ECLI:NL:TADRAMS:2026:40 Raad van Discipline Amsterdam 26-029/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:40 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 23-02-2026 |
| Datum publicatie: | 02-03-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-029/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over de kwaliteit van dienstverlening kennelijk ongegrond. Van enige belangenverstrengeling bij verweerster is de voorzitter niet gebleken. Verweerster lijkt zich juist steeds voor klager te hebben ingespannen. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 23 februari 2026
in de zaak 26-029/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 13 januari 2026 met kenmerk 2467044/EvR/AS, door
de raad ontvangen op 13 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
00 tot en met 04.
Nagezonden stukken klager
Klager heeft veelvuldig e-mails gestuurd aan de griffie van de raad. Naar aanleiding
van zijn e-mails van 28 januari 2026, heeft de griffier klager bij e-mail van eveneens
28 januari 2026 gewezen op de regels die de raad hanteert over nagezonden stukken,
neergelegd in artikel 2.4 in het procesreglement van de raden van discipline (procesreglement)
en een link naar het procesreglement meegestuurd. Gelet op het bepaalde in artikel
2.4.4. van het procesreglement is klager daarbij verzocht om een kopie van zijn e-mails
van 28 januari 2026 aan verweerster te sturen en in cc aan de griffie van de raad.
In dat verband is klager meegedeeld dat wanneer hij dit niet doet, de e-mails van
28 januari 2026 niet aan het procesdossier zullen worden toegevoegd. Aangezien klager
niet heeft voldaan aan dit verzoek, zijn zijn e-mails van 28 januari 2026 niet toegevoegd
aan het procesdossier.
Verder heeft de griffier klager in diezelfde e-mail van 28 januari 2026 meegedeeld
dat hij met toezending van zijn e-mails van 28 januari 2026 gebruik gemaakt heeft
van de eenmalige gelegenheid om nadere stukken in te dienen en dat alle hiernavolgende
e-mails van klager met inhoudelijke informatie over zijn klacht niet meer zullen worden
toegevoegd aan het procesdossier. Deze mededeling is bij e-mail van 29 januari 2026
herhaald. Daarbij is klager nogmaals dringend verzocht om de regels van het procesreglement
in acht te nemen. Ook telefonisch is klager meerdere malen uitleg gegeven over de
regels van het procesreglement. Alle e-mails die klager daarna aan de raad heeft gestuurd,
soms wel, maar meestal niet in cc aan verweerster, zijn gelet op het voorgaande buiten
beschouwing gelaten.
Nagezonden stukken verweerster
De voorzitter heeft kennisgenomen van de door verweerster op 15 februari 2026 nagezonden
stukken.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Klager is in maart 2006 betrokken geweest bij een brand in zijn woning. Klager
had een inboedel- en woonhuisverzekering bij ABN AMRO Schadeverzekeringen N.V. (hierna:
AAS). AAS heeft over klager een melding gedaan bij het fraudeloket van het Verbond
van Verzekeraars, waarna tussen klager en AAS een geschil is ontstaan.
1.2 Verweerster heeft klager vanaf 2014 in dit geschil bijgestaan. Partijen hebben
een gerechtelijke procedure gevoerd, waarbij ook de ABN AMRO Bank N.V. (hierna: ABN
AMRO) betrokken was.
1.3 In hoger beroep heeft het gerechtshof Amsterdam (hierna: het hof) bij tussenarrest
van 21 februari 2023 geoordeeld dat AAS ten onrechte een fraudemelding over klager
heeft gedaan. Klager is vervolgens in de gelegenheid gesteld om de door hem naar aanleiding
van die melding geleden schade nader te concretiseren en te onderbouwen.
1.4 Op 18 april 2023 heeft verweerster namens klager een akte schadestaat bij
het hof ingediend. Daarbij heeft zij een aantal producties overgelegd en een aantal
nader aan te leveren producties aangekondigd.
1.5 Bij e-mail van 25 april 2023 te 14:02 uur heeft verweerster bij klager navraag
gedaan over het aanleveren van de aangekondigde producties. Zij schrijft klager het
volgende:
“Het Hof belde. Het Hof wil de producties hebben die wij hebben aangekondigd in
de schadestaat. Ik heb geantwoord dat u tijd nodig heeft om alles te verzamelen. Hoeveel
tijd heeft u nodig? (…)”
1.6 Op 1 mei 2023 om 09:01 uur heeft verweerster klager een e-mail gestuurd waarin
zij nogmaals verzoekt om de aangekondigde producties. Zij schrijft klager in dat verband:
“U had afgelopen vrijdag telefonisch aangegeven dat u kopieën van de dertien door
ons aangekondigde producties uiterlijk dit afgelopen weekend zou aanleveren zodat
ik ze maandag (vandaag) zou kunnen inleveren bij het hof.
Wat is de voortgang?”
1.7 Daarna heeft verweerster klager (onder meer) op 24 september 2023, 25 oktober
2023, 16 december 2023, 9 januari 2024, 13 januari 2024, 31 januari 2024, 9 februari
2024, 19 maart 2024, 20 maart 2024 en 27 mei 2024 verzocht de aangekondigde nadere
producties aan te leveren.
1.8 Op 12 juni 2023 hebben AAS en ABN AMRO een antwoordakte genomen, waarna op
2 april 2024 een mondelinge behandeling in de zaak heeft plaatsgevonden.
1.9 Op 12 april 2024 heeft verweerster aan klager geadviseerd om het door de
ABN AMRO aangeboden schikkingsbedrag van € 10.000,- te accepteren. Haar e-mail luidt
als volgt:
“Zie bijgevoegde spreekaantekeningen van de afgelopen mondelinge behandeling die
[ABN AMRO] me heeft gestuurd. Ik zal onze spreekaantekeningen ook aan [ABN AMRO] sturen
aangezien ik dat verplicht ben.
Zoals eerder telefonisch besproken is [ABN AMRO] bereid om tussen de EUR 7500 en
EUR 10 000 aan u te betalen als smartengeld. We hebben besproken dat we daarnaast
schriftelijke excuses kunnen eisen.
Een hoger bedrag of in de media gepubliceerde excuses zullen we niet krijgen. Het
staat u vrij om de schriftelijke excuses van [ABN AMRO] bijvoorbeeld zelf in de media
te publiceren.
Ook vergunning intrekking kan geen onderdeel uitmaken van de onderhandelingen. Hoewel
we wel vergunning intrekking stukken hebben ingebracht in de procedure, komt dit thema
niet als eis voor in deze procedure. Dat kan ook niet omdat de lopende procedure een
civiele procedure is, niet een bestuursrechtelijke procedure. Deze eis kan u niet
aan dit civiele hof voorleggen maar dient u in te dienen bij de autoriteit die over
vergunning intrekking gaat.
Dit betekent dat u vrij staat om vergunning intrekking (nogmaals) te eisen bij de
Nederlandse Bank en/of bij AFM zodat u dit doel alsnog kan bereiken.
Ik verzoek u vriendelijk om mij te laten weten of ik aan [ABN AMRO] kan bevestigen
dat we akkoord gaan met EUR 10 000 plus schriftelijke excuses.
Als u dit niet wenst dan zal ik aan het Hof doorgeven dat partijen geen schikking
hebben kunnen bereiken.
Gezien het dossier dat wij tot nu toe hebben overgelegd aan het Hof en eerder aan
de Rechtbank, raad ik aan om wel tot een schikking te komen.”
1.10 Op 10 december 2024 heeft het hof arrest gewezen in de zaak tussen klager
enerzijds en ABN AMRO en AAS anderzijds. De schadevorderingen van klager zijn afgewezen.
In het arrest is, voor zover voor onderhavige klacht relevant, het volgende opgenomen:
“Voorafgaand aan de mondelinge behandeling heeft [klager] producties overgelegd.
Anders dan aangekondigd, heeft hij de producties 34, 35, 38 t/m 40, 42 t/m 45 en 47
bij zijn akte niet in het geding gebracht.”
1.11 Op 20 februari 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over
verweerster.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster dat zij heeft nagelaten de producties in te dienen bij het hof ter bewijs
van de door klager geleden schade als gevolg van de onterechte fraudemelding van AAS.
3 VERWEER
3.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 Klager heeft aan zijn klacht het volgende ten grondslag gelegd. Verweerster
had hem meegedeeld dat zij alle bewijzen in haar bezit had en deze bij het hof zou
indienen. Hoewel klager hier meerdere malen op heeft aangedrongen, heeft verweerster
dit niet gedaan. Het gaat daarbij om stukken, die essentieel zijn voor de onderbouwing
van zijn schadevergoedingsvordering. Nadat AAS en ABN AMRO hun antwoordakte hadden
genomen, heeft verweerster klager gechanteerd en gezegd dat hij een schadevergoeding
van € 10.000,- moest accepteren en dat de stukken anders niet bij het hof zouden worden
ingediend. Verweerster was als zijn advocaat verplicht om de stukken bij het hof in
te dienen ook als klager het schikkingsvoorstel niet wilde accepteren. Volgens klager
kan de enige verklaring voor het niet indienen van de stukken zijn dat verweerster
partijdig is ten voordele van de wederpartij en is omgekocht. Verweerster is namelijk
een voormalig werknemer van Capgemini en dat bedrijf is een partner van ABN AMRO.
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter treft de klacht geen doel. Zoals blijkt
uit het debat dat daarover bij de deken is gevoerd en de stukken die in dat kader
zijn overgelegd, heeft verweerster onderbouwd uiteengezet dat zij alle producties
die klager heeft aangeleverd en waarvan is afgesproken dat deze zouden worden overgelegd,
heeft ingediend. In het arrest van het hof staat dat er producties bij de akte schadestaat
zijn aangekondigd, die niet zijn overgelegd. Bij het opstellen van de akte schadestaat
heeft verweerster met klager afgesproken dat hij de aangekondigde producties zou opzoeken
en bij haar zou aanleveren. Verweerster verwijst in dit kader naar haar e-mailwisseling
hierover met klager (weergegeven bij de feiten). Klager heeft volgens verweerster
toegezegd om dit te doen. Ondanks herhaalde aanmaningen van verweerster heeft klager
echter nagelaten de stukken te verstrekken. Volgens verweerster heeft klager daar
wel zijn best voor gedaan, maar was het hem niet gelukt omdat de bewijzen niet meer
te vinden waren doordat de gehele administratie van klager op straat is gezet en is
afgevoerd toen zijn huis gedwongen werd verkocht en ontruimd.
4.4 De voorzitter heeft niet kunnen vaststellen dat de gang van zaken anders
is verlopen dan door verweerster is beschreven. En hoewel de omstandigheden waarin
klager verkeerde vervelend zijn, volgt uit de beschreven gang van zaken dat verweerster
geen verwijt valt te maken van het feit dat de aangekondigde producties niet door
haar in het geding zijn gebracht. Verder biedt het klachtdossier geen feitelijke grondslag
voor het verwijt dat verweerster klager gechanteerd zou hebben om het schikkingsbedrag
van € 10.000,- te accepteren. Uit de e-mail van verweerster van 12 april 2024 (weergegeven
in r.o. 1.9) blijkt duidelijk dat verweerster klager wel heeft geadviseerd om het
aanbod te accepteren, maar de keuze hiervoor bij klager heeft gelaten. Van enige belangenverstrengeling
bij verweerster is de voorzitter niet gebleken. Verweerster lijkt zich juist steeds
voor klager te hebben ingespannen.
4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren. Al hetgeen klager
verder heeft betoogd, leidt de voorzitter niet tot een ander oordeel.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 23 februari 2026