ECLI:NL:TADRAMS:2026:42 Raad van Discipline Amsterdam 25-669/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:42
Datum uitspraak: 23-02-2026
Datum publicatie: 02-03-2026
Zaaknummer(s): 25-669/A/A
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Klacht tegen de eigen advocaat. Verweerster heeft klager in een familiezaak in de steek gelaten. Zij nam zijn zaak in behandeling, werd vervolgens ziek, maar informeerde haar cliënt niet. Als gevolg hiervan is geen verweer gevoerd in een rechtbankprocedure. De klacht is gegrond, maar de raad legt geen maatregel op. Dat gebeurt in het met deze zaak samenhangende dekenbezwaar (25-673).

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 februari 2026
in de zaak 25-669/A/A
naar aanleiding van de klacht van:

klager 

over

verweerster 

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 30 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2    Op 1 oktober 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2483090/ER/KV van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026. Klager en verweerster zijn niet op de zitting bij de raad verschenen. 
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 03.

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager heeft verweerster in september 2024 verzocht om hem bij te staan bij familierechtelijke kwesties met betrekking tot alimentatie en zorg voor en omgang met zijn minderjarige zoon . 
2.3    Op 4 september 2024 heeft verweerster een toevoeging aangevraagd bij de Raad voor Rechtsbijstand, in verband met een omgangsregeling. Deze is op 5 september 2024 verleend. Verweerster heeft ook een toevoeging aangevraagd ten behoeve van klager voor de behandeling van een alimentatiekwestie. 
2.4    Op 6 oktober 2024 13.40 uur heeft verweerster een e-mail gestuurd aan klager, met onder meer de volgende inhoud: 
“(…) Ik zal mij stellen bij de rechtbank en de advocaat van mevrouw als uw advocaat.  
Uw schriftelijke reactie op het door de advocaat gestelde zie ik graag per e-mail tegemoet.” 
2.5    Dezelfde dag om 15.55 uur heeft verweerster het volgende aan klager geschreven: 
“In de bijlage zend ik u het concept verzoekschrift toe wat betreft de zorgregeling. Kunt u dit verzoekschrift nalezen en opmerkingen/aanvullingen aan mij mailen?  
Na ontvangst van uw akkoord zal ik het verzoekschrift bij de rechtbank indienen.” 
2.6    Medio oktober 2024, uit het dossier blijkt niet op welke datum precies, heeft verweerster namens klager een verzoekschrift ingediend tot vaststelling van verdeling van de zorg- en opvoedingstaken. 
2.7    Op 11 november 2024 heeft klager per e-mail documenten aan verweerster gestuurd, in verband met de familiekwestie.
2.8    Op 25 november 2024 heeft klager een e-mail gestuurd aan verweerster, met onder meer de volgende inhoud: 
“Ik heb twee nieuwe bestanden toegevoegd: (…) 
Ik zou ook graag willen weten hoe de voortgang gaat met de zaak. Is er al een datum toegewezen voor de rechtzaak? Zijn er nog ontwikkelingen of acties die ik moet ondernemen?” 
2.9    Op 6 januari 2025 heeft klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“Ik wil u graag de beste wensen overbrengen en vragen of er al een datum is gekozen voor de rechtszaak. Alvast bedankt voor uw antwoord.” 
2.10    Op 29 januari 2025 is door de rechtbank Noord-Holland een beschikking gegeven. Daarin is bepaald dat klager aan de vrouw een bijdrage moet leveren van € 671,- per maand in de kosten van verzorging en opvoeding van hun minderjarige zoon. Uit de beschikking blijkt dat verweerster zich namens klager heeft gesteld in de procedure, maar dat namens klager geen verweerschrift is ingediend. In de beschikking wordt overwogen datklager geen verweer heeft gevoerd. 
2.11    Op 11 februari 2025 heeft klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“Graag wil ik weten of er al nieuws is over de datum en of je me überhaupt nog wilt bijstaan.” 
2.12    Op 21 februari 2025 om 9.17 uur heeft klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“Ik schrijf u deze brief om mijn bezorgdheid en frustratie te uiten over de gang van zaken sinds onze afspraak op 30 oktober. Zoals we hadden afgesproken, heb ik op 11 november alle benodigde informatie naar u toegestuurd om een verweerschrift op te stellen en in te leveren bij de rechtbank. 
Helaas heb ik sindsdien geen enkele reactie van u ontvangen, ondanks meerdere pogingen om contact met u op te nemen. Ik heb u op 25 november, 6 januari en 11 februari gemaild om te informeren naar de staat van zaken, maar ik heb geen antwoord gekregen. Ook mijn telefonische pogingen om contact op te nemen op 15 januari en 19 februari zijn zonder resultaat gebleven. 
Recentelijk heb ik vernomen dat nog niets is aangeleverd bij de rechtbank van de tegenpartij. Ik vind dit zeer zorgwekkend en ben bezorgd over de gevolgen die dit kan hebben voor mijn zaak.  
Ik verzoek u dringend om mij te informeren over de reden van het uitblijven van een reactie en de status van mijn zaak. Ik verwacht een spoedige reactie van u en een oplossing voor deze situatie. 
Daarnaast wil ik u mededelen dat ik van plan ben om een klacht in te dienen bij de Nederlandse Orde van Advocaten vanwege het niet nakomen van uw verplichtingen als advocaat. (…)” 
2.13    Op 21 februari 2025 heeft verweerster als volgt geantwoord: 
“Bedankt voor uw bericht. Het is inderdaad niet netjes van mij hoe een en ander is verlopen. Ik ben een aantal maanden ziek geweest en heb u daar niet goed over geïnformeerd. Ik zal een en ander voor u uitzoeken en u daar volgende week een terugkoppeling op geven. Mijn welgemeende excuses.” 
2.14    Op 12 maart 2025 heeft klager geantwoord: 
“Dank voor uw bericht en excuses. Ik begrijp de situatie en waardeer uw openheid. Ik kijk uit naar uw terugkoppeling volgende week.” 
2.15    Op 25 maart 2025 heeft klager het volgende aan verweerster geschreven: 
“Ik schrijf u in reactie op uw e-mail van 21 februari 2025, waarin u excuses aanbood voor de manier waarop mijn zaak was verlopen. Helaas heb ik tot op heden geen terugkoppeling ontvangen en ben ik genoodzaakt om mijn klacht verder te zetten bij uw kantoor.  
Ik ben teleurgesteld over de manier waarop mijn zaak is behandeld. Uw kantoor had mijn zaak met de nodige zorg en aandacht moeten behandelen, maar helaas is dit niet het geval gebleken. Ik ben bezorgd dat ik mogelijk schade heb geleden door het handelen van uw kantoor. 
Recentelijk heb ik een deurwaarder aanvaarding ontvangen, omdat het verweerschrift niet op tijd is ingeleverd. Dit is een ernstig gevolg van de nalatigheid van uw kantoor. Ik verzoek u om maatregelen te nemen om ervoor te zorgen dat dit soort situaties in de toekomst voorkomen worden. 
Ik heb besloten om beroep in te stellen tegen de manier waarop mijn zaak is behandeld, met een andere advocaat. Ik verzoek u ook om de betaalde eigen bijdrage terug te betalen, aangezien er geen duidelijke werkzaamheden zijn verricht in mijn zaak. 
Ik hoop dat u mijn klacht serieus neemt en dat u maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat dit soort situaties in de toekomst voorkomen worden. Mocht ik echter geen antwoord ontvangen op deze e-mail, of mocht ik niet tevreden zijn met de reactie die ik ontvang, dan zal ik genoodzaakt zijn om een klacht in te dienen bij de Deken van de Orde van Advocaten. (…)”  
2.16    Verweerster heeft de eigen bijdrage in verband met de verleende toevoeging aan klager teruggestort. 
2.17    Op 30 maart 2025 heeft klager de onderhavige klacht ingediend tegen verweerster.

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende: 
a)    Verweerster heeft niet gereageerd op de e-mailberichten van klager van 11 november 2024, 25 november 2024, 6 januari 2025 en 11 februari 2025. 
b)    Verweerster heeft in de alimentatiezaak geen verweerschrift opgesteld en ingediend, waardoor een beschikking is gewezen waarin het verzoek van de vrouw volledig is toegewezen. Klager heeft daardoor schade geleden. 
c)    Verweerster heeft in de omgangszaak geen verzoekschrift ingediend, althans zij heeft klager over deze zaak niet op de hoogte gehouden en zij heeft geen verdere werkzaamheden verricht. 
3.2    De raad zal hierna ingaan op de klachtonderdelen en de stellingen die daaraan ten grondslag zijn gelegd. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 

5    BEOORDELING
Toetsingskader 
5.1    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.

Klachtonderdelen a) en b)
5.2    Verweerster heeft erkend dat zij niet heeft gereageerd op de berichten van klager. Verweerster heeft ook erkend dat zij in de alimentatiekwestie geen verweerschrift heeft ingediend. 
5.3    Omdat verweerster de verwijten die klager haar maakt onder a en b heeft erkend, zal de raad deze klachtonderdelen gegrond verklaren. Dat verweerster kampte met persoonlijke omstandigheden verontschuldigt haar niet. Een advocaat is immers gehouden om te voorzien in waarneming, juist om te voorkomen dat belangen van cliënten niet worden behartigd als een advocaat wordt geconfronteerd met onvoorziene omstandigheden. 
Klachtonderdeel c)
5.4    Verweerster heeft aangevoerd dat zij, na instemming van klager, in verband met de omgang met het minderjarige kind een verzoekschrift heeft ingediend bij de rechtbank en ingeschreven in het rolregister. Verweerster kan dit ook aantonen. Van de zijde van de vrouw is geen verweerschrift ingediend (in ieder geval niet tot het moment van indienen van de onderhavige tuchtklacht). Volgens verweerster had klager gedurende deze procedure omgang met zijn kind. Klachtonderdeel c is volgens verweerster ongegrond. 
5.5    De raad ziet dat anders. Weliswaar kan worden vastgesteld dat verweerster een verzoekschrift heeft ingediend, maar als onweersproken staat ook vast dat verweerster klager na het indienen van het verzoekschrift niet op de hoogte heeft gehouden van de verdere voortgang van de zaak. Dit betekent dat klachtonderdeel c in zoverre gegrond is.

6    MAATREGEL
6.1    Hoewel de raad van oordeel is dat het opleggen van een maatregel passend is, zal de raad dat in deze zaak niet doen. De raad licht dat toe. 
6.2    De deken heeft een bezwaar ingediend tegen verweerster, in verband met haar handelen in het onderzoek naar deze klacht. In verband met de samenhang is het dekenbezwaar, bij de raad bekend onder nummer 25-673/A/A/D, gelijktijdig met deze zaak behandeld door de raad. 
6.3    De raad wil voorkomen dat aan verweerster twee maal een maatregel wordt opgelegd voor gedragingen in dezelfde kwestie. Daarnaast heeft de raad op grond van de gang van zaken bij de behandeling van deze klacht de indruk gekregen dat het met de praktijkvoering van verweerster en mogelijk ook met verweerster zelf niet goed gaat. Naar het oordeel van de raad leent de beslissing op het dekenbezwaar zich beter om aan dat onderwerp aandacht te besteden. 
6.4    De raad zal de klacht in deze zaak gegrond verklaren, zonder een maatregel op te leggen. 

7    GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING 
7.1    Omdat de raad de klacht gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan hem vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.

BESLISSING
De raad van discipline:
-    verklaart de klacht in alle onderdelen gegrond;
-    bepaalt dat geen maatregel wordt opgelegd;
-    veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager. 


Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. M. Bootsma en C.M. Peeperkorn, leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting van 23 februari 2026.


Griffier     Voorzitter

Verzonden op: 23 februari 2026