ECLI:NL:TADRAMS:2026:4 Raad van Discipline Amsterdam 25-598/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:4 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 05-01-2026 |
| Datum publicatie: | 12-01-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-598/A/A |
| Onderwerp: | Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen |
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is deels gegrond. Verweerster is klachtwaardig tekortgeschoten door geen navraag te doen naar het door klager op haar derdengeldenrekening gestorte bedrag dat bestemd was voor haar cliënt. Verweerster heeft dit bedrag ten onrechte op haar derdengeldenrekening laten staan, ook nadat klager had gevraagd om het bedrag aan hem terug te storten. Aan verweerster wordt de maatregel van een waarschuwing opgelegd. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 5 januari 2026
in de zaak 25-598/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 18 december 2024 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
1.2 Op 4 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk 2435901/JS/FS van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 21 november 2025. Daarbij waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 25 september 2025 nagezonden stukken..
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager is enig erfgenaam van zijn moeder (hierna ook: de moeder).
2.3 In december 2014 heeft klager de woning van zijn moeder overgenomen.
2.4 Op 5 november 2020 is de moeder van klager onder curatele ingesteld. De heer L is aangesteld als curator (hierna: de curator).
2.5 Verweerster trad op als de advocaat van de curator.
2.6 In een brief van 15 februari 2022 heeft verweerster aan klager geschreven, voor zover relevant:
“(…) Cliënt [de curator] heeft inmiddels ook moeten vaststellen dat reeds in 2014 sprake was van een geestelijke stoornis aan de zijde van uw moeder, dat de koopovereenkomst voor haar nadelig is geweest en dat die vernietigd zou moeten worden. Moeder leed reeds in 2014 aan seniele dementie. Het is volgens cliënt niet waarschijnlijk dat zij de gevolgen van de koopovereenkomst destijds heeft kunnen overzien. Dat de koopovereenkomst voor moeder nadelig was, is evident. De woning is verkocht voor een prijs die zelfs onder de WOZ-waarde lag en moeder heeft na de verkoop geen enkel bedrag ontvangen.
(…)
Cliënt stelt zich ook op het standpunt dat in 2014 sprake is geweest van misbruik van omstandigheden. Aan de zijde van moeder was immers sprake van afhankelijkheid (van u) en een abnormale geestestoestand, waardoor zij bewogen is tot het sluiten van de voor haar nadelige koopovereenkomst. U wist of had moeten begrijpen dat uw moeder door een combinatie van afhankelijkheid, haar abnormale geestelijke toestand en haar onervarenheid werd bewogen tot het aangaan van de koopovereenkomst met betrekking tot de woning. U wist of had moeten begrijpen dat uw moeder door de bijzondere omstandigheden tot het aangaan van de koopovereenkomst werd bewogen. U had naar de mening van cliënt uw moeder behoren te weerhouden om de koopovereenkomst met u aan te gaan.
Cliënt stelt zich derhalve op het standpunt dat er voldoende redenen zijn om de koopovereenkomst met betrekking tot de woning te laten vernietigen. Voordat hij hiertoe overgaat, wenst hij u uiteraard in de gelegenheid te stellen op het voorgaande te reageren.
Mocht de koopovereenkomst intact blijven, dan dient in ieder geval het bedrag van € 95.000,- vermeerderd met een marktconforme rente aan moeder te worden betaald. (…)”
2.7 De moeder van klager is op 17 maart 2022 overleden.
2.8 Verweerster heeft op 22 maart 2022 en op 5 april 2022 twee facturen ter hoogte van € 897,98 en € 242,- (inclusief BTW) verzonden aan de curator voor de door haar verrichte werkzaamheden in februari en maart 2022. De curator heeft deze facturen betaald.
2.9 Op 26 april 2022 heeft klager bij verweerster de specificaties van alle ingediende nota’s opgevraagd, omdat hij deze nodig had voor de afwikkeling van de erfenis.
2.10 Verweerster is hierna ook de broer van klager (hierna: de broer) bij gaan staan als advocaat.
2.11 Op 14 juli 2022 heeft verweerster namens de broer bij klager een beroep gedaan op zijn legitieme portie. De broer stelt zich op het standpunt dat de vordering van zijn vaderlijk erfdeel opeisbaar is geworden door het overlijden van de moeder. Verder stelt de broer dat hij een vordering heeft op klager van € 95.000,- in verband met de overname van de woning van zijn moeder.
2.12 In een e-mailbericht van 16 september 2022 heeft klager aan verweerster geschreven:
(…) lndien uw cliënt, [de broer] akkoord gaat inzake zijn deel in de nalatenschap van [de moeder] verzoek ik hem dit te ondertekenen en aan mij te retourneren waarna ik de gelden ad Eur. (…)op uw derdengeldenrekening (…) zal overboeken. (…)
2.13 Op 19 oktober 2022 heeft klager in een e-mailbericht aan verweerster geschreven:
“Bij deze doe ik u toekomen de laatste 2 brieven die ik heb ontvangen van de rechtbank te Amsterdam waaruit duidelijk blijkt dat ik de nalatenschap (lichte vereffening) van mijn moeder kan en mag afwikkelen. Deze brieven zijn leidend. Ik zal de nalatenschap conform de richtlijnen van de rechtbank te Amsterdam afwikkelen zodat de zaak is afgehandeld en het saldo waar mijn broer recht op heeft conform het overzicht op uw derdenrekening overboeken.
Ik heb u reeds alle informatie opgestuurd die nodig is om de nalatenschap te kunnen beoordelen. Voor de duidelijkheid: ik heb beneficiair aanvaard en ben dus niet aansprakelijk voor eventuele schulden die de nalatenschap te boven gaat. (…)”
2.14 Verweerster heeft klager namens de broer gedagvaard.
2.15 Bij e-mailbericht van 12 februari 2023 heeft verweerster namens de broer aan (een medewerker van) de rechtbank geschreven, voor zover relevant:
“In de nalatenschap van (…) (moeder) treed ik op voor de broer van [klager] (de vereffenaar) (…).
Cliënt is door moeder onterfd en heeft reeds bij brief van 14 juli 2022 een beroep gedaan op zijn legitieme portie. [Klager] is enig erfgenaam. Met het beroep op de legitieme portie werd cliënt crediteur van de nalatenschap van zijn moeder.
Cliënt heeft op 28 augustus 2022 een procedure (…) tegen [klager] aangespannen, waarin hij de afgifte van diverse documenten heeft gevorderd (om de legitieme te berekenen) en hij de rechtbank heeft gevraagd de legitieme vast te stellen. In de procedure heeft [klager] verstek laten gaan. Op 10 november 2022 heeft [klager] echter een verzetdagvaarding aan cliënt betekend. Op 28 februari a.s. vindt de mondelinge behandeling in de procedure plaats. (…)
[Klager] heeft mij laten weten dat de kantonrechter hem tot vereffenaar heeft benoemd.
[Klager] heeft de verplichting om als vereffenaar de hem bekende schuldeisers van de nalatenschap per brief dient op te roepen. Aan die verplichting heeft [klager] niet voldaan (mijn cliënt noch ik hebben een brief ontvangen).
Het is cliënt bekend dat [klager] in 2014 de woning van zijn moeder heeft gekocht, maar dat hij de koopprijs niet heeft betaald. [Klager] heeft de kantonrechter kennelijk niet op de hoogte gesteld van het feit dat er in verband hiermee (al voordat hij vereffenaar was) een procedure tegen hem als enig erfgenaam van de nalatenschap aanhangig was gemaakt en dat er uit hoofde van de legitieme portie op een schuld van de nalatenschap was, waarvan de hoogte nog onbekend is.
Uit artikel 4:199 lid 2 BW volgt dat de kantonrechter op de hoogte gesteld dient te worden als er sprake is van een onbekende schuld, waardoor de nalatenschap negatief wordt. Afgezien van het feit dat de nalatenschap m.i. al negatief was (als gevolg van de erfdelen van [klager] en [de broer van klager] van € 25.568,49 per persoon
I.v.m. de nalatenschap van hun vader, welke erfdelen opeisbaar zijn geworden door het overlijden van moeder), is deze nog meer negatief als gevolg van de aan cliënt te betalen legitieme portie, waarvan de hoogte door de rechtbank nog moet worden vastgesteld.
Met het oog op het voorgaande verzoekt cliënt de kantonrechter de vereffenaar alsnog de verplichtingen als bedoeld in artikel 4:214 BW op te leggen, nu dat voor in het belang van een regelmatige vereffening geboden is in deze situatie, waarin de schulden de baten vooralsnog lijken te overtreffen. (…)”
2.16 De (medewerker van de) rechtbank heeft hierop op dezelfde datum geantwoord:
“Dank voor uw uitgebreide bericht, de kantonrechter was niet op de hoogte van de procedure waarnaar u verwijst aangezien deze bij de kamer anders dan kantonzaken (de handelskamer) loopt en de vereffening bij ons. Een brief van 14 juli 2022 is mij niet bekend, deze is niet aan de kantonrechter gericht neem ik aan.
Ik heb het dossier niet meer bij de hand nu de vereffening is beëindigd. Wel weet Ik nog het volgende.
[Klager] is niet tot vereffenaar benoemd, aangezien hij de nalatenschap beneficiair aanvaard heeft is hij als erfgenaam vereffenaar. Uit dien hoofde heeft hij een boedelbeschrijving ingediend. Uit de stukken bleek mij dat er nog een broer was. Op mijn vraag aan [klager] of zijn broer akkoord was met de boedelbeschrijving heb als antwoord gekregen dat zijn broer legitimaris is en door u bijgestaan wordt. Een legitimaris hoeft niet met de boedelbeschrijving akkoord te gaan, reden waarom ik u niet benaderd heb.
Hel testament waarin uw client onterfd wordt is door de vereffenaar meegezonden. Het dossier is bij ons gesloten nu de vereffenaar een uitdelingslijst heeft ingediend. Deze is te inzage gelegd. Ik heb daarop [klager] medegedeeld dat alle schuldeisers kunnen worden voldaan en de resterende gelden aan hem en de legitimaris uitbetaald kunnen worden.”
2.17 In een e-mailbericht van 21 november 2023 heeft klager aan verweerster geschreven, voor zover relevant:
“op 10 januari 2023 heb ik onverschuldigd (…). inmiddels heeft u al diverse malen aangegeven het er niet mee eens. (…) zolang we het er niet overeen eens zijn verzoek ik u mij deze gelden terug te boeken. (…) lk verzoek u vandaag of morgen het onverschuldigde bedrag ad (…) aan mij terug te boeken. lk zal de termijn in acht nemen. lk hoop dat u nu dit bedrag terugboekt. (…)”
2.18 Op 28 februari 2023 heeft de mondelinge behandeling van de procedure tussen de broer en klager plaatsgevonden.
2.19 Bij vonnis van de rechtbank Amsterdam van 13 november 2024 zijn de vorderingen van de broer afgewezen.
2.20 Verweerster heeft hierna het door klager op de derdengeldenrekening overgemaakte bedrag, aan klager terugbetaald.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:
a) verweerster maakt zich schuldig aan belangenverstrengeling door zowel de moeder van klager, als de curator, als de broer van klager bij te staan;
b) verweerster heeft informatie uit het curatele dossier van de moeder en de curator gebruikt in het nalatenschap dossier voor de broer van klager;
c) verweerster heeft onverschuldigd betaalde gelden van klager op haar derdengeldenrekening vastgehouden die bestemd waren voor de broer van klager conform de uitdelingslijst met goedkeuring van de rechtbank;
d) verweerster heeft na het overlijden van de moeder van klager en dus bij het einde van de curatele twee nota’s ingediend bij de curator. Verweerster had deze nota’s eerst aan klager als erfgenaam moeten voorleggen;
e) verweerster heeft nagelaten informatie te verstrekken aan klager die hij nodig had voor de berekening van de nalatenschap van de moeder van klager;
f) verweerster heeft de gerechtelijke procedure die zij namens de broer van klager was gestart onnodig laten doorlopen, waarbij door klager onderling verstrekte notariële stukken categorisch zijn ontkend en klager gedwongen was de stukken in de gerechtelijke procedure te overleggen.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 Op grond van gedragsregel 15 mag een advocaat in het algemeen niet optreden tegen een (voormalig) cliënte van de advocaat of van een kantoorgenoot. De advocaat mag zich immers niet in de situatie begeven waarin zij de kans loopt ten koste van haar (voormalig) cliënte in een belangenconflict te raken. Daarnaast moet de (voormalig) cliënte er volledig op kunnen vertrouwen dat gegevens over zijn zaak of zijn onderneming die de (voormalig) cliënte aan de advocaat of haar kantoorgenoot ter beschikking heeft gesteld, niet op enig moment tegen hem worden gebruikt. Dat vloeit al voort uit de geheimhoudingsplicht van de advocaat.
5.3 Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
Klachtonderdeel a)
5.4 Klager stelt zich op het standpunt dat verweerster zich schuldig heeft gemaakt aan belangenverstrengeling, door zowel voor de moeder van klager, als de curator, als de broer van klager op te treden als advocaat.
5.5 Op grond van de inhoud van het klachtdossier en hetgeen partijen verder naar voren hebben gebracht, is de raad van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarop gedragsregel 15 van toepassing is. Van belangenverstrengeling kan alleen sprake zijn als klager op enig moment de cliënt van verweerster is geweest en dat is hier niet aan de orde. Verweerster kan in zoverre geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
5.6 Voor zover klager verweerster verwijt dat zij de curator en de broer heeft bijgestaan terwijl zij een van elkaar tegenstrijdig belang hebben, dan is de raad van oordeel dat bij klager het rechtstreeks belang ontbreekt om hierover een klacht in te dienen. Als er een tegenstrijdig belang zou bestaan tussen de curator en de broer, is het aan hen om hierover te klagen, klager staat hier buiten.
5.7 Gelet op het voorgaande is de raad van oordeel dat klachtonderdeel a) ongegrond is.
Klachtonderdeel b)
5.8 Klager verwijt verweerster dat zij informatie (een politiedossier en een brief van de familie) afkomstig uit het curatele dossier van de moeder, in het nalatenschap dossier voor de broer van klager heeft gebruikt. Verweerster heeft deze stukken zonder voorbehoud overgenomen, met als doel het imago van klager te schaden.
5.9 Naar het oordeel van de raad kan verweerster ten aanzien van dit klachtdonderdeel geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. De raad overweegt dat een advocaat die een hem door zijn cliënt ter beschikking gesteld bewijsstuk in het geding brengt, behoudens bijzondere omstandigheden, in het algemeen niet tuchtrechtelijk verwijtbaar handelt. De raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding of bijzondere omstandigheden op grond waarvan anders zou moeten worden geoordeeld. Verweerster heeft ter zitting erkend dat zij de stukken uit het curatele dossier heeft gebruikt in het dossier van de broer. Verweerster had hiervoor de toestemming gekregen van haar cliënt, de curator. Dat klager het vervelend vond dat deze stukken door verweerster werden ingebracht, maakt niet dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld.
5.10 De raad concludeert dat klachtonderdeel b) ongegrond is.
Klachtonderdeel c)
5.11 Klager verwijt verweerster dat zij door klager onverschuldigd betaalde gelden, die bestemd waren voor de broer van klager, ten onrechte op haar derdengeldenrekening heeft vastgehouden. Het geld was van klager en hij heeft meerdere keren aan verweerster gevraagd om het geld aan hem terug te storten.
5.12 De raad stelt vast dat klager in zijn e-mailbericht van 16 september 2022 aan verweerster heeft gevraagd of haar cliënt, de broer, zijn akkoord wilde geven op zijn deel van de nalatenschap van de moeder, waarna klager het bedrag van € 781,88 op de derdengeldenrekening van verweerster zou storten. Naar het oordeel van de raad had verweerster dit bericht aan haar cliënt, de broer, moeten doorsturen en om zijn akkoord moeten vragen. Verweerster had in ieder geval navraag bij haar cliënt moeten toen het bedrag op haar derdengeldenrekening werd overgemaakt. Hierna had zij het bedrag aan haar cliënt moeten overmaken of moeten terugboeken op de rekening van klager. De raad weegt hierin mee dat klager de rechthebbende was op het geldbedrag en dat hij op 21 november 2023 expliciet aan verweerster heeft verzocht om terugstorting. Verweerster had hiertoe over moeten gaan, nu er geen grond bestond om het bedrag op haar derdengeldenrekening te laten staan. Dat verweerster dit niet heeft gedaan en hiertoe pas is overgegaan na de uitspraak van 13 november 2024, acht de raad tuchtrechtelijk verwijtbaar.
5.13 Klachtonderdeel c) is gelet op het voorgaande gegrond.
Klachtonderdeel d)
5.14 Klager verwijt verweerster dat zij na het overlijden van zijn moeder op 17 maart 2022 twee nota’s (van 22 maart 2022 en 5 april 2022) heeft ingediend bij de curator. Verweerster had deze nota’s eerst aan klager als erfgenaam moeten voorleggen.
5.15 De raad stelt vast dat de curator de cliënt was van verweerster. Verweerster was daarom gehouden om de nota’s aan de curator te sturen. Het was vervolgens aan de curator om hiermee op de juiste wijze om te gaan toen de moeder was overleden. Dat deze nota’s niet meer hadden moeten worden ingediend, kan verweerster niet worden verweten. Daarbij heeft verweerster de bedragen uiteindelijk aan klager (als enig erfgenaam van de moeder) terugbetaald.
5.16 Naar het oordeel van de raad kan verweerster geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel e)
5.17 Klager verwijt verweerster dat zij heeft nagelaten informatie te verstrekken aan klager die hij nodig had voor de berekening van de nalatenschap van de moeder van klager.
5.18 De raad is van oordeel dat verweerster niet gehouden, noch bevoegd was, om de door klager verzochte nota’s aan hem te verstrekken. Verweerster heeft hiertoe terecht aangevoerd dat niet klager, maar de curator haar opdrachtgever was. Indien verweerster de stukken wel aan klager zou verstrekken, zou zij in strijd handelen met haar geheimhoudingsplicht. Verweerster kan geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt en klachtonderdeel e) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel f)
5.19 Klager stelt dat verweerster de procedure die zij namens de broer van klager was gestart onnodig heeft laten doorlopen, waarbij door klager onderling verstrekte notariële stukken categorisch zijn ontkend en klager gedwongen was de stukken in de gerechtelijke procedure te overleggen.
5.20 Dat klager de akte, die zag op de overname van het huis van de moeder (en waaruit bleek dat de vorderingen van de broer kansloos waren), pas na de mondelinge behandeling van 28 februari 2023 in de procedure heeft ingebracht, kan verweerster naar het oordeel van de raad niet worden verweten. Klager beschikte over deze akte en hij had deze cruciale informatie daarom zelf al eerder in de procedure kunnen overleggen.
5.21 Dat verweerster op enige andere wijze voor onnodige vertraging in de procedure heeft gezorgd of dat zij deze onnodig lang heeft laten doorlopen, heeft klager niet onderbouwd en dit is de raad ook overigens niet gebleken.
5.22 Klachtonderdeel f) is gelet op het voorgaande ongegrond.
6 MAATREGEL
6.1 Klachtonderdeel c) is gegrond. Verweerster is klachtwaardig tekortgeschoten door geen navraag te doen naar het door klager op haar derdengeldenrekening gestorte bedrag dat bestemd was voor haar cliënt. Verweerster heeft dit bedrag ten onrechte op haar derdengeldenrekening laten staan, ook nadat klager had gevraagd om het bedrag aan hem terug te storten.
6.2 Gelet op de aard en de ernst van de verweten gedraging ziet de raad aanleiding om aan verweerster de maatregel van een waarschuwing op te leggen.
7 GRIFFIERECHT EN KOSTENVEROORDELING
7.1 Omdat de raad de klacht gedeeltelijk gegrond verklaart, moet verweerster op grond van artikel 46e lid 5 Advocatenwet het door klager betaalde griffierecht van € 50,- aan haar vergoeden binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.2 Nu de raad een maatregel oplegt, zal de raad verweerder daarnaast op grond van artikel 48ac lid 1 Advocatenwet veroordelen in de volgende proceskosten:
a) € 25,- reiskosten van klager
b) € 750,- kosten van de Nederlandse Orde van Advocaten en
c) € 500,- kosten van de Staat.
7.3 Verweerder moet het bedrag van € 25,- aan reiskosten binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, betalen aan klager. Klager geeft binnen twee weken na de datum van deze beslissing zijn rekeningnummer schriftelijk aan verweerster door.
7.4 Verweerster moet het bedrag van € 1.250,- (het totaal van de in 7.2 onder b en c genoemde kosten) binnen vier weken nadat deze beslissing onherroepelijk is geworden, overmaken naar rekeningnummer lBAN: NL85 lNGB 0000 079000, BIC: INGBNL2A, Nederlandse Orde van Advocaten, Den Haag, onder vermelding van “kostenveroordeling raad van discipline" en het zaaknummer.
BESLISSING
De raad van discipline:
- verklaart klachtonderdeel c) gegrond;
- verklaart klachtonderdeel a) ongegrond;
- verklaart de klachtonderdelen b), d), e) en f) ongegrond;
- legt aan verweerster de maatregel van waarschuwing op;
- veroordeelt verweerster tot betaling van het griffierecht van € 50,- aan klager;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de reiskosten van € 25,- aan klager, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.3;
- veroordeelt verweerster tot betaling van de proceskosten van € 1.250,- aan de Nederlandse Orde van Advocaten, op de manier en binnen de termijn als hiervóór bepaald in 7.2.
Aldus beslist door mr. S.D. Arnold, voorzitter, mrs. I.J. de Laat en M.J.E. van den Bergh, leden, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 5 januari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 5 januari 2026