ECLI:NL:TADRAMS:2026:48 Raad van Discipline Amsterdam 26-033/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:48 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 02-03-2026 |
| Datum publicatie: | 09-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-033/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht is (kennelijk) niet-ontvankelijk. Er is sprake van misbruik van recht en van een schending van het ne bis in idem-beginsel. Deze klacht ziet (wederom) op het handelen van verweerder in het geschil tussen klager en F. Daarnaast is (ook) sprake van een overschrijding van de termijn zoals genoemd in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 2 maart 2026
in de zaak 26-033/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
gemachtigde: (.)
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
(hierna: de deken) van 14 januari 2026 met kenmerk 2506282/EvR/MvV, digitaal door
de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
01 tot en met 03.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager heeft in een geschil (gehad) met zijn voormalig werkgever (hierna:
F).
1.2 Verweerder staat F bij in de verschillende procedures betreffende dit geschil
met klager.
1.3 Klager heeft vier maal eerder een klacht tegen verweerder (en zijn kantoorgenoot)
ingediend bij de deken. Deze klachten zagen alle vier op de procedures betreffende
het geschil tussen klager en F.
1.4 De eerder door klager ingediende klachten tegen verweerder, bekend bij de
raad onder de zaaknummers 20-843/A/A, 20-979/A/A, 22-696 en 24-309/A/A zijn door (de
voorzitter van) deze raad (kennelijk) ongegrond, danwel niet-ontvankelijk verklaard.
1.5 In de zaaknummers 24-309/A/A en 24-311/A/A heeft de raad bij beslissing van
28 oktober 2024 onder 4.8 overwogen, voor zover relevant:
“Uit de gegeven toelichting van verweerders leidt de raad af dat klager het advocatentuchtrecht
gebruikt om zijn ongenoegen over zijn geschil met verweerders onder de aandacht te
blijven brengen. Zijn klachten gaan daarbij vrijwel steeds om dezelfde dan wel vergelijkbare
gedragingen die verweerders worden verweten. Geen van de door klager ingediende klachten
heeft tot gegrondverklaring van enig klachtonderdeel geleid. Klager moet er dan ook
rekening mee houden dat een volgende klacht over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen
niet meer in behandeling zal worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik
van recht.”
1.6 Op 15 juli 2025 heeft klager de onderhavige klacht tegen verweerder ingediend
bij de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder klachtwaardig te hebben gehandeld door in de ontslagprocedure in 2019 en
bij het uitvoeren van de vaststellingsovereenkomst onjuiste informatie te hebben verstrekt.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 De voorzitter stelt voorop dat klager er bij beslissing van 28 oktober 2024
door de raad reeds op is gewezen dat hij er rekening mee moest houden dat een volgende
klacht over (ongeveer) dezelfde feiten en gedragingen niet meer in behandeling zou
worden genomen door de deken en/of de raad vanwege misbruik van recht.
4.2 Daarnaast geldt in het tuchtrecht het zogenaamde “ne bis in idem-beginsel”,
dat is vastgelegd in artikel 47b Advocatenwet. Dit beginsel houdt in dat niet opnieuw
kan worden geklaagd over een gedraging van een advocaat waarover de tuchtrechter eerder
al (onherroepelijk) heeft geoordeeld. De achtergrond van dit beginsel is dat een advocaat,
over wie een klacht is ingediend, er na het einde van de klachtprocedure in beginsel
op moet kunnen vertrouwen dat dat de klacht daarmee is afgewikkeld en dat het handelen
waarop de klacht betrekking heeft niet opnieuw aan de tuchtrechter kan worden voorgelegd.
4.3 De voorzitter stelt vast dat klager ook na de beslissing van de raad van
28 oktober 2024 opnieuw een klacht tegen verweerder heeft ingediend. Deze klacht ziet
(wederom) op het handelen van verweerder in het geschil tussen klager en F. Daarmee
is sprake van een klacht over ongeveer dezelfde feiten en gedragingen, zoals onder
4.8 van de beslissing van 28 oktober 2024 door de raad is overwogen.
4.4 Gelet daarop, alsmede gelet op het bepaalde in artikel 47b Advocatenwet,
is de klacht in zoverre kennelijk niet-ontvankelijk.
4.5 Verder overweegt de voorzitter dat een klacht over een advocaat moet worden
ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon
zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet).
Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als
deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt
in principe het recht om te klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn
over informatie beschikt (en ook daar niet eerder over kon beschikken), die gaat over
de gevolgen van het handelen of nalaten waar de klacht over gaat. In dat geval vervalt
het recht om te klagen één jaar nadat klager van de informatie kennis heeft genomen
(artikel 46g lid 2 Advocatenwet). De achterliggende gedachte van deze regel is dat
een advocaat niet tot in lengte van dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten
over zijn doen en laten uit het verleden.
4.6 De voorzitter stelt vast dat de gedragingen waarover klager klaagt in 2019
hebben plaatsgevonden en dat klager hiermee toen ook op de hoogte was of redelijkerwijs
kon zijn. Door hierover pas op 15 juli 2025 een klacht bij de deken in te dienen,
is sprake van een overschrijding van de in artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet
genoemde termijn. Van een situatie zoals bedoeld in lid 2 van artikel 46g Advocatenwet
is geen sprake.
4.7 Ook is de voorzitter niet gebleken van (zeer) bijzondere omstandigheden op
grond waarvan de termijnoverschrijding toelaatbaar (verschoonbaar) zou kunnen worden
geacht.
4.8 Uit het voorgaande volgt dat de klacht op grond van artikel 46g lid 1 onder
a (ook) niet-ontvankelijk is. Dit betekent dat de voorzitter niet toekomt aan een
inhoudelijke behandeling van de klacht.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht met toepassing van de artikelen 46j en artikel 46g Advocatenwet, (kennelijk)
niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 maart 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 2 maart 2026