ECLI:NL:TADRAMS:2026:44 Raad van Discipline Amsterdam 25-661/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:44
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 02-03-2026
Zaaknummer(s): 25-661/A/A
Onderwerp: Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: Advocaat in overige hoedanigheden
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen een advocaat in andere hoedanigheid. Klaagster is eigenaar van een zelfbouwkavel. Verweerder is voorzitter van de dorpsraad van klaagsters woonplaats. Verweerder heeft de gemeente, namens de dorpsraad, verzocht om handhavend op te treden omdat de woning volgens de dorpsraad niet voldeed aan de vergunning. De raad is van oordeel dat klaagster in haar klacht ontvankelijk is. Weliswaar trad verweerder niet op als advocaat van de dorpsraad, maar voor zijn werkzaamheden als voorzitter van de dorpsraad maakte hij wel gebruik van zijn zakelijke e-mailadres. Hij verrichtte bovendien juridische werkzaamheden. De raad is daarom van oordeel dat het tuchtrecht van toepassing is.  De klachten van klaagster (rauwelijks procederen, ongepaste uitlatingen, onduidelijkheid over hoedanigheid van advocaat) zijn ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 februari 2026 in de zaak 25-661/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klaagster 
gemachtigde: mr. B.M.E. Drykoningen

over

verweerder 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 20 maart 2025 heeft klaagster bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2    Op 30 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2480834/EvR/AP/JN van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Daarbij waren klaagster, bijgestaan door haar gemachtigde, en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. De raad heeft verder kennisgenomen van de e-mails van 20 oktober 2025 en 28 december 2025, beide met bijlagen, van klaagster. 

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klaagster is eigenaar van een perceel/zelfbouwkavel aan de (…)weg in [gemeente]. Het perceel bevindt zich op een cultuurhistorische locatie. De Dorpsraad (…) (hierna: Dorpsraad), waarvan verweerder de voorzitter is, hecht er waarde aan dat de Sloterweg met zijn historisch karakter behouden blijft. De Dorpsraad vond het daarom belangrijk dat op de zelfbouwpercelen aan de Sloterweg nieuwbouw zou komen met het karakter van de vroegere arbeiderswoningen. 
2.3    De gemeente heeft klaagster een vergunning verleend voor het bouwen van een woning op het perceel. Medio 2023 is op de woning van klaagster een dakkapel/opbouw geplaatst. 
2.4    Op 18 augustus 2023 heeft verweerder vanaf zijn zakelijke e-mailadres, [verweerder]@[kantoornaam]advocaten.nl (hierna: het zakelijke e-mailadres) het volgende aan de gemeente geschreven:
“Namens de Dorpsraad (…) hecht ik eraan u nader te informeren over onze visie in deze zaak. De Dorpsraad heeft zich, samen met anderen overigens, erg sterk gemaakt voor een huis op deze locatie dat enigszins verwant is met de voorheen daar aanwezige arbeiderswoningen. Wij hebben toen een compromis gesloten met het bestuur dat er wel nieuwbouw mocht komen maar dat deze enigszins in overeenstemming was met hetgeen er stond. Dan ging het vooral over de maatvoering en vorm van het nieuwe gebouw. 
De welstandscommissie is hier ook erg kritisch op geweest en is dat nog steeds. Zoals u weet hebben ze de aanvragen om verdere uitbouwen/opbouwen ed te realiseren zeer gemotiveerd en met klem afgewezen. De eigenaren zijn hiervan zeker op de hoogte en het is dan ook hondsbrutaal en met lak aan kennelijk iedere regel dat men illegaal de uitbouw zo heeft verhoogd. Nu wordt iedereen weer met werk opgezadeld waarop niemand zit te wachten. 
Ik kan u zeggen dat wij zeer strak in de wedstrijd zitten en het niet zullen accepteren als er toch besloten zou worden om deze illegale uitbouw te legaliseren. 
Het hele aanzicht wordt hierdoor verpest. Er ontstaat nu toch een soort van muur terwijl het uitdrukkelijk in overeenstemming moest zijn met de vorm van en de uitstraling van de arbeiderswoningen. We moeten hiertegen optreden. 
Ik ga er van uit dat u onze mening deelt en er alles aan zult doen de uitbreiding tegen te gaan en de vergunning in zijn oude vorm gaat handhaven. 
Met klem verzoek ik u nogmaals een handhavingstraject op te starten nu een vergunning zeker niet voor de hand ligt. Kortom er is geen enkel concreet zicht op legalisering zodat er nu gehandhaafd kan gaan worden.
Mochten wij binnen twee weken geen bericht hebben ontvangen dat er gehandhaafd gaat worden dan zullen wij juridische stappen gaan ondernemen.
Met vriendelijke groet,
[Verweerder], voorzitter Dorpsraad”
2.5    Op 12 september 2023 heeft de gemeente laten weten dat het handhavingstraject door middel van een voornemen tot handhaving is gestart en dat een aanvraag tot vergunning in behandeling is genomen. 
2.6    Op 28 september 2023 heeft verweerder namens de Dorpsraad en met gebruikmaking van zijn zakelijke e-mailadres, bij de gemeente geïnformeerd naar de stand van zaken in het handhavingstraject. 
2.7    Op 10 oktober 2023 heeft klaagster verweerder uitgenodigd om samen koffie te drinken. Klaagster heeft het bericht verzonden vanaf haar zakelijke e-mailadres, [klaagster]@[advocatenkantoor].com, naar het zakelijke e-mailadres van verweerder. 
2.8    Op 11 oktober 2023 heeft verweerder als volgt gereageerd, vanaf zijn zakelijke e-mailadres: 
“U bent van harte welkom op onze eerstvolgende Dorpsraadsvergadering op 23 oktober om 20.00 uur in het Dorpshuis aan de Nieuwe Akerweg 14 in Sloten. De koffie en thee staan klaar. 
Wij willen geen valse verwachtingen wekken en geven nu vast aan dat ons standpunt wat betreft de woning aan de Sloterweg 711/715 ongewijzigd zal blijven. Er zijn door ons veel inspanningen geleverd om de oude huisjes te behouden. Wij zijn met erg veel pijn en moeite akkoord gegaan met nieuwbouw onder strikte voorwaarden. De gemeente heeft deze gehanteerd maar u heeft kennelijk besloten in afwijking van de vergunning aanpassingen te doen die niet passen in de afspraken die wij met de gemeente gemaakt hebben. 
Ik hoop dat u onze positie begrijpt en respecteert
Met vriendelijke groet,
[verweerder], voorzitter Dorpsraad”
2.9    Klaagster is op 23 oktober 2023 bij de vergadering van de Dorpsraad aanwezig geweest. 
2.10    De Dorpsraad heeft zich tegen de dakkapel/opbouw verzet door middel van verschillende bestuursrechtelijke procedures. De exacte gang van zaken is op basis van de stukken die partijen in deze klachtzaak hebben overgelegd niet goed vast te stellen. Het volgende blijkt echter wel uit het dossier. Bij besluit van 4 april 2024 heeft gemeente de aanvankelijk in afwijking van de vergunning gerealiseerde dakkapel/opbouw gelegaliseerd. Op 10 april 2024 heeft verweerder (namens de Dorpsraad) een bezwaarschrift ingediend tegen die legalisatie. Op 14 juni 2024 heeft verweerder namens de Dorpsraad een verzoek tot handhaving ingediend bij de gemeente in relatie tot de woning van klaagster. Op 8 juli 2024 is het bezwaar van de Dorpsraad ongegrond verklaard.  Bij brief van 28 augustus 2024heeft verweerder het verzoek tot handhaving van 14 juni 2024 herhaald. Op 5 november 2024 heeft de gemeente een voornemen tot handhaving bekend gemaakt bij klaagster. Op 19 november 2024 is de Dorpsraad van dat voornemen tot handhaving in kennis gesteld.
2.11    Op 30 januari 2025 heeft klaagster, via haar rechtsbijstandsverzekeraar, de Dorpsraad verzocht om een publicatie te verwijderen. De brief luidt onder meer als volgt:
“(…) Namens mijn cliënte wil ik formeel bezwaar maken tegen de onrechtmatige acties en uitlatingen die door u zijn gedaan. Cliënte is door u afgeschilderd als een "brutale" die haar zin wil doordrijven en als iemand die "hondsbrutaal" is en "lak heeft aan iedere regel". Zonder enige kennis van de feiten wordt cliënte publiekelijk beschuldigd van kwade opzet en het tonen van minachting voor de omgeving, het openbaar bestuur en de wet- en regelgeving. In verschillende berichten wordt cliënte verdacht gemaakt en negatief neergezet op basis van feitelijk onjuiste interpretaties en aannames van de Dorpsraad. Hiermee overschrijdt de Dorpsraad de grenzen van behoorlijke fatsoensnormen. Dit is des te kwalijker omdat cliënte de Dorpsraad juist heeft aangeboden om hen inzage en inspraak te geven in de oplossingen die zij samen met de Gemeente en Welstand aan het ontwikkelen was. 
Het openbaar maken van persoonsgegevens van cliënte, zonder toestemming, wordt beschouwd als doxing en is zowel onethisch als illegaal. Persoonlijke gegevens van cliënte zijn zonder toestemming gedeeld en onware, schadelijke uitspraken zijn over cliënte verspreid. Deze handelingen vallen onder smaad en laster en zijn schadelijk voor cliënte haar persoonlijke reputatie als voor haar emotionele welzijn. 
Als advocaat bent u vast op de hoogte van het feit dat het openbaar maken van privé-informatie zonder toestemming een inbreuk op privacy is en een strafbaar feit volgens de Wet bescherming persoonsgegevens (AVG). Bovendien zijn de valse en schadelijke beschuldigingen die over cliënte zijn geuit, smaad en lasterlijk, wat eveneens juridische gevolgen kan hebben. 
Ik verzoek u met klem om onmiddellijk te stoppen met het delen van persoonlijke gegevens van cliënte en het verspreiden van valse of schadelijke informatie en om de gedane uitlatingen publiekelijk te rectificeren en om schriftelijk excuses aan te bieden voor de schade die u cliënte heeft berokkend. Vriendelijk verzoek ik u om dit binnen een redelijke termijn van 14 dagen na dagtekening van deze brief te doen. (…)”
2.12    In februari 2025 heeft de gemeente vastgesteld dat de (grote) dakopbouw aan de woning van klaagster is aangepast, conform de aanschrijving van de gemeente, en heeft dit op 13 februari 2025 aan verweerder bericht. 
2.13    Op 1 maart 2025 heeft klaagster aangifte gedaan van doxing. De aangifte luidt onder meer als volgt:
“Ik doe aangifte voor doxing, ik heb niemand het recht gegeven en ik heb niemand toestemming verleend om mijn persoonlijke gegevens online te plaatsen. Ik wil dat mijn persoonlijke gegevens online worden verwijderd. 
Sinds 1 december 2022 ben ik eigenaresse geworden van het perceel aan de (…). Op 1 december 2022 is de bouw van de woning gestart. 
Rond de zomer van 2023 heb ik vernomen dat er over mij en mijn huis een stuk is geschreven op de website van de Dorpsraad. In het stuk stond onjuiste informatie waaronder 'dat ik stiekem een dakkapel zou hebben gebouwd'. 
Ik heb na aanleiding van online berichtgeving contact opgenomen met de voorzitter [verweerder] en ben toen naar de vergadering van 23 oktober 2023 gegaan. 
Op 23 oktober 2023 ben ik naar de vergadering gegaan en er waren vijf leden aanwezig waaronder de voorzitter. Ze hebben mij aangehoord en ik had onder andere uitgelegd wat voor impact het heeft dat er online berichtgeving over mij wordt geplaats en of ze mijn persoonsgegevens van hun website konden afhalen, als reactie van de Dorpsraad kreeg ik te horen: 'Dat wij achter ons berichtgeving blijven staan'. 
In de notulen van 23 oktober 2024 van de Dorpsraad vergadering wordt wederom mijn adres online geplaatst want de notulen worden online gepubliceerd, op de website. 
Eind december 2024 waren de aanpassingen van mijn dakkapel klaar. 
Op 30 januari 2025 heb ik via mijn rechtsbijstand verzekering een rectificatie brief gestuurd naar [verweerder] met het verzoek om te stoppen van het openbaren van persoonsgegevens en onjuiste informatie. Desondanks is mijn adres wederom online gepubliceerd met onjuistheden waaronder dat ik niks aan mijn woning heb veranderd.
Sinds online berichtgeving zijn er personen waaronder vermoedelijke leden van de Dorpsraad geweest die zichzelf zonder mijn toestemming en onbevoegd toegang verlenen tot privé terrein. Ik ken deze mensen niet, dit is waarschijnlijk het gevolg van de publicaties en omdat mijn adres online staat. Ik voel mij daarbij onveilig en geïntimideerd. Ik heb hiervan beelden mochten die nog nodig zijn voor in de toekomst. 
De gegevens van de leden staan online op de website van de Dorpsraad De namen van de leden van de Dorpsraad zijn: [verweerder] (…)
De website van de Dorpsraad is: (…) 
Aan niemand werd het recht of de toestemming gegeven tot het plegen van het feit.”
2.14    In of omstreeks december 2025 heeft klaagster, bijgestaan door (gemachtigde klaagster), een dagvaarding uitgebracht. Hoewel dit niet duidelijk uit de stukken blijkt, gaat de raad ervan uit dat de Dorpsraad gedaagde is. Op 9 december 2025 heeft verweerder, met gebruikmaking van zijn zakelijke e-mailadres, een reactie gestuurd naar (gemachtigde klaagster). In zijn bericht heeft verweerder niet expliciet zijn hoedanigheid van voorzitter van de Dorpsraad vermeld en evenmin heeft hij het logo en de contactgegevens van zijn kantoor verwijderd uit het bericht. 

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder het volgende: 
1)    Verweerder heeft rauwelijks allerlei (gerechtelijke) procedures ingezet.
Volgens klaagster gaat het om handhavingsverzoeken en bezwaren bij de gemeente en een beroepschrift bij de rechtbank (…) vanwege het uitblijven van een besluit met betrekking tot de dakkapel/opbouw. Volgens klaagster was deze laatste procedure erop gericht om “het nieuwe vergunningstraject waarin [klaagster zich] op dat moment bevond, te saboteren”. De zaak werd niet-ontvankelijk verklaard, maar verweerder ging in verzet. Klaagster vindt dit onbegrijpelijk, omdat verweerder “de kans heeft gehad om mee te denken over het nieuwe vergunningsplan, maar dat heeft geweigerd”. Verweerder heeft de procedure last minute ingetrokken, zonder klaagster daarover te informeren. 
2)    Verweerder is niet bereid tot een minnelijke oplossing.
Klaagster heeft herhaalde, maar vergeefse pogingen gedaan om tot een vreedzame en constructieve oplossing te komen. Haar aanbod tot transparantie, overleg en samenwerking is door verweerder categorisch geweigerd. Verweerder koos voor een “uiterst confronterende en escalerende aanpak”. 
3)    Verweerder heeft ongepaste uitlatingen gedaan over klaagster als persoon en meegewerkt aan verspreiding van de persoonsgegevens van klaagster. 
Volgens klaagster heeft verweerder onterecht ongepaste uitlatingen gedaan over haar. Hij is verder betrokken geweest bij “het verspreiden van persoonlijke gegevens, zoals (…) adres en geslacht”. Klaagster beschouwt dit als inbreukmakend en onethisch.
4)    Verweerder heeft niet deugdelijk kenbaar gemaakt dat hij handelt in de hoedanigheid van advocaat.
5)    Verweerder heeft feitelijk onjuiste informatie verspreid waarvan hij weet dat die onjuist is.
Klaagster heeft gesteld dat verweerder haar ervan heeft beschuldigd dat zij opzettelijke en met kwade wil de dakkapel/opbouw zou hebben gebouwd. Verweerder heeft klaagster als hondsbrutaal omschreven en hij heeft geschreven dat zij lak heeft aan wet- en regelgeving. Verweerder heeft gesteld dat er geen enkel concreet zich op legalisering van de niet vergunde dakkapel/opbouw was. De berichtgeving van de zijde van verweerder is heel eenzijdig.
6)    Verweerder heeft meegewerkt aan het creëren van een onveilige sfeer voor klaagster en haar gezin.
Klaagster stelt dat de gedragingen van verweerder en het verspreiden van informatie ervoor hebben gezorgd dat klaagster en haar gezin zich onveilig voel(d)en.
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen en de stellingen die klaagster daaraan ten grondslag heeft gelegd ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. Primair heeft verweerder aangevoerd dat klaagster in haar klacht niet-ontvankelijk is, “omdat er zeker geen gedragingen vastgesteld kunnen worden van [verweerder] die absoluut ongeoorloofd moeten worden geacht”. 
4.2    Subsidiair heeft verweerder aangevoerd dat de klacht ongegrond is. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook gelden als een advocaat niet optreedt als advocaat. Dat is het geval als er voldoende aanknopingspunten zijn tussen het beroep van advocaat en zijn doen en laten in de andere hoedanigheid. Dan is het advocatentuchtrecht volledig van toepassing. Als deze aanknopingspunten er niet zijn, dan beperkt de tuchtrechter de beoordeling tot de vraag of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad.
Het tuchtrecht is van toepassing
5.2    Verweerder trad in de procedures in verband met de woning van klaagster niet op als advocaat van de Dorpsraad, maar als voorzitter van de Dorpsraad. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De raad is niettemin van oordeel dat het tuchtrecht van toepassing is op de gedragingen die verweerder worden verweten. Hiervoor is redengevend dat verweerder in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Dorpsraad telkens correspondeerde met gebruikmaking van zijn zakelijke e-mailadres. Verweerders stelling dat hij de e-mails meestal met “voorzitter van de Dorpsraad” afsloot en ook meestal zijn kantoorlogo verwijderde, maakt het oordeel van de raad niet anders. Daargelaten dat uit het dossier blijkt dat verweerder daarin niet consequent was, heeft verweerder met het gebruik van het zakelijke e-mailadres zelf een koppeling aangebracht tussen zijn hoedanigheid van advocaat en, in de woorden van verweerder, zijn vrijwilligerswerk voor de Dorpsraad. Daarnaast hield verweerder zich in zijn hoedanigheid van voorzitter van de Dorpsraad en in relatie tot de woning van klaagster bezig met het verrichten van juridische werkzaamheden. Onder zijn aanvoering werden immers bestuursrechtelijke procedures gevoerd. De combinatie van een en ander, het zakelijke e-mailadres en de juridische zaken waarmee verweerder zich bezighield, maken dat het advocatentuchtrecht van toepassing is.  
Klachtonderdelen 1) en 2) rauwelijks inzetten van procedures en geen bereidheid tot een minnelijke oplossing
5.3    Verweerder heeft tegen deze klachtonderdelen aangevoerd dat de Dorpsraad rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de situatie dat in strijd met de verleende vergunning was gebouwd. Volgens verweerder heeft de gemeente ook twee keer handhavend opgetreden tegen klaagster. Volgens verweerder was sprake van een “opeenstapeling van bouwwerkzaamheden die in strijd waren met de regels en de verleende vergunning”. 
5.4    De raad overweegt dat het (kennelijk) een van de doelstellingen is van de Dorpsraad om het historische karakter van de gemeente te behouden. In die context heeft de Dorpsraad bij de gemeente procedures ingesteld. Hoewel het natuurlijk ging om (de vergunning voor) de woning van klaagster en de procedures daarom ook haar belangen raakten, waren de procedures gericht tegen de gemeente. De stelling van klaagster dat de procedures telkens rauwelijks waren blijkt niet uit de feiten. Dat de Dorpsraad eenmaal voortijdig een procedure heeft ingesteld rechtvaardigt die conclusie niet. Klaagster heeft dit deel van haar klacht dus onvoldoende feitelijk onderbouwd. De raad begrijpt dat de gang van zaken voor klaagster onplezierig is (geweest), maar ook dat rechtvaardigt niet de conclusie dat het instellen van procedures jegens haar klachtwaardig was. 
5.5    Dat verweerder met de Dorpsraad procedures voerde bij de gemeente brengt niet met zich dat verweerder in relatie tot klaagster gehouden was tot het onderzoeken van een minnelijke oplossing. Een minnelijke regeling met klaagster zou immers geen effect hebben (gehad) in de procedures bij de gemeente over handhaving en vergunningen.
5.6    Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdelen 1 en 2 ongegrond zijn. 
Klachtonderdelen 3) en 5) ongepaste en onjuiste uitlatingen en verspreiding van persoonsgegevens
5.7    Deze klachtonderdelen zien op de publicaties die de Dorpsraad op haar website heeft geplaatst over, onder meer, de woning van klaagster. Het gaat om verslaglegging over de bouw en de stappen die de Dorpsraad heeft gezet in relatie tot de gemeente. Delen van deze verslaglegging zijn door klaagster overgelegd in deze klachtprocedure. De raad heeft vastgesteld dat de verslaglegging tamelijk feitelijk is en dat er geen ongepaste uitlatingen over klaagster in staan. Dat in de verslaglegging wordt gesproken over een illegale situatie met betrekking tot de woning van klaagster is passend bij het standpunt dat de Dorpsraad innam. Verweerder heeft toegelicht dat het noemen van straat en huisnummer noodzakelijk was, omdat de woning van klaagster niet de enige was waarmee de Dorpsraad zich bezighield. Het noemen van het adres was noodzakelijk om de zaken van elkaar te kunnen onderscheiden. Naar het oordeel van de raad zijn de publicaties van de Dorpsraad met betrekking tot de woning van klaagster niet ongepast. Daargelaten dat doxing, het delen van persoonlijke informatie met intimidatie tot doel, een strafrechtelijke kwalificatie is die niet ter beoordeling is van de tuchtrechter, heeft de raad ook geen grond om aan te nemen dat hiervan sprake is (geweest). 
5.8    Dat verweerder klaagster “hondsbrutaal” heeft genoemd in een bericht aan de gemeente en dat hij heeft geschreven dat zij “lak heeft aan de regels” is naar het oordeel van de raad niet zodanig kwetsend of neerbuigend dat het als onnodig grievend kan worden aangemerkt. Verweerder gebruikte de woorden als voorzitter van de Dorpsraad en niet als advocaat van een betrokken partij. In dat laatste geval had verweerder voorzichtiger moeten zijn met zijn woordkeuze. Dit neemt niet weg dat de raad begrijpt dat klaagster door deze persoonlijke aantijgingen is geraakt. 
5.9    Uit het voorgaande volgt dat klachtonderdelen 3 en 5 ongegrond zijn. 
Klachtonderdeel 4) hoedanigheid niet kenbaar gemaakt
5.10    Klaagster heeft gesteld dat het in relatie tot de gemeente niet duidelijk was of verweerder optrad als advocaat. Wat er ook zij van deze stelling, klaagster is niet belanghebbend om daarover te klagen. Het ziet immers op de relatie van verweerder met de gemeente.  
5.11    Op de zitting heeft klaagster verklaard dat het al snel na het eerste contact met verweerder voor haar duidelijk was dat hij optrad als voorzitter van de Dorpsraad en niet als advocaat van de Dorpsraad. De raad kan gelet op deze verklaring niet vaststellen dat klaagster is benadeeld door de omstandigheid dat verweerder bij zijn communicatie als voorzitter van de Dorpsraad gebruik maakte van zijn zakelijke e-mailadres. De raad neemt hierbij in aanmerking dat klaagster werkzaam is (geweest) als jurist bij een groot advocatenkantoor en dat het klaagster was die, met gebruikmaking van haar zakelijke e-mailadres van dat advocatenkantoor, het eerste contact legde met verweerder door middel van een e-mail naar zijn zakelijke e-mailadres. In die e-mail schreef klaagster: “Ik begrijp dat u voorzitter bent van de dorpsraad (…).”
5.12    Ter onderbouwing van haar stelling heeft klaagster ook gewezen op het bericht dat verweerder op 9 december 2025 naar haar gemachtigde zond. Met klaagster is de raad van oordeel dat uit dit bericht de hoedanigheid van verweerder niet goed blijkt. Verweerder heeft zijn hoedanigheid van voorzitter van de Dorpsraad niet vermeld en zijn kantoorlogo en de contactgegevens van zijn kantoor niet verwijderd. Het gaat bovendien om een civiele procedure, waarbij mogelijk bijstand van een advocaat verplicht is. Dit kan anders zijn als het gaat om een kantonprocedure, maar dat blijkt niet uit het dossier. Hoewel hier sprake kan zijn geweest van onduidelijkheid over de hoedanigheid van verweerder, is dit ene bericht onvoldoende om te concluderen dat verweerder onbetamelijk heeft gehandeld door onduidelijkheid over zijn hoedanigheid te laten ontstaan en voortbestaan. De raad neemt hierbij in aanmerking dat niet is gebleken dat klaagster door een en ander in haar belangen is geschaad. Op grond van het voorgaande is de conclusie dat klachtonderdeel 4 ongegrond is. 
5.13    Dit neemt niet weg dat de raad verweerder aanraadt om voor zijn werkzaamheden voor de Dorpsraad gebruik te maken van zijn hotmail-adres of van een ander ten behoeve van de Dorpsraad te gebruiken e-mailadres. Het ligt immers op de weg van verweerder om te voorkomen dat onduidelijkheid kan ontstaan bij derden over zijn hoedanigheid. Dat kan eenvoudig worden bewerkstelligd door gebruikmaking van een ander e-mailadres dan zijn kantoor e-mail adres.
Klachtonderdeel 6) onveilige sfeer
5.14    Volgens klaagster heeft zij te maken met ongenode bezoekers op haar perceel, zijn er bouwmaterialen gestolen en is er sprake van voorbijgangers die haar woning bekijken en fotograferen. 
5.15    Klaagster heeft nagelaten om feitelijk te onderbouwen dat een en ander is gebeurd door toedoen van verweerder of door verweerder zelf. Klachtonderdeel 6 is reeds daarom ongegrond. 

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. M. Bootsma en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2026.


Griffier     Voorzitter


Verzonden op: 23 februari 2026