ECLI:NL:TADRAMS:2026:43 Raad van Discipline Amsterdam 25-686/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:43 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 02-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-686/A/A |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Klacht tegen de eigen advocaat. Verweerder heeft klager 2 en de ondernemingen van klager 1 bijgestaan in een geschil met een gemeenschappelijke schuldeiser. Klager 1, die in persoon klaagt, is in de klacht niet-ontvankelijk om dat hij niet belanghebbend is. De klachten van klager 2 zijn ongegrond. Het is de raad niet gebleken dat verweerder met zijn bijstand aan de ondernemingen en klager 2 tegenstrijdige belangen heeft gediend. Het is de raad ook niet gebleken dat verweerder excessief of anderszins onbetamelijk heeft gedeclareerd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 februari 2026 in de zaak 25-686/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klagers
gemachtigde: (…)
over
verweerder
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 30 januari 2025 hebben klagers bij de deken van de Orde van Advocaten
in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder.
1.2 Op 8 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2450657 van
de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Daarbij
waren klager 1, bijgestaan door zijn gemachtigde, en verweerder aanwezig. Klager 2
is niet op de zitting bij de raad verschenen. Van de behandeling is proces-verbaal
opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager 1 is de zoon van klager 2. Klager 1 exploiteerde via P Bedrijfsadvies
B.V. (hierna: P) en nog een aantal ondernemingen (hierna gezamenlijk: de ondernemingen)
onder meer een zwembad.
2.3 Klager 2 was eigenaar van twee woningen; in de ene woonde hij zelf met zijn
gezin, in de andere woning woonde klager 1 met zijn gezin.
2.4 De ondernemingen van klager 1 werkten samen met DB c.s. DB c.s. was boekhouder
van de ondernemingen, maar ook verhuurder en financier. Als zekerheid voor leningen/financieringen
van DB c.s. aan de ondernemingen had klager 2 hypotheekrechten verleend op zijn woningen.
2.5 Verweerder trad op als advocaat van de ondernemingen. Verweerder heeft zijn
werkzaamheden voor de ondernemingen tussen (in ieder geval) december 2022 en september
2024 telkens gefactureerd aan P.
2.6 Omdat de ondernemingen tekortschoten in de nakoming van hun verplichtingen
heeft DB c.s., bijgestaan door mr. M, op 13 maart 2023 een brief gestuurd aan klager
2. In deze brief wordt aangekondigd dat DB c.s. een beroep zullen doen op de hypotheekrechten.
2.7 Klager 2 heeft verweerder vervolgens om bijstand verzocht. Verweerder heeft
de opdracht op 15 maart 2023 bevestigd:
“Goed om elkaar vanmorgen even gesproken te hebben en ook goed dat wij elkaar morgen
zien. Nu G(…) Advocaten U (en uw vrouw uiteraard) zal bijstaan in -in ieder geval-
de kwestie met de mogelijke executie van het vastgoed door de heer DB zijn wij verplicht
om de opdracht met U schriftelijk vast te leggen met het vriendelijke verzoek om een
kort akkoord hierop van uw kant.
Voor de wijze waarop wij werken, bericht ik U graag als volgt.
Wij rekenen onze werkzaamheden af op basis van uren maal tarief. Mijn uurtarief
bedraagt € 325,-- (exclusief 21% BTW en 5% kantoorkosten). Uurtarieven kunnen op of
omstreeks 1 januari van ieder jaar worden aangepast. Verrichte werkzaamheden worden
in rekening gebracht in eenheden van 1/10de uur. Wij werken niet op basis van toevoeging,
zelfs als U daar mogelijk wel voor in aanmerking komt, wij doen daar geen zelfstandig
onderzoek naar.
We factureren maandelijks met een betalingstermijn van 14 dagen. (…)”
2.8 Per e-mail van dezelfde dag heeft klager 2 zijn akkoord gegeven.
2.9 Klager 1, die cc in de e-mails van 15 maart 2023 stond, heeft op 15 maart
2023 het volgende geschreven:
“De kosten hiervan behoren toch tot dezelfde zaak? Dus valt gewoon onder de zwemschool
toch?”
2.10 Verweerder heeft hierop als volgt gereageerd:
“Hi [Klager 1], Nu je vader hier de opdrachtgever is zal de factuur aan hem worden
verzonden. Het staat de zwemschool uiteraard vrij om de kosten te vergoeden aan jouw
vader omdat de zwemschool daar ook een belang bij heeft. Bij voorkeur loopt het ook
zo, dus via de rekening van jouw vader. Dit om ook vragen van mijn accountant te voorkomen.
Overigens zullen in dit dossier in ieder geval voorlopig bijna geen uren komen, nu
dit allemaal onderdeel is van de 'ruzie' met Marc DB schrijf ik de uren waar dat redelijkerwijs
bij kan in dossier P(…) Advies. Ik stuur zo overigens nog een opdrachtbevestiging
ook aan Zwemschool (…) en aan (…), dit omdat niet alle vragen alleen zien op P(…)
en dus ook niet alleen P(…) mijn opdrachtgever is en ook omdat de zwemschool de factureren
betaald moet dat even administratief netjes in orde zijn. Deze emails stuur ik je
zo met verzoek om kort akkoord per email, dan kan dit in de administratie, dank!”
2.11 Op 23 juni 2023 om 12.18 uur heeft mr. Ö aan verweerder een bericht gestuurd
over de stand van zaken in een procedure van hun “gemeenschappelijke cliënte”. De
gezamenlijke cliënte is P, althans de ondernemingen, en de procedure ziet op een geschil
met de gemeente over schade die is ontstaan door de sluiting van het zwembad tijdens
de coronaperiode.
2.12 Per e-mail van 23 juni 2023 om 17.56 uur heeft verweerder onder meer het
volgende aan mr. M geschreven:
“In navolging op onze recente discussies, schrijf ik u om een aantal belangrijke
punten te verduidelijken en de standpunten van mijn cliënten, zowel dus van [klager
1] en de diverse vennootschappen als van [klager 2], kenbaar te maken. (…)”
2.13 Op 27 juni 2023 heeft mr. M aan verweerder een bericht gestuurd dat betrekking
heeft op de onderhandelingen tussen partijen. In zijn bericht stelt hij voor om de
kwesties tussen zijn cliënten en klager 1 en zijn cliënten en klager 2 “te splitsen”.
2.14 Op 30 juni 2023 heeft verweerder aan klager 1 en klager 2 een conceptreactie
gestuurd op het bericht van mr. M van 27 juni 2023.
2.15 Klager 2 heeft daarop dezelfde dag om 16.44 uur als volgt gereageerd:
“(…) Wat ons dwars zit is de aanhef van M(…), dat hij het heeft over twee kwesties
die hij "even wil splitsen".
Voor ons is er maar één kwestie, er schijnt geen licht tussen onze "vermogensrechtelijke
aspecten" en de VSO die het voortbestaan van de firma moet garanderen.
Doemscenario is nu dat met wederzijdse instemming de huizen worden verkocht, en
dat ze met de VSO blijven treuzelen en dat die tenslotte klapt, waardoor [accountant]
niet verder kan, [klager 1] geen cijfers kan laten zien en het feest voor de zwemschool
ophoudt.
Als [klager 1] geen inkomen meer heeft, kan hij de huur niet betalen, dan moet ik
alle huur betalen, dat kan ik niet en dan staan we alsnog allemaal op straat. Geregeld
moeten worden dat de ontbrekende zaken worden overgedragen en dat gestopt wordt met
dat gedoe over retentierecht. Het moet een integraal akkoord worden, verkoop van huizen
en overdracht van de stukken. (…)”
2.16 Om 17.02 uur heeft verweerder nog eens gereageerd naar beide klagers, een
gewijzigde reactie voor mr. M en het voornemen om die reactie dezelfde middag nog
te versturen.
2.17 Klager 1 en de ondernemingen en klager 2, bijgestaan door verweerder enerzijds
en DB c.s. bijgestaan door mr. M anderzijds hebben in de zomer van 2023 onderhandeld
over een vaststellingsovereenkomst. De strekking van deze vaststellingsovereenkomst
was dat DB c.s. eigenaar zou worden van de woningen, dat de ondernemingen zouden kunnen
voortbestaan en dat klagers als huurders de woningen konden blijven bewonen.
2.18 Verweerder heeft zich eind 2023 teruggetrokken als advocaat van klagers.
De reden daarvoor was dat verweerder van mening was dat de vaststellingsovereenkomst
ondertekend zou moeten worden, maar dat klagers daartoe niet bereid waren. Verweerder
stelde zich op het standpunt dat hij niets meer voor klagers kon betekenen. In januari
2024 zijn klagers wat betreft hun geschil met DB c.s. overgestapt naar mr. P, en heeft
verweerder zich als advocaat teruggetrokken uit alle civiele procedures waarin klagers
of ondernemingen betrokken waren.
2.19 Verweerder heeft tussen februari 2023 en januari 2024 zes gespecificeerde
facturen gestuurd aan klager 2, voor een totaalbedrag van € 4.518,23. Aan P heeft
verweerder over een periode van ongeveer een jaar in totaal een bedrag van € 118.541,60
ex btw en 5% kantoorkosten gefactureerd. Na onderhandelingen over deze facturen heeft
verweerder deze gematigd en is begin augustus het laatste openstaande bedrag door
P aan verweerder betaald, waarbij finale kwijting over en weer werd afgesproken.
2.20 P is op 11 december 2024 door de rechtbank failliet verklaard. Uit het dossier
blijkt niet door wie het faillissementsverzoek is ingediend. Vast staat dat het niet
op verzoek van verweerder was. Een door verweerder ingediend faillissementsverzoek
met betrekking tot P had hij immers, na het afwikkelen van de onder 2.19 genoemde
financiële kwestie, begin augustus 2024 weer ingetrokken.
2.21 Op 30 januari 2025 hebben klagers de onderhavige klacht tegen verweerder
ingediend.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klagers verwijten
verweerder het volgende:
1) Verweerder heeft klager 1 en klager 2 tegelijkertijd bijgestaan, terwijl hun
belangen tegenstrijdig waren.
2) Verweerder heeft klager 1 (via zijn bedrijf) gefactureerd en maar eenmaal
een factuur aan klager 2 gestuurd.
Toelichting klachtonderdelen 1 en 2
Verweerder vertegenwoordigde tegelijkertijd klager 1 en klager 2, terwijl de belangen
van klagers tegenstrijdig waren. Ondanks dat klagers verweerder hierover informeerden,
nam hij geen maatregelen en wees hij klagers niet op de gevolgen. Hij gaf de opdracht
niet terug en bleef onderhandelen in het voordeel van klager 2, waardoor de juridische
positie van klager 1 werd geschaad. Er was bovendien geen officiële overeenkomst tussen
klager 2 en verweerder, wat zijn optreden namens hem juridisch ongegrond maakt. Toch
liet hij structureel de belangen van klager 2 prevaleren boven die van klager 1 als
zijn daadwerkelijke cliënt. Daarnaast betaalde klager 1 de facturen via P, terwijl
verweerder slechts een eenmalige factuur naar klager 2 stuurde. Dit roept vragen op
over de transparantie van zijn financiële handelswijze.
Het ging om enerzijds de vermogensrechtelijke belangen van klager 2 tegenover de
belangen van klager 1 en de ondernemingen bij het tot stand komen van een algehele
oplossing in het financiële geschil met DB c.s.
3) Verweerder heeft zonder toestemming vertrouwelijke informatie gedeeld met
de advocaat van de wederpartij.
Toelichting klachtonderdeel 3
Verweerder deelde zonder toestemming vertrouwelijke informatie afkomstig van mr.
Ö, te weten de e-mail van 23 juni 2023, zoals genoemd in 2:11. Dit betreft confraternele
correspondentie, die verweerder zonder toestemming van klagers heeft doorgestuurd
aan mr. M, de advocaat van DB c.s. Vervolgens heeft mr. M deze correspondentie ingebracht
als productie in de procedure tussen DB c.s. en P c.s. bij de rechtbank Midden-Nederland
in mei 2024. Dit is een ernstige schending van de geheimhoudingsplicht
4) Verweerder heeft excessief gedeclareerd, door binnen een jaar € 150.000,-
in rekening te brengen voor zijn werkzaamheden in een relatief eenvoudige zaak.
Toelichting klachtonderdeel 4
Binnen één jaar declareerde verweerder € 150.000, terwijl er slechts één kleine
zitting was in een relatief eenvoudige schuldeiserszaak. De (huidige) gemachtigde
van klagers voerde het grootste deel van het uitzoekwerk en juridische werkzaamheden
uit, waardoor de declaraties van verweerder buitenproportioneel en onrechtmatig zijn.
5) Verweerder heeft klager 1 onder druk gezet om de declaraties te betalen door
te dreigen met het aanvragen van het faillissement van zijn vennootschappen, en deze
faillissementsaanvragen ook daadwerkelijk in te dienen.
Toelichting klachtonderdeel 5
Na de overstap van klager 1 naar mr. BM en mr. P heeft verweerder niet alleen met
faillissementsaanvragen voor de BV’s van klager 1 gedreigd, maar deze ook daadwerkelijk
ingediend. Uiteindelijk werd klager 1 onder druk gezet om zijn facturen te betalen
om verdere schade te voorkomen. Dit misbruik van juridische procedures is in strijd
met de zorgvuldigheidsnormen die voor advocaten gelden.
3.2 De raad zal hierna ingaan op de klachtonderdelen en de stellingen die klagers
daaraan ten grondslag hebben gelegd.
4 VERWEER
4.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar
nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
5.1 Klager 1 is in (alle onderdelen van) de klacht niet-ontvankelijk, omdat hij
geen rechtstreeks belanghebbende is. Immers, alleen de persoon of de rechtspersoon
die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan
worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Als het in
het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht
om te klagen.
5.2 Klager 1 heeft op de zittingen verklaard dat verweerder niet voor hem in
privé, maar voor zijn ondernemingen optrad. Uit het dossier blijkt ook dat verweerder
telkens heeft gedeclareerd aan P. Het is dus niet klager 1 die belanghebbend is bij
de klacht, maar P. Met het faillissement verloor klager 1 de zeggenschap over die
onderneming en ook de bevoegdheid om namens P een klacht in te dienen tegen verweerder.
Slechts de curator kan nog klagen over de bijstand van verweerder aan P.
5.3 Dit alles geldt niet voor klager 2. Verweerder heeft voor klager 2 (in privé)
opgetreden. Klager 2 is bij de klacht belanghebbend, behalve bij klachtonderdeel 5.
Dit klachtonderdeel ziet immers uitsluitend op de ondernemingen. Klager 2 zal derhalve
in klachtonderdeel 5 niet-ontvankelijk worden verklaard en voor het overige in de
klacht worden ontvangen.
5.4 Verweerder heeft aangevoerd dat het recht om een klacht in te dienen met
het verlenen van finale kwijting is komen te vervallen. Deze stelling, wat er ook
van zij, ziet alleen op de relatie die verweerder had met P. Gesteld noch gebleken
is dat verweerder en klager 2 elkaar ook finale kwijting hebben verleend. Dit brengt
mee dat de gevolgen van de finale kwijting niet nader besproken hoeven te worden.
Klachtonderdeel 1) tegenstrijdige belangen
5.5 Ter onderbouwing van dit klachtonderdeel heeft klager 2 gewezen op de hiervoor
onder 2.13 tot en met 2.16 weergegeven correspondentie. Hieruit volgt het tegendeel
van tegenstrijdige belangen. Klager 2 schreef immers (zie 2.15):
“Wat ons dwars zit is de aanhef van M(…), dat hij het heeft over twee kwesties die
hij "even wil splitsen". Voor ons is er maar één kwestie, er schijnt geen licht tussen
onze "vermogensrechtelijke aspecten" en de VSO die het voortbestaan van de firma moet
garanderen.”
5.6 Het was het gezamenlijke belang van klagers dat een regeling werd getroffen
met DB c.s. zodat klagers in hun woningen konden blijven wonen en de ondernemingen
konden voortbestaan. Dat is wat klager 2 in het bericht aan verweerder ook schrijft.
5.7 De conclusie is dan ook dat klager 2 de stelling dat zijn belangen tegenstrijdig
waren aan die van zijn zoon en diens ondernemingen onvoldoende feitelijk heeft onderbouwd.
De raad heeft bij dit oordeel in aanmerking genomen dat het dossier ook overigens,
dus naast de hiervoor genoemde correspondentie, geen aanknopingspunten geeft voor
de conclusie dat sprake was van tegenstrijdige belangen.
5.8 De klacht dat er geen officiële overeenkomst was tussen klager 2 en verweerder
mist feitelijke grondslag. Gewezen wordt op de correspondentie tussen klager 2 en
verweerder, samengevat weergegeven onder 2.7 en 2.8. Op 15 maart 2023 is een opdrachtbevestiging
aan klager 2 gestuurd en klager 2 heeft op dezelfde dag zijn akkoord gegeven. Klachtonderdeel
1 is ongegrond.
Klachtonderdeel 2) alles gefactureerd aan bedrijf klager 1
5.9 Voor zover deze klacht ook klager 2 betreft is dit klachtonderdeel ongegrond.
Uit het dossier blijkt dat verweerder de werkzaamheden voor klager 2 ook aan klager
2 heeft gefactureerd. De werkzaamheden voor de ondernemingen zijn gefactureerd aan
P. De raad heeft geen grond om te twijfelen aan de deugdelijkheid en betamelijkheid
van verweerders financiële handelwijze of zijn transparantie over de gedeclareerde
werkzaamheden.
5.10 Klachtonderdeel 3) vertrouwelijke info gedeeld met advocaat wederpartij
De raad heeft in het dossier geen aanwijzingen gevonden dat verweerder vertrouwelijke
informatie van klager 2 heeft gedeeld met anderen. Klager 2 heeft klachtonderdeel
3 onvoldoende feitelijk onderbouwd. De raad verklaart het klachtonderdeel daarom ongegrond.
Klachtonderdeel 4) excessief gedeclareerd
5.11 Klagers hebben gesteld dat verweerder in een jaar € 150.000,- in rekening
heeft gebracht. De raad stelt vast dat dit bedrag, althans het bedrag genoemd in 2.19,
in rekening is gebracht bij P. Klager 2 kan daarover niet klagen, zoals dat hiervoor
ook is overwogen ten aanzien van klager 1 in 5.2.
5.12 Voor zover de klacht ook ziet op de bedragen die bij klager 2 in rekening
zijn gebracht geldt dat het gaat om circa € 4.500,- voor bijstand gedurende circa
11 maanden. De raad heeft geen grond om aan te nemen dat dit excessief is. Klachtonderdeel
4 is ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klager 1 niet-ontvankelijk in de klacht;
- verklaart klager 2 niet-ontvankelijk in klachtonderdeel 5;
- verklaart klager 2 voor het overige ontvankelijk in de klacht;
- verklaart klachtonderdelen 1 tot en met 4 in relatie tot klager 2 ongegrond.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. M. Bootsma en C.M. Peeperkorn,
leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting
van 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 februari 2026