ECLI:NL:TADRAMS:2026:38 Raad van Discipline Amsterdam 25-643/A/NH

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:38
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 16-02-2026
Zaaknummer(s): 25-643/A/NH
Onderwerp:
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Vereiste communicatie met de cliënt
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening
  • Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Financiën
Beslissingen: Regulier
Inhoudsindicatie: Raadsbeslissing. Klacht over de eigen advocaat. Kwaliteit dienstverlening. De raad kan niet vaststellen dat verweerder de opdracht van klager niet naar behoren heeft uitgevoerd. Verweerder behartigde de belangen van klager en het was juist in het belang van klager om er eerst duidelijkheid over te krijgen of zijn appartement al rechtsgeldig was verkocht aan de koper. Klager zou immers in de problemen komen als hij zijn appartement al rechtsgeldig had verkocht en hij het dan nogmaals aan een derde zou verkopen. Tot slot is uit de overgelegde facturen en urenspecificaties niet gebleken dat klager dubbel heeft betaald, noch dat sprake is van een wanverhouding tussen de door verweerder verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Klacht in alle onderdelen ongegrond.

Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-643/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:

klager

over:

verweerder

1    VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1    Op 13 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerder. Op 10 april 2025 heeft klager zijn klacht aangevuld.
1.2    Op 23 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/sd/25-145/2478890 van de deken ontvangen. 
1.3    De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2015. Daarbij waren klager en verweerder aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4    De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 6. Ook heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van klager van 3 oktober 2025 en 1 december 2025. Tot slot heeft de raad kennisgenomen van de brief met bijlagen van klager van 2 oktober 2025, door de raad ontvangen op 3 oktober 2025.  

2    FEITEN
2.1    Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2    Klager is betrokken geweest in een civiele procedure over de verkoop en levering van zijn appartement. Verweerder heeft klager hierin bijgestaan in de periode van april 2022 tot januari 2025. 
2.3    In 2022 heeft een makelaar (hierna: de makelaar) het appartement van klager te koop aangeboden op Funda. Naar aanleiding daarvan heeft een advocaat contact opgenomen met de makelaar, omdat het appartement al verkocht was aan zijn cliënt (hierna ook: de koper) en dat deze cliënt inmiddels een civiele procedure tegen klager was gestart over de levering van het appartement.
2.4    De makelaar heeft klager gewezen op de risico’s van het te koop aanbieden van een reeds verkocht appartement en hij heeft klager geadviseerd de verkoop op te schorten en een advocaat in te schakelen.
2.5    In april 2022, op de dag voordat de makelaar de opdracht aan klager teruggaf, heeft een derde een bod uitgebracht op het appartement. Klager heeft de makelaar gevraagd om de hoogte van dat bod schriftelijk aan hem mee te delen. Daarop heeft de makelaar de gegevens van de bieder en de hoogte van het bod telefonisch aan klager doorgegeven. Per sms heeft de makelaar de contactgegevens van de bieder aan klager doorgegeven.
2.6    Klager heeft verweerder benaderd voor juridische bijstand. Verweerder heeft de opdracht van klager op 8 april 2022 schriftelijk bevestigd waarbij verweerder onder meer zijn uurtarief heeft vermeld van € 185,- exclusief kantoorkosten en btw. Bij deze opdrachtbevestiging is een betalingsafspraak gevoegd die klager, na correctie, voor akkoord heeft getekend. Volgens deze afspraak vindt betaling in twee termijnen plaats en vervolgens iedere maand een coulancebetaling van 1 maand totdat in de zaak vonnis wordt gewezen. Vanaf september 2023 zou maandelijks 1 uur betaald worden. 
2.7    Op 19 mei 2022 heeft klager een brief aan verweerder gestuurd over de betaalafspraken voor de kosten van de dagvaardingsprocedure. In de brief heeft klager vermeld dat hij het griffierecht van € 952,- heeft voldaan.
2.8    Op 1 juni 2022 heeft verweerder klager een brief gestuurd:
‘Dank voor je zeer nuttige aanvullingen. Bijgaand zend ik je het gewijzigde concept. (…) Het juiste rolnummer in deze zaak is mij nog niet bekend. Ik zal hierover afstemmen met de griffie voor 15 juni.
Ik heb zelf ook nog een wijziging aangebracht (zie productie 3).

Heb je productie 7 (…) nog voor mij?
(…)
Mochten er nog wijzigingen en meer producties ingebracht dienen te worden dan hoor ik dat graag van je. (…)’
2.9    Op 8 juni 2022 heeft verweerder zich bij de rechtbank gesteld als advocaat van klager. 
2.10    Op 16 juni 2022 heeft verweerder klager een kopie van een rolbericht toegestuurd waaruit blijkt dat de wederpartij uitstel heeft gekregen tot 27 juli 2022 voor het indienen van een antwoord in reconventie.
2.11    Op 20 juni 2022 heeft verweerder klager een kopie van de nota griffierechten toegestuurd. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de griffierechten € 1.301,- blijken te zijn in plaats van de door hem ingeschatte € 952,-. Verweerder verzoekt klager het verschil van € 349,- op zijn rekening bij te schrijven.
2.12    Op 11 juli 2022 heeft klager verweerder bericht over de conclusie van antwoord tevens houdende eis in reconventie die verweerder op 10 juni 2022 bij de rechtbank heeft ingediend. Klager merkt in zijn bericht op dat verweerder deze conclusie heeft ingediend zonder eerst nog telefonisch overleg te hebben gehad en zonder zijn akkoord voor verzending.
2.13    Op 15 november 2022 heeft verweerder klager een brief gestuurd:
‘Bijgaand zend ik u de conclusie zoals ik hem voorlopig heb gemaakt.
Er zit in deze procedure veel meer tijd dan aanvankelijk gedacht. Ik hoor graag of je mij hier nog financieel gezien nog aan tegemoet wil komen.
Wat voor mij als advocaat van belang is dat ik me niet grievend mag uitlaten over partijen/andere advocaten. Ik kan derhalve de gearceerde gedeeltes niet voor mijn rekening nemen en zal deze dienen te verwijderen.
Verder denk ik dat we wat veel in herhalingen vallen en dat de zaak wat overzichtelijker gebracht moet worden.
Ik stel voor dat ik hier wat wijzigingen aanbreng.
(…)
Ik stel voor dat we eind deze week even afstemmen.’ 
2.14    Op 15 november 2022 heeft klager verweerder gevraagd om uitstel te vragen voor het indienen van de conclusie van dupliek inclusief akte en om de notaris een rappel te sturen inzake zijn reactie en de vraag om een kopie van de getekende koopovereenkomst.
2.15    Op 20 december 2022 heeft verweerder klager een inhoudelijke brief gestuurd over het plan van aanpak voor de procedure. Ook heeft verweerder klager een aantal vragen gesteld. 
2.16    Op 21 februari 2023 heeft verweerder klager een brief gestuurd:
‘Bijgaand zend ik je de conclusie.
Wat ik me van het gesprek met de makelaar kan herinneren was dat hij tot de conclusie kwam dat eerst maar vast moest komen te staan of er nu een geldige koopovereenkomst was gesloten of niet.
Met deze conclusie was ik het eens.’
2.17    Op 7 maart 2023 heeft verweerder namens klager de makelaar een brief gestuurd en gevraagd hem te bevestigen dat een derde in april 2022 een bod heeft gedaan op het appartement van klager.
2.18    Op 8 maart 2023 heeft de makelaar verweerder gemaild:
‘Wij hebben het hier met [klager] al over gehad destijds. Aangezien [klager] ons kantoor en mijn collega (…) ernstig heeft beschuldigd hebben wij besloten hier nu verder niks meer mee te doen.
Het dossier heeft ons al genoeg tijd gekost en negatieve energie opgeleverd.
Ik wil u verzoeken ons hierin verder niet meer te benaderen.’
2.19    Op 27 juli 2023 heeft verweerder klager een brief geschreven waarin verweerder voorstelt om de juiste verzending (in de juiste volgorde) van de bijlagen naar de rechtbank met elkaar af te stemmen. Ook heeft verweerder in zijn brief een aantal inhoudelijke opmerkingen over de civiele procedure gemaakt en vragen aan klager gesteld.
2.20    Op 23 november 2023 heeft klager verweerder een brief gestuurd waarin is vermeld:
‘In aansluiting op mijn mondelinge toezegging van 16 augustus 2023 in verband met het aanhouden van de zaak zal er per november 2023 maandelijks een coulancebetaling voldaan worden van tenminste 1 uur honorarium.’ 

2.21    Op 30 november 2023 heeft klager verweerder een brief gestuurd:
‘Ik heb per abuis ‘oude stukken’ toegezonden m.b.t. de aanpassingen op pagina 6 van het beroep op dwaling. Sorry voor het ongemak.
Bijgaand ontvangt u de definitieve aanpassing op pagina 6. In viervoud bijgevoegd. Gaarne verwisselen en de ouder versies verwijderen.’
2.22    Op 4 december 2023 heeft verweerder bij de rechtbank een akte ingediend waarbij bewijsstukken zijn overgelegd inzake getuigenverklaring van de notaris en getuigenverhoor van de twee personen die volgens de koper aanwezig waren bij de bezichtiging van de woning op 2 maart 2022. Ook heeft verweerder namens klager een beroep op dwaling en een verzoek om een getuigenverhoor gedaan.
2.23    Op 19 december 2023 heeft de rechtbank aan verweerder en de advocaat van de wederpartij bericht dat de akte van verweerder van 6 december 2023 buiten beschouwing wordt gelaten en wordt geretourneerd, omdat in die akte nieuwe stellingen en grondslagen zijn aangevoerd, terwijl daarvoor niet de gelegenheid was geboden. In het bericht wordt klager nog eenmaal in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de wijze waarop hij bewijs wil leveren. 
Dezelfde dag heeft verweerder klager ge-sms’t:
‘(…) De rechtbank heeft de akte voor de rol van 6 december geretourneerd. (…) heeft zij verhinderdata doorgestuurd. Dinsdag even bellen? (…)’ 
2.24    Op 8 januari 2024 heeft klager een voorlopig verzoek bij de rechtbank ingediend om de rechter te wraken. Op 23 januari 2024 heeft de wrakingskamer van de rechtbank klager niet-ontvankelijk verklaard in zijn wrakingsverzoek.
2.25    Op 13 januari 2024 heeft klager verweerder bericht dat hij vóór 16 januari 2024 nog geen nieuwe advocaat heeft kunnen benaderen en dat hij tenminste vier weken de tijd nodig heeft.
2.26    Op 20 maart 2024 heeft verweerder klager bericht:
‘Allereerst betreur ik het dat kennelijk geen bescheiden bedrag voor mijn werkzaamheden meer wordt overgemaakt. Dit is niet volgens afspraak.
Gezien de tijd die met deze zaak is gemoeid des te betreurenswaardiger (zie rolberichten). Ik vind dit niet netjes.
Dan de conclusie: Het gaat er om dat we bewijs leveren van de stelling dat de overeenkomst uit twee pagina; bestond. Er wordt een hoop herhaalt wat hiervoor niet relevant is.
Aan het eind gaat het de goede kant op (zie mijn conclusie). Het is niet de bedoeling dat er nog een producties in het geding worden gebracht; mogelijk met uitzondering van de medische gegevens.
Laten we na deze conclusie afscheid van elkaar nemen, omdat ik op deze manier mijn werk niet naar behoren kan doen.’
2.27    Op 1 mei 2024 heeft verweerder de conclusie van de wederpartij aan klager gestuurd. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat hij pas volgende week kan reageren op de brief van klager in verband met drukke werkzaamheden op kantoor. Verder merkt verweerder op dat het hem niet lukt om de middag van 2 mei 2024 vrij te maken voor een telefoongesprek en vraagt verweerder klager om een nieuwe datum voor te stellen.
2.28    Op 26 juni 2024 heeft de rechtbank een tussenvonnis gewezen waarin is vastgesteld dat op 2 maart 2022 een koopovereenkomst tussen klager en de koper tot stand is gekomen ten aanzien van het appartement van klager.
2.29    Op 29 oktober 2024 heeft verweerder een declaratie aan klager gestuurd voor de maanden juni tot en met oktober 2024.
2.30    Op 4 november 2024 heeft een incassobureau namens klager bij verweerder een aantal stukken opgevraagd.
2.31    Op 8 november 2024 heeft verweerder de gevraagde gegevens aan het incassobureau gemaild. Daarbij heeft verweerder opgemerkt dat de makelaar geen factuur heeft gestuurd en dat hij vermoedt dat deze kosten pas in het vonnis worden aangegeven. Ook heeft verweerder opgemerkt dat hij de eindnota na vonnis zal controleren/redigeren.
2.32    Op 12 december 2024 heeft verweerder klager bericht dat hij alle stukken in de procedure per post aan klager heeft doen toekomen en dat hij de stukken ook digitaal via het incassobureau aan klager heeft doen toekomen. Daarbij merkt verweerder op:
‘Ik verzoek u met klem om mij niet langer met dit onredelijke verzoek te belasten. Het staat onze samenwerking anders in de weg en dat lijkt mij niet wenselijk. In het ergste geval zal ik mij moeten onttrekken als advocaat.
Verder maakt u mij het lastig door te schermen met derden die u van advies voorzien, zonder te melden wie deze derden zijn. Ik verzoek u mij de gegevens van hen per ommegaande te verstrekken.’
2.33    Op 17 december 2024 heeft verweerder klager via brief laten weten dat de rechtbank het vonnis heeft aangehouden tot 5 februari 2025. Verder heeft verweerder klager in deze brief geschreven:
‘Ik zou dan ook heroverwegen of je alsnog voor een schikking gaat, omdat dit voor jou de beste optie is.
Ik heb je dit ook geadviseerd, echter ik constateer dat je tegen het advies van je advocaat ingaat.
Ik hoor graag van je.
Reageer je ook nog even op mijn vorige twee brieven over de namen van je achterban?’
2.34    Op 14 januari 2025 heeft verweerder klager een brief gestuurd:
‘Gaarne verneem ik de namen van uw achterban, zodat ik hiermee alsnog kan overleggen over het schikkingsvoorstel.
Ik verwijs u naar de bijlage waarin tegen betaling van 10.000 euro advocaatkosten de zaak kan worden geschikt, hetgeen betekent dat u weer de volle eigendom over de woning heeft.
Gezien het feit dat de woning veel meer waard is geworden dan de door u eerder gemelde koopsom, adviseer ik u dit voorstel te aanvaarden.’
2.35    Op 15 januari 2025 heeft de rechtbank vonnis gewezen. De rechtbank heeft het beroep op de vernietigbaarheid van de koopovereenkomst vanwege een geestelijke stoornis verworpen. In het vonnis heeft de rechtbank vermeld dat klager verschillende documenten heeft overgelegd waaruit volgens klager volgt dat op 2 maart 2022 sprake was van een geestelijke stoornis: een verwijzing van een GZ-psycholoog, een rapportage van een verzekeringsarts, een verzekeringsgeneeskundige rapportage van het UWV en medicatieoverzichten. De rechtbank heeft overwogen dat niet kan worden vastgesteld dat de verkoop van het appartement op 2 maart 2022 onder invloed van een geestelijke stoornis bij klager tot stand is gekomen en dat, als wel sprake was van een geestelijke stoornis, de koper daartegen is beschermd omdat niet is geleken dat hij wist of had moeten weten dat klager op 2 maart 2022 een geestelijke stoornis had. 
2.36    Op 16 januari 2025 heeft verweerder het vonnis van 15 januari 2025 aan klager gestuurd. Verweerder heeft daarbij opgemerkt dat hij er binnenkort op terugkomt.
2.37    Op 20 januari 2025 is namens klager een brief aan verweerder gestuurd. Daarin is opgemerkt dat het vonnis dat verweerder op 16 januari 2025 heeft toegestuurd, incompleet is omdat er pagina’s ontbreken en dat verweerder de uitkomst van het vonnis niet in zijn brief heeft vermeld.
2.38    Op 22 januari 2025 heeft verweerder klager bericht dat hij het originele vonnis in een envelop aan klager heeft toegezonden met de mededeling dat hij daar binnenkort op terugkomt. Verder heeft verweerder opgemerkt:
‘Niettemin bij deze de 8 pagina's tellende vonnis.
Ik wilde je nog aangeven dat ik het betreur dat je mijn advies niet heb opgevolgd en het eerdere schikkingsvoorstel niet heb aanvaard.
Mogelijk dat de wederpartij – ondanks het vonnis – alsnog wil schikken. Ik adviseer je contact op te nemen met je achterban en een second opinion aan te vragen bij een andere advocaat om te bezien of er nog een schikking mogelijk is.
Het lijkt mij niet de bedoeling dat je op straat komt te staan.
Ik las dat ik ontheven ben van mijn taken en zal hiernaar handelen. Echter dit neem niet weg dat je mijn hulp altijd kan inroepen voor het bereiken van een schikking indien dit nog mogelijk en indien dit gewenst is.’

3    KLACHT
3.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt verweerder het volgende: 

a)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 2 (onafhankelijkheid, partijdigheid, geen provisie). Verweerder heeft de schijn van partijdigheid gewekt in het geschil tussen klager en de makelaar over het verstrekken van een schriftelijk verklaring van een uitgebracht bod op het appartement van klager. De makelaar wilde het uitgebrachte bod niet schriftelijk aan klager bevestigen. Verweerder heeft vervolgens geen actie ondernomen om in het bezit te komen van die verklaring, omdat hij het eens was met de conclusie van de makelaar. Klager is hiermee benadeeld, omdat hij in de civiele procedure niet in staat was een schriftelijke verklaring over te leggen over de verkoop van zijn appartement;
b)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregels 13 en 14 ((verantwoordelijkheid) uitvoering opdracht): 
- verweerder heeft de opdrachten niet of niet afdoende naar behoren uitgevoerd door slordige fouten te maken en geen verantwoordelijkheid te nemen bij de uitvoering van de opdrachten. Verweerder heeft geen verdere actie ondernomen om de schriftelijke verklaring van de makelaar te verkrijgen; 
- ook heeft verweerder een foutief (te laag) bedrag bij klager in rekening gebracht voor het te betalen griffierecht, waardoor klager nog een restantbedrag aan verweerder heeft moeten overmaken;
- verder heeft verweerder nimmer actie ondernomen om een getekende koopovereenkomst van de verkoop van het appartement van klager van de notaris te verkrijgen, terwijl die informatie relevant was voor de civiele procedure over de verkoop van het appartement;
- verweerder is nalatig geweest door in de civiele procedure bij akte geen schriftelijk bewijs in het geding te brengen ter onderbouwing van het beroep op dwaling. Verweerder heeft ook geen actie meer ondernomen nadat de ingediende akte retour werd gezonden omdat hierin nieuwe stellingen en grondslagen zijn aangevoerd;
- verweerder heeft in de eindfase van de procedure meerdere malen ‘gedreigd’ zich aan de zaak te onttrekken;
c)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 16 (informatieplicht) door niet of niet afdoende te voldoen aan verzoeken van klager om relevante dossierstukken en processtukken tijdig en digitaal te verschaffen. Vanwege het ontbreken van relevante dossierstukken zijn er onnodige (juridische) fouten gemaakt die voorkomen hadden kunnen worden als de informatie was verschaft;
- verweerder heeft de conclusie van antwoord op 10 juni 2022 ingediend zonder klager hierover eerst in te lichten, waardoor het inzage- en correctierecht van klager en zijn recht op uitstel aan klager zijn ontnomen. Hierdoor was de conclusie van antwoord incompleet en niet voorzien van de relevante medische feiten;
- verweerder heeft klager op 20 maart 2024 bericht dat hij klager niet meer naar behoren kan bijstaan vanwege het achterblijven van coulancebetalingen van klager. Verweerder heeft de in dat kader door klager opgevraagde betaalbewijzen en dossierstukken niet verstrekt;  
- verweerder was op 13 december 2024 voor klager onbereikbaar, terwijl er die dag een evaluatiegesprek gepland stond naar aanleiding van het vonnis van 11 december 2024. De brief van verweerder van 17 december 2024 is niet voorzien van bijlagen en vermeldt niets over het vonnis, waardoor klager genoodzaakt was contact op te nemen met de rechtbank voor een kopie van het vonnis. Tijdens dat contact bleek dat de zaak voor vonnis stond op 5 februari 2025 en dat dit met verweerder is gecommuniceerd;
d)    verweerder heeft in strijd gehandeld met gedragsregel 17 (honorarium) door niet of niet afdoende te voldoen aan de richtlijnen voor het in rekening brengen van het honorarium. Verweerder heeft geen facturen opgemaakt, urenspecificaties ontbreken en verweerder heeft geen eindnota opgesteld. Er was een vaste prijsafspraak gemaakt, maar verweerder is daar tijdens de civiele procedure op teruggekomen en dat heeft voor klager geresulteerd in extra advocaatkosten vanwege de coulancebetalingen in de periode november 2023 tot en met december 2024. Hierdoor heeft klager feitelijk het dubbele betaald en dat is excessief; 
e)    verweerder heeft gehandeld in strijd met gedragsregel 22 (getuigen). Klager heeft verweerder diverse keren opdracht gegeven om de betaling aan de makelaar voor het verschijnen op het getuigenverhoor van 19 februari 2024 te voldoen. Het is nog steeds onduidelijk of verweerder deze betaling heeft voldaan, terwijl het bedrag al sinds 11 maart 2024 op de derdengeldrekening van verweerder staat. 
3.2    De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan. 

4    VERWEER 
4.1    Verweerder voert verweer tegen de klachtonderdelen en betwist dat hij tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerder het volgende op:
a)    van partijdigheid is geen sprake. Volgens verweerder heeft hij wel degelijk geprobeerd om een schriftelijk verklaring van de makelaar te verkrijgen. Verweerder merkt op dat het klopt dat hij het eens is met de conclusie van de makelaar dat eerst bepaald moest worden of een koopovereenkomst tot stand was gekomen met de koper, omdat klager zijn appartement immers niet tweemaal kan verkopen; 
b)    de opdracht van klager is persoonlijk uitgevoerd, er zijn geen hulppersonen gebruikt. Verder benadrukt verweerder dat hij nimmer tegen de wil van klager heeft gehandeld of processtukken in het geding heeft gebracht zonder klager daar eerst over in te lichten. Klager had gezegd dat hij de stukken met zijn achterban doornam en van commentaar voorzag, maar klager heeft de namen van zijn achterban, ondanks verzoeken daartoe, nooit aan verweerder doorgegeven. Hierdoor en door het feit dat klager de rechter wilde wraken op onduidelijke gronden van zijn achterban is bij klager enig wantrouwen ontstaan;      
c)    alles is in goed overleg met klager gecommuniceerd door toezending van concepten en nadien door aanvulling daarvan door klager en zijn achterban. Alle stukken zijn per post door klager ontvangen, omdat klager verweerder had voorgehouden dat hij vanwege zijn ziektebeeld niets digitaal kon lezen en hij niet beschikte over een e-mailadres. Alle beschikbare stukken zijn naar klager en naar het door klager ingeschakelde externe bureau gestuurd;
d)     verweerder merkt op dat hij genoegen heeft genomen met een minimale vergoeding voor zijn werkzaamheden voor klager. Mede door de belverzoeken van klager en de vele rolhandelingen/getuigenverhoren e.d. werd door klager naast de eenmalige betaling van 
€ 2.500,- bij aanvang een coulanceregeling (1 uur declarabel per maand) aangeboden die verweerder heeft geaccepteerd;
e)     er is geen geld achtergehouden dat bestemd zou zijn voor de makelaar. Bij gebreke van een declaratie is het geld voor de makelaar nog niet aan de makelaar doorgestort. Verweerder merkt op dat hij de makelaar heeft aangeschreven, maar dat deze niet meer heeft gereageerd. Na het vonnis heeft verweerder klager gevraagd om het terugstorten van het geld aan klager af te stemmen, maar verweerder heeft niets meer van klager vernomen.  
4.2    De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan. 
5    BEOORDELING
Toetsingskader
5.1    Bij de beoordeling van een over een advocaat ingediende klacht toetst de tuchtrechter het aan de advocaat verweten handelen of nalaten aan de in artikel 46 Advocatenwet omschreven normen, waaronder de kernwaarden zoals omschreven in artikel 10a Advocatenwet. De tuchtrechter is niet gebonden aan de gedragsregels, maar die regels kunnen wel van belang zijn, gezien ook het open karakter van de behoorlijkheidsnorm in artikel 46 Advocatenwet. Of sprake is van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen hangt af van de feitelijke omstandigheden en wordt door de tuchtrechter per geval beoordeeld.
5.2    Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat. Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a) is ongegrond
5.3    De raad is op grond van de overgelegde stukken en de ter zitting afgelegde verklaringen van oordeel dat verweerder niet tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Uit de overgelegde stukken blijkt dat verweerder de makelaar op 7 maart 2023 heeft gemaild met het verzoek om het uitgebrachte bod op het appartement van klager schriftelijk te bevestigen, maar dat de makelaar daar afwijzend op heeft gereageerd (zie 2.17 en 2.18). Meer heeft verweerder op dat punt niet hoeven doen. Het feit dat verweerder het eens was met de conclusie van de makelaar dat eerst moest komen vast te staan of tussen klager en de koper een geldige koopovereenkomst voor het appartement tot stand was gekomen, levert geen schijn van partijdigheid op gericht tegen klager. Verweerder behartigde de belangen van klager en het was juist in het belang van klager om er eerst duidelijkheid over te krijgen of zijn appartement al rechtsgeldig was verkocht aan de koper. Klager zou immers in de problemen komen als hij zijn appartement al rechtsgeldig had verkocht en hij het dan nogmaals aan een derde zou verkopen. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b) is ongegrond
5.4    De raad kan op grond van de overgelegde stukken, waaronder diverse e-mails, niet vaststellen dat verweerder de opdracht van klager niet naar behoren heeft uitgevoerd. Van slordige fouten is de raad niet gebleken en ook niet dat verweerder geen verantwoordelijkheid zou hebben genomen bij de uitvoering van de opdracht. Voor zover klager verweerder in dit klachtonderdeel opnieuw verwijt dat hij geen verdere actie heeft ondernomen om een schriftelijk verklaring van de makelaar te verkrijgen, verwijst de raad naar zijn oordeel over klachtonderdeel a). Bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing is klachtonderdeel b) in zoverre ongegrond.
5.5    De raad stelt vast dat verweerder voor de dagvaardingsprocedure bij de rechtbank een griffierecht van € 952,- aan klager heeft doorgegeven, terwijl dat een bedrag van € 1.301,- moest zijn. Verweerder heeft deze vergissing gecorrigeerd en op 20 juni 2022 ook aan klager doorgegeven (zie 2.10). Hoewel dit een slordigheid van verweerder was, levert dit geen tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen op. Klager diende immers het juiste bedrag aan griffierecht te betalen, zodat de rechtbank de zaak in behandeling kon nemen. Ook in zoverre is klachtonderdeel b) ongegrond.
5.6    Het is de raad uit het klachtdossier niet gebleken dat verweerder ten aanzien van een getekende koopovereenkomst op enigerlei wijze tekort is geschoten. Daarbij merkt de raad op dat het hier om een door klager zelf ondertekende koopovereenkomst voor zijn appartement gaat. Het ligt voor de hand dat klager daar dan nog een eigen kopie van heeft. Klachtonderdeel b) is ook in zoverre ongegrond.
5.7    De raad stelt op grond van het vonnis van de rechtbank van 15 januari 2025 (zie 2.35) vast dat verweerder namens klager diverse medische stukken heeft ingediend ter onderbouwing van het beroep op dwaling. Van nalatigheid van verweerder is daarmee geen sprake. Voor wat betreft de akte kan de raad, bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing, niet vaststellen dat verweerder klachtwaardig heeft gehandeld. Klachtonderdeel b) is in zoverre eveneens ongegrond.
5.8    Tot slot is de raad van oordeel dat van dreiging om zich aan de zaak te onttrekken geen sprake is. Uit de stukken blijkt dat verweerder zich het lot van klager is blijven aantrekken, ondanks dat de onderlinge samenwerking op zeker moment bijzonder moeizaam verliep (zie 2.26 en 2.32). Van enig tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerder is dan ook geen sprake. Klachtonderdeel b) is in zoverre dan ook eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel c) is ongegrond
5.9    De raad kan niet vaststellen dat verweerder klager niet of onvoldoende heeft geïnformeerd. Verweerder heeft in zijn verweer en ter zitting toegelicht dat alle communicatie en stukken, inclusief de conclusie van antwoord van 10 juni 2022, per post aan klager zijn voorgelegd, omdat klager geen e-mail en internet had. Verder heeft verweerder toegelicht dat hij opmerkingen van klager en zijn achterban in de stukken heeft verwerkt, dat er geen relevante feiten in ontbreken en dat hij de stukken vervolgens heeft ingediend. Deze toelichting wordt ondersteund door de brieven van 1 juni 2022 en van 15 november 2022 waarin verweerder ingaat op opmerkingen die klager in conceptconclusies heeft gemaakt (zie 2.8 en 2.13) en op de brief van 21 februari 2023 waarbij verweerder klager een conclusie heeft toegestuurd (zie 2.16). In het licht van deze toelichting heeft klager zijn verwijt onvoldoende feitelijk onderbouwd. De raad ziet in de toelichting van verweerder ook overigens geen afwijkende gang van zaken. In zoverre is klachtonderdeel c) dan ook ongegrond.
5.10    Verder blijkt uit het dossier dat verweerder op 8 november 2024 de stukken heeft verstrekt die waren opgevraagd door het incassobureau dat klager had ingeschakeld, en op  
12 december 2024 ook nog een keer aan klager zelf. De raad kan niet vaststellen dat verweerder niet voldoende aan het verzoek van dat incassobureau heeft voldaan. Klachtonderdeel c) is ook in zoverre ongegrond.
5.11    Tot slot kan de raad niet vaststellen dat op 13 december 2024 een evaluatiegesprek gepland stond naar aanleiding van het vonnis van de rechtbank en dat verweerder toen niet bereikbaar was, aangezien een feitelijke onderbouwing daarvoor ontbreekt. Ook als het gesprek wel gepland stond en verweerder niet bereikbaar was, levert dat overigens geen klachtwaardig gedrag van verweerder op. Uit de e-mail van verweerder van 17 december 2024 leidt de raad af dat verweerder klager heeft geïnformeerd over de aanhouding van het vonnis tot 5 februari 2025 (zie 2.33). Uit de stukken blijkt verder dat de rechtbank uiteindelijk op 5 januari 2025 vonnis heeft gewezen in klagers zaak en dat verweerder dat vonnis op 16 januari 2025 en nogmaals op 25 januari 2025 per post aan klager heeft verstuurd (zie 2.36 en 2.38). Het is verder niet aannemelijk dat verweerder het complete originele vonnis niet aan klager heeft toegestuurd. Ook in zoverre is klachtonderdeel c) ongegrond.
Klachtonderdeel d) is ongegrond
5.12    De raad stelt voorop dat de tuchtrechter bij discussies over de hoogte van facturen is beperkt tot een marginale toets, in die zin dat niet beoordeeld wordt of de declaratie juist is, maar of sprake is van excessief declareren. Daarbij wegen alle omstandigheden mee, zoals de aard en complexiteit van de zaak, de (financiële) hoedanigheid van de cliënt, de met de zaak gepaard gaande (financiële) belangen en de verhouding tussen het in rekening gebrachte bedrag en de verrichte werkzaamheden. Of elk onderdeel van die specificatie – naar civiel recht gemeten – voor toewijzing in aanmerking komt staat niet ter beoordeling van de tuchtrechter. Waar het op aankomt is of het totaal van de declaraties als tuchtrechtelijk verwijtbaar excessief aangemerkt. 
5.13    De raad is van oordeel dat uit de overgelegde facturen en urenspecificaties niet is gebleken dat klager dubbel heeft betaald, noch dat sprake is van een wanverhouding tussen de door verweerder verrichte werkzaamheden en het aantal in rekening gebrachte uren. Ook is het de raad niet gebleken dat verweerder excessief of in afwijking van de met klager in april 2022 (zie 2.6) gemaakte prijsafspraken heeft gedeclareerd. Klachtonderdeel d) is daarom ongegrond.
Klachtonderdeel e) is ongegrond
5.14    De raad is van oordeel dat verweerder er geen tuchtrechtelijk verwijt van kan worden gemaakt dat er nog geld op zijn derdengeldenrekening staat dat bestemd is voor de makelaar. Verweerder heeft in zijn schriftelijke verweer en ook ter zitting toegelicht dat het geld nog op zijn derdengeldenrekening staat, omdat hij tot nu toe geen factuur van de makelaar heeft ontvangen en hij daarom nog niet tot betaling heeft kunnen overgaan. Verder heeft verweerder ter zitting toegelicht dat hij bereid is het geld aan klager te betalen, maar dat hij dan wel gevrijwaard wil worden om te voorkomen dat hij het geld twee keer moet betalen. Het is de raad naar aanleiding van deze toelichting niet gebleken dat verweerder het geld bewust heeft achtergehouden. Klachtonderdeel e) is dan ook ongegrond.
Conclusie
5.15    Uit het bovenstaande volgt dat de raad de klacht van klager in alle onderdelen ongegrond zal verklaren. Hetgeen klager voor het overige nog in zijn klachtonderdelen naar voren heeft gebracht, kan niet tot een ander oordeel leiden.


BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.

Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en J. Schulp, leden, bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op 
9 februari 2026.

Griffier    Voorzitter

Verzonden op: 9 februari 2026