ECLI:NL:TADRAMS:2026:41 Raad van Discipline Amsterdam 25-673/A/A/D
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:41 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 02-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-673/A/A/D |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Dekenbezwaar dat samenhangt met klacht 25-669. Verweerster heeft vrijwel niets gedaan voor haar cliënt, die daarover een klacht heeft ingediend bij de deken. Tijdens het onderzoek van de deken reageert verweerster eerst traag en daarna niet meer. Net als de deken ziet de raad in het gedrag van verweerster een zorgwekkend patroon. De raad legt aan verweerster een voorwaardelijke schorsing voor de duur van twee weken op. Als bijzondere voorwaarde legt de raad aan verweerster de verplichting op om zich gedurende zes maanden te houden aan de aanwijzingen van de deken aangaande haar praktijkvoering. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 februari 2026 in de zaak 25-673/A/A/D
naar aanleiding van het bezwaar van:
deken
over:
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Bij brief aan de raad van 1 oktober 2025 met kenmerk 2526310, digitaal door
de raad ontvangen op dezelfde datum, heeft de deken haar bezwaar ter kennis van de
raad gebracht. Het bezwaar is behandeld op de zitting van de raad van 12 januari 2026
in aanwezigheid van de deken. Verweerster is niet op de zitting bij de raad verschenen.
Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.2 De raad heeft kennisgenomen van de in 1.1 genoemde brief van de deken en
van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 9.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van het bezwaar gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Op 30 maart 2025 heeft de heer C bij de deken een klacht ingediend tegen
verweerster. Samengevat komt die klacht erop neer dat de heer C verweerster heeft
gevraagd om bijstand in een alimentatiekwestie en een kwestie over de omgang met zijn
minderjarige kind, maar dat verweerster daarin is tekortgeschoten. De klacht van C
is bij de raad bekend onder nummer 25-669/A/A.
2.3 Op 1 april 2025 heeft de deken verweerster gevraagd om binnen drie weken
te reageren op de klacht van de heer C.
2.4 Op 28 april 2025 heeft de deken verweerster een herinnering gestuurd en gevraagd
om binnen twee weken te reageren op de klacht van de heer C.
2.5 Op 12 mei 2025 heeft verweerster verweer gevoerd tegen de klacht van de heer
C.
2.6 Op 13 mei 2025 heeft mr. J. Schaap, toen nog deken, met verweerster gesproken.
Het verslag van het gesprek is als volgt:
"(…) Wij bespraken dat u in de periode november 2024 t/m februari 2025 niet heeft
gereageerd op de e-mailberichten van de heer C”(…) en geen verweerschrift hebt opgesteld
en ingediend in de alimentatiezaak, waardoor er een beschikking is gewezen waarin
het verzoek van de wederpartij volledig is toegewezen. U was in die periode ziek,
maar u hebt uw praktijk niet volledig laten waarnemen omdat u dacht bepaalde werkzaamheden
(ondanks uw ziekte) zelf te kunnen uitvoeren. U bent inmiddels weer volledig hersteld.
U geeft aan dat het fout is gegaan in de zaak van de heer C(…) en u neemt daar de
volledige verantwoordelijkheid voor. Wij bespraken dat u uw waarneming in de toekomst
beter zult organiseren om te voorkomen dat – als u onverhoopt weer ziek wordt – dit
nog een keer kan gebeuren. Ik zie daarom geen reden om op dit moment over te gaan
tot indiening van een dekenbezwaar. (…)”
2.7 Op 27 mei 2025 heeft verweerster de deken desgevraagd enkele documenten toegestuurd,
ter onderbouwing van haar verweer in de klachtzaak van de heer C.
2.8 Op 22 juni 2025 heeft de heer C zijn repliek ingediend in zijn klacht tegen
verweerster. De deken heeft de repliek op 23 juni 2025 doorgestuurd naar verweerster
met het verzoek om daarin binnen drie weken te reageren.
2.9 Op 15 juli 2025 heeft de deken een herinnering gestuurd naar verweerster
en haar verzocht om binnen twee weken te reageren op de repliek van de heer C.
2.10 Op 31 juli 2025 heeft de deken het volgende aan verweerster geschreven:
(…) Tot op heden reageerde u niet op mijn e-mailberichten van 23 juni 2025 en 15
juli 2025 (bijlagen). Ik stel vast dat u niet meewerkt aan het onderzoek door de deken
en daarmee in strijd handelt met Gedragsregel 29. Indien ik uiterlijk 7 augustus 2025
niet van u verneem, zal ik de klacht zonder uw reactie doorzenden aan de raad van
discipline en overweeg ik eveneens een dekenbezwaar tegen u in te dienen. Ik wacht
uw spoedige reactie af. (…)"
3 BEZWAAR
3.1 Het bezwaar houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. De deken verwijt
verweerster het volgende.
De deken verwijt verweerster dat zij niet heeft meegewerkt aan het onderzoek naar
aanleiding van de klacht van de heer C (zaak 25-669/A/A).
3.2 De stellingen die de deken aan het bezwaar ten grondslag heeft gelegd worden
hierna, voor zover van belang, besproken.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft geen verweer gevoerd tegen het bezwaar van de deken.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Gedragsregel 29 luidt als volgt:
Bij een tuchtrechtelijk onderzoek, een verzoek om informatie van de deken dat met
een mogelijk tuchtrechtelijk onderzoek verband houdt of een verzoek om medewerking
op grond van artikel 5:20 van de Algemene wet bestuursrecht, is de betrokken advocaat
verplicht alle gevraagde inlichtingen aanstonds aan de deken te verstrekken, zonder
zich op zijn geheimhoudingsplicht te kunnen beroepen, behoudens in bijzondere gevallen.
Bezwaar gegrond
5.2 Verweerster heeft na het verzoek daartoe van de deken en één rappel gemotiveerd
gereageerd op de klacht van de heer C. Zij heeft ter onderbouwing van haar verweer
stukken naar de deken gestuurd. Verweerster heeft vervolgens niet gereageerd op het
verzoek om te dupliceren.
5.3 Naar het oordeel van de raad lag het op de weg van verweerster om te reageren
op het verzoek van de deken op te dupliceren. Het stond verweerster vrij om van de
gelegenheid om (inhoudelijk) aanvullend te reageren af te zien, maar zij had dat in
ieder geval aan de deken moeten laten weten. Het betaamt een advocaat niet om gaandeweg
een onderzoek van de deken naar een tuchtklacht in het geheel niet meer te reageren.
De raad is dan ook van oordeel dat het bezwaar van de deken gegrond is.
Maatregel
5.4 Behalve onbetamelijk vindt de raad de gedragingen van verweerster zorgelijk.
Zij heeft eerst verzuimd om de heer C van deugdelijke bijstand te voorzien en vervolgens
om daarover bij de deken volledige verantwoording af te leggen. Zoals de deken ter
zitting naar voren heeft gebracht, lijkt er sprake te zijn van een patroon, omdat
de klacht van de heer C ook deels op de bereikbaarheid van verweerster ziet. Verweerster
is ook niet verschenen bij de mondelinge behandeling van deze zaak en de klachtzaak
van de heer C, zonder (vooraf) een verzoek te doen tot aanhouding van de behandeling.
De raad heeft, net als de deken, de indruk dat verweerster zich niet wil laten zien.
5.5 In het gesprek van de deken met verweerster is aan de orde gekomen dat verweerster
ziek is geweest. In die periode kon zij geen adequate bijstand verlenen aan (in ieder
geval) de heer C, maar zij heeft ook geen waarnemer ingeschakeld. Dit roept de vraag
op of verweerster haar waarneming goed georganiseerd heeft.
5.6 De raad zal gelet op de zorgen over de praktijkvoering en het welzijn van
verweerster aan verweerster een voorwaardelijke maatregel opleggen. Daarbij zal als
bijzondere voorwaarde, zakelijk weergegeven, het toelaten van toezicht door en begeleiding
van de deken worden opgelegd.
5.7 De raad wijst erop dat de maatregel ziet op de met elkaar samenhangende gedragingen
in deze zaak en de klachtzaak van de heer C. In de klachtzaak van de heer C zal de
raad de klacht gegrond verklaren, echter zonder oplegging van een maatregel. De raad
kiest ervoor om aan verweerster in deze zaak een maatregel op te leggen die geldt
voor deze beide zaken.
5.8 De raad zal aan verweerster een geheel voorwaardelijke schorsing opleggen
voor de duur van twee weken, met een proeftijd van twee jaren. Daaraan zal de algemene
voorwaarde worden verbonden dat verweerster zich niet opnieuw schuldig maakt aan een
in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde gedraging. Daarbij geldt als bijzondere
voorwaarde dat verweerster dient te verschijnen op de door de deken ter zitting bij
de raad aangekondigde uitnodiging voor een gesprek, waarna zij zich gedurende een
periode van zes maanden na het onherroepelijk worden van deze beslissing aan de door
de deken te geven aanwijzingen aangaande haar praktijkvoering zal dienen te houden,
waaronder bijvoorbeeld een coachingstraject.
5.9 De raad geeft verweerster en de deken in overweging om al voorafgaand aan
de onherroepelijkheid van deze beslissing te handelen in de geest van het voorgaande.
6 KOSTENVEROORDELING
6.1 Omdat de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerster op grond van
artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
b) € 500,- kosten van de Staat.
6.2 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 6.1 onder a
en b genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden,
overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse
Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline"
en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart het bezwaar gegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van een schorsing voor de duur van twee weken
op;
- bepaalt dat deze maatregel niet ten uitvoer zal worden gelegd tenzij de raad
van discipline later anders mocht bepalen op de grond dat verweerster een of meer
van de navolgende bijzondere of algemene voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt als algemene voorwaarde dat verweerster zich binnen de hierna te melden
proeftijd niet opnieuw schuldig maakt aan een in artikel 46 van de Advocatenwet bedoelde
gedraging;
- stelt de proeftijd op een periode van twee jaren, ingaande op de dag dat deze
beslissing onherroepelijk wordt;
- stelt als bijzondere voorwaarde dat dat verweerster dient te verschijnen op de
door de deken ter zitting bij de raad aangekondigde uitnodiging voor een gesprek,
waarna zij zich gedurende een periode van zes maanden na het onherroepelijk worden
van deze beslissing aan de door de deken te geven aanwijzingen aangaande haar praktijkvoering
zal dienen te houden, waaronder bijvoorbeeld een coachingstraject
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan
de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór
bepaald in 6.2.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. M. Bootsma en C.M. Peeperkorn,
leden, bijgestaan door mr. A. Tijs als griffier en uitgesproken ter openbare zitting
van 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 februari 2026