook zo mogelijk te bewijzen. Als u dat niet afdoende doet, gaat u eruit.”
1.9 Naar aanleiding van een telefoongesprek tussen klager en verweerder op 25
september 2024 heeft verweerder klager op 25 september 2024 (om11:39 uur) geschreven:
“We hadden telefonisch contact. Ik heb u gezegd dat ik in tijdnood kom.
U werd boos. U berichtte mij (met een krachtterm) dat u niet naar de zitting op
de rechtbank komt morgen op de zitting van 14.30 uur in het gerechtsgebouw aan de
Parnassusweg 280 te Amsterdam.
Van u heb ik ondanks herhaald verzoek geen commentaar gehad op het concept voor
de conclusie van antwoord. De stippellijnen zal ik wissen en de rest indienen.
Morgen ga ikzelf wel naar de zitting.”
1.10 Later die dag (om 12:18 uur) heeft verweerder klager verder geschreven:
“Hierbij de extra productie van de wederpartij die is ingediend. Het zijn recente
(13-16 juli 2024) e-mails met schelden van u naar [naam medewerker] van HvO-Querido.
U dreigt zelfs (15 juli om 23.01 uur met een scheermes te komen en laten zien wat
u bedoelt met geen levenslust te hebben.
Hiermee hebt u uw zaak geen goed gedaan.
Zojuist werd door u (in mijn afwezigheid) aan de secretaresse een medisch dossier
van u uit 2019-2021 afgegeven. De stukken zijn dus drie jaar oud. Het kort geding
gaat over de situatie nu en tot voor kort.
Het ontgaat mij wat u hiermee wilt aantonen. Ik ga het iets indienen als het niet
relevant is. Als advocaat word ik geacht te filteren. Een rechter moet niet worden
geïrriteerd met stukken zonder toegevoegde waarde.”
1.11 Op 26 september 2024 heeft de zitting plaatsgevonden. Klager is op de zitting
bijgestaan door verweerder. Bij vonnis van 10 oktober 2024 heeft de kantonrechter
geoordeeld dat klager binnen twee weken na betekening van het vonnis de woning moest
ontruimen.
1.12 Op 11 juni 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij nalatig is geweest door de verdediging niet te voeren zoals afgesproken,
ondanks betaling en duidelijke instructies. Dit heeft geresulteerd in de ontruiming
van klager.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Klager heeft ter onderbouwing van zijn klacht gesteld dat verweerder zijn
zaak ondanks betaling van zijn eigen bijdrage, niet heeft verdedigd zoals zij hadden
afgesproken. Klager had duidelijke instructies gegeven, maar verweerder heeft ter
zitting nagelaten enig verweer te voeren en toonde zich lacherig op de zitting. Dit
heeft ertoe geleid dat klager zijn woning heeft moeten verlaten. De passiviteit van
verweerder heeft (psychische) schade veroorzaakt bij klager. Klager wilde wel degelijk
zorg ontvangen, maar niet meer via HVO-Querido maar via een Persoonsgebonden Budget
(PGB). Klager wilde namelijk andere zorgverleners inschakelen. Verweerder heeft nagelaten
te vermelden dat HVO-Querido weigerde actief mee te werken aan klagers overstap naar
andere zorg. Daarover ging het conflict tussen klager en HVO-Querido en verweerder
heeft nagelaten dat te benoemen. Verweerder heeft een zeer beperkte conclusie van
antwoord ingediend zonder tegenvorderingen en zonder klagers belang centraal te stellen
en heeft ten onrechte de verantwoordelijkheid voor het gebrekkige verweer op klager
afgeschoven terwijl hij zelf op essentiële punten niets heeft ingebracht.
4.3 De voorzitter volgt klager niet in zijn verwijten en is van oordeel dat verweerder
de belangen van klager heeft behartigd met de zorgvuldigheid die van een redelijk
bekwaam en redelijk handelende advocaat in de gegeven omstandigheden mocht worden
verwacht. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder klager adequaat heeft geïnformeerd
over hoe klagers zaak ervoor stond en welk verweer het beste kon worden gevoerd om
ontruiming te voorkomen. Daarbij heeft verweerder klager er uitdrukkelijk op gewezen
dat de rechter hetgeen niet, of onvoldoende, wordt betwist als vaststaand zal aannemen.
4.4 Dat verweerder klager niet in al zijn wensen en eisen heeft gevolgd, leidt
niet tot de conclusie dat verweerder is tekortgeschoten in zijn dienstverlening. Aan
verweerder komt als dominus litis immers de vrijheid toe de zaak te behandelen zoals
hem dat juist voorkomt. Verweerder heeft toereikend toegelicht dat klager vol in de
tegenaanval wilde en kritiek had op de (aard en de kwaliteit van de) zorgverlening
door HVO-Querido, maar dat dit voor de beoordeling van het geschil dat voorlag niet
relevant was. Verweerder heeft klager hierop gewezen en hem blijkens de correspondentie
in het klachtdossier gemotiveerd toegelicht dat en waarom deze benadering niet in
het belang van zijn zaak was.
4.5 Verder heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat hij klager had verzocht
om commentaar te leveren op de dagvaarding van de wederpartij maar dat klager daarop
niet heeft gereageerd. Eveneens heeft verweerder onweersproken aangevoerd dat hij
zijn conclusie van antwoord in concept aan klager heeft toegezonden en dat klager,
ondanks herhaalde verzoeken daartoe, ook hierop geen (adequate) reactie heeft gegeven.
Dat verweerder slechts een beperkte conclusie van antwoord heeft kunnen opstellen,
kan hem onder deze omstandigheden niet worden tegengeworpen. Daarnaast heeft verweerder
onderbouwd uiteengezet dat sprake was van een zorgovereenkomst en niet van een huurovereenkomst
met huurbescherming en dat dit betekende dat met het einde van de zorgverlening ook
de onderliggende onderhuurovereenkomst van rechtswege zou eindigen.
4.6 Tot slot heeft verweerder toegelicht dat hij op de zitting het woord heeft
gevoerd, de argumenten naar voren heeft gebracht die hij had en niet meer kon doen
dan dat. De zaak viel inhoudelijk niet succesvol te verdedigen. Voor klagers stelling
dat verweerder lacherig was op zitting biedt het dossier verder geen aanknopingspunten.
Dat de kantonrechter uiteindelijk heeft geoordeeld dat klager de woning diende te
ontruimen, betreft een beslissing van de kantonrechter en die kan verweerder niet
worden aangerekend. Hetzelfde geldt voor de uitvoering van het vonnis door de deurwaarder.
4.7 Van enig tekortschieten in de dienstverlening van verweerder is gelet op
voorgaande geen sprake. Daarmee is de klacht kennelijk ongegrond. Al hetgeen klager
verder heeft gesteld, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 maart 2026