ECLI:NL:TADRAMS:2026:39 Raad van Discipline Amsterdam 26-030/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:39
Datum uitspraak: 16-02-2026
Datum publicatie: 20-02-2026
Zaaknummer(s): 26-030/A/A
Onderwerp:
  • Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
  • Ontvankelijkheid van de klacht, subonderwerp: Klachten waarbij klager geen belang heeft
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing; klacht over de advocaat wederpartij. Niet is komen vast te staan dat verweerster onzorgvuldig is omgegaan met de vertrouwelijke stukken van klager in een bestuursrechtelijke procedure. Klacht is in zoverre kennelijk ongegrond. Voor zover klager de juridische zorgvuldigheid en professionaliteit van verweerster in twijfel trekt, geldt dat dit een aangelegenheid is tussen verweerster en haar cliënte waar klager als wederpartij buiten staat. In zoverre is de klacht kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van klager.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam van 16 februari 2026 
in de zaak 26-030/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerster   

De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 14 januari 2026 met kenmerk 2503324/ER/KV, door de raad ontvangen op 14 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de op 14 januari 2026 door klager nagezonden stukken.      

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klager heeft sinds enkele jaren een geschil met het UWV over de hoogte van zijn uitkering. Verweerster is als advocaat in dienstbetrekking werkzaam bij het UWV en behartigt de belangen van het UWV in dit geschil. 
1.2    Tussen partijen zijn meerdere procedures gevoerd. In maart 2022 heeft klager op grond van de Wet openbaarheid van bestuur (hierna: Wob) bij het UWV een document opgevraagd. 
1.3    Het UWV heeft geweigerd dit document openbaar te maken. In een daaropvolgende gerechtelijke procedure is het UWV zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in het gelijk gesteld en hoefde het document niet openbaar gemaakt te worden. 
1.4    Per 1 mei 2022 is de Wob vervangen door de Wet open overheid (hierna: Woo) en klager heeft met een beroep op deze nieuwe wet hetzelfde document nogmaals bij het UWV opgevraagd. Het UWV heeft wederom geweigerd het document openbaar te maken. 
1.5    In een daarop volgende gerechtelijke procedure heeft de rechtbank Den Haag (hierna: de rechtbank) klager bij uitspraak van 28 februari 2024 in het gelijk gesteld en het UWV veroordeeld tot openbaarmaking van het document. 
1.6    Verweerster heeft namens het UWV tegen deze uitspraak hoger beroep ingesteld bij de Afdeling Bestuursrechtspaak van de Raad van State (hierna: RvS). In het kader van deze procedure heeft het UWV op grond van artikel 8:29 Awb onder geheimhouding het betreffende document aan de RvS verzonden.
1.7    Klager heeft het UWV onderwijl meerdere malen verzocht om uitvoering te geven aan de uitspraak van de rechtbank en het document openbaar te maken. Op 25 maart 2025 heeft klager het UWV formeel in gebreke gesteld. Bij e-mail van 26 maart 2025 heeft verweerster klager als volgt bericht: 
“Wij hebben uw ingebrekestelling d.d. 25 maart 2025 in goede orde ontvangen. Wij kunnen echter geen gehoor geven aan uw verzoek en zullen het document niet openbaar maken tot de Raad van State een uitspraak heeft gedaan inzake het hangende hoger beroep. De uitspraak van de rechtbank heeft een schorsende werking. U kunt ons hiervoor niet in gebreke stellen. Het staat u vrij om u ongenoegen hierover aan te brengen bij de Raad van State.”
1.8    Bij brief van 16 april 2025 heeft de rechtbank het UWV als volgt bericht: 
“Deze rechtbank heeft op 28 februari 2024 uitspraak gedaan in deze zaak. De rechtbank heeft daarin het beroep van eiser gegrond verklaard en bepaald dat verweerder het looncomponentenverslag openbaar moet maken. Eiser heeft de afgelopen periode meerdere brieven gestuurd waarin hij te kennen geeft dat verweerder vooralsnog geen uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak. Uit een van de door eiser ingebrachte documenten blijkt dat u zich op het standpunt stelt dat de uitspraak van de rechtbank een schorsende werking heeft en het looncomponentenverslag om die reden niet openbaar maakt. De rechtbank geeft u mee dat dit standpunt onjuist is en u, zoals eiser terecht stelt, een voorlopige voorziening bij de Afdeling moet treffen als u wilt dat de uitspraak van deze rechtbank schorsende werking verkrijgt. De rechtbank verzoekt u in dat licht om te laten weten of u alsnog bereid bent om aan de uitspraak van de rechtbank te voldoen en het looncomponentenverslag openbaar te maken.” 
1.9    Op 28 april 2025 heeft verweerster namens het UWV bij de RvS een verzoek ingediend om een voorlopige voorziening te treffen, die strekt tot schorsing van de uitspraak van de rechtbank totdat op het door het UWV ingestelde hoger beroep is beslist. Verweerster heeft in haar verzoek toegelicht dat het UWV niet eerder om een voorlopige voorziening had verzocht omdat er ten onrechte van uitgegaan was dat het instellen van hoger beroep een schorsende werking zou hebben. De RvS heeft het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening toegewezen.
1.10    Op 2 juli 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerster. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerster het volgende:  
a)    onzorgvuldig te zijn omgegaan met vertrouwelijke informatie door in een WOB-procedure een geheim stuk tussen de processtukken te doen; 
b)    een procesfout te hebben gemaakt door aanvankelijk (in reactie op de ingebrekestelling) de stelling in te nemen dat het hoger beroep schorsende werking heeft en uiteindelijk pas op 28 april 2025 om een voorlopige voorziening te verzoeken. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
toetsingskader
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
4.2    Alleen de persoon of de rechtspersoon die door het handelen of nalaten van een advocaat direct in zijn belang wordt of kan worden getroffen, heeft het recht om hierover een klacht in te dienen. Dit staat in de Advocatenwet. Als het in het algemeen belang is dat er een tuchtprocedure komt, dan heeft de deken het recht om te klagen.
Klachtonderdeel a)  
4.3    Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij op onzorgvuldige wijze is omgegaan met vertrouwelijke informatie. In de gevoerde Wob-procedure heeft verweerster een geheim stuk tussen de rest van de processtukken gedaan en deze aan de RvS verstrekt zonder toepassing van artikel 8:29 Awb. Vervolgens is het hele pakket aan klager doorgestuurd, waardoor het geheime stuk per abuis in handen van klager is gekomen. In plaats van de vergissing toe te geven heeft verweerster de schuld gegeven aan de RvS. Verweerster miskent dat zij, althans het UWV, zelf verantwoordelijk is voor het correct aanleveren en het markeren van geheime stukken.
4.4    Dit klachtonderdeel slaagt niet. Zoals blijkt uit het debat dat daarover in de stukkenwisseling bij de deken is gevoerd, heeft verweerster onderbouwd uiteengezet dat (verweerster namens) het UWV het document in kwestie wel degelijk op grond van artikel 8:29 Awb onder geheimhouding aan de RvS heeft verzonden. Het document was tevens in eerste aanleg onder geheimhouding aan de rechtbank verzonden. Per abuis heeft de RvS het document aan klager toegezonden. Tijdens de mondelinge behandeling van de zaak heeft de RvS erkend dat de RvS het document niet aan klager had mogen verzenden. De voorzitter heeft op grond van de overgelegde stukken niet kunnen vaststellen dat de gang van zaken anders is geweest dan door verweerster is beschreven, noch dat, zoals klager stelt, verweerster namens het UWV het geheime stuk op onjuiste wijze aan de RvS heeft gestuurd. Dat klager het geheime stuk heeft aangetroffen in een bundel met reguliere processtukken, maakt dit niet anders. Die bundel kan immers evengoed door (een griffiemedewerker van) de RvS zijn samengesteld. De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond is.   
Klachtonderdeel b) 
4.5    Klager verwijt verweerster in dit klachtonderdeel dat zij een procesfout heeft gemaakt door in de Woo-procedure na te laten om een voorlopige voorziening te verzoeken. Verweerster heeft zich namens het UWV ten onrechte op het standpunt gesteld dat de uitspraak van de rechtbank een schorsende werking had totdat in hoger beroep was beslist. Pas toen de rechtbank het UWV erop had gewezen dat dit onjuist was, heeft het UWV bij de RvS een voorlopige voorziening verzocht en gekregen. Het UWV is hierdoor veroordeeld tot betaling van een dwangsom aan klager. Dat een uitspraak niet automatisch een schorsende werking heeft, weet volgens klager zelfs eerstejaarsrechtenstudent en klager kan zich niet voorstellen dat een professioneel advocaat dit niet weet. Klager trekt de juridische zorgvuldigheid en professionaliteit van verweerster ernstig in twijfel.
4.6    Ook dit klachtonderdeel treft geen doel. Verweerster heeft toegelicht dat zij en het UWV, gelet op een bepaling in de Awb, in de veronderstelling verkeerden dat de werking van de uitspraak van de rechtbank was opgeschort met het instellen van hoger beroep. Deze bepaling bleek echter niet van toepassing te zijn op de procedure bij de RvS. Toen bekend werd dat dit anders bleek te zijn, heeft verweerster namens het UWV een voorlopige voorziening (schorsing van de uitspraak) verzocht en heeft de RvS deze toegewezen, waarbij het UWV wel is veroordeeld tot het betalen van een dwangsom aan klager, hetgeen het UWV ook heeft gedaan. Het is de voorzitter niet gebleken dat klager door deze gang van zaken in zijn belangen is geschaad. Van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster jegens klager is dan ook geen sprake en klachtonderdeel b) is in zoverre kennelijk ongegrond. Voor zover klager de juridische zorgvuldigheid en professionaliteit van verweerster in twijfel trekt, geldt dat dit een aangelegenheid is tussen verweerster en haar cliënte waar klager als wederpartij buiten staat. In zoverre is klachtonderdeel b) kennelijk niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van een rechtstreeks belang van klager (zie het toetsingskader in r.o. 4.2).  
4.7    Op grond van het voorgaande zal de voorzitter met toepassing van artikel 46j Advocatenwet klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond verklaren en klachtonderdeel b) gedeeltelijk kennelijk ongegrond en gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk verklaren. 


BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
-    klachtonderdeel a) kennelijk ongegrond; 

-    klachtonderdeel b) gedeeltelijk kennelijk niet-ontvankelijk en gedeeltelijk kennelijk ongegrond. 

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2026. 


Griffier          Voorzitter

Verzonden op: 16 februari 2026