ECLI:NL:TADRAMS:2026:37 Raad van Discipline Amsterdam 25-628/A/NH
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:37 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 16-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-628/A/NH |
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Regulier |
| Inhoudsindicatie: | Raadsbeslissing. Klacht over advocaat van de wederpartij in familierechtkwestie. De raad stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat verweerster in diverse processtukken heeft vermeld dat klager WhatsAppgesprekken tussen hem en zijn ex-partner heeft vervalst, maar de raad kan niet vaststellen dat sprake is van onterechte beschuldigingen en dus van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. Verder kan het verweerster niet worden verweten dat haar cliënte had besloten om zich niet aan de zorgregeling te willen houden. Daarnaast kan uit de e-mail van verweerster niet worden afgeleid dat zij onvoldoende professionele distantie ten opzichte van haar cliënte en de zaak heeft gehouden. Tot slot is het onhandig van verweerster dat de tekst van haar e-mails niet overeenkomt maar niet klachtwaardig. Van een doelbewuste actie van verweerster om de tekst van de betreffende e-mails aan te passen of om haar cliënte daarmee te helpen is de raad niet gebleken. Klacht in alle onderdelen ongegrond. |
Beslissing van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-628/A/NH
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over
verweerster
1 VERLOOP VAN DE PROCEDURE
1.1 Op 12 maart 2025 heeft klager bij de deken van de Orde van Advocaten in het
arrondissement Noord-Holland (hierna: de deken) een klacht ingediend over verweerster.
Op 18 maart 2025 heeft klager zijn klacht aangevuld.
1.2 Op 16 september 2025 heeft de raad het klachtdossier met kenmerk re/ss/25-141/2478595
van de deken ontvangen.
1.3 De klacht is behandeld op de zitting van de raad van 15 december 2015. Daarbij
waren klager en verweerster aanwezig. Van de behandeling is proces-verbaal opgemaakt.
1.4 De raad heeft kennisgenomen van het in 1.2 genoemde klachtdossier en van
de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 10. Ook heeft de raad kennisgenomen
van de e-mails met bijlagen van klager van 3 oktober 2025 en 1 december 2025. Tot
slot heeft de raad kennisgenomen van de e-mails met bijlagen van verweerster van 3
oktober 2025 en 1 december 2025.
2 FEITEN
2.1 Voor de beoordeling van de klacht gaat de raad, gelet op het klachtdossier
en de op de zitting afgelegde verklaringen, uit van de volgende feiten.
2.2 Klager en zijn ex-partner zijn verwikkeld in diverse gerechtelijke procedures
over hun minderjarige kinderen. Verweerster staat de ex-partner van klager hierin
bij. Klager wordt bijgestaan door mr. Van der B.
2.3 Voor een zitting op 13 augustus 2024 heeft verweerster namens de ex-partner
een conclusie van antwoord ingediend. Daarin heeft zij over Whatsappberichten tussen
klager en de ex-partner geschreven:
‘Waarom neemt de man in zijn productie tot tweemaal toe een tekst op dat de vrouw
zou hebben geschreven: Dan haal ik het weg. Het moge duidelijk zijn dat dit vervalst
is. Immers, indien de vrouw het zou hebben verwijderd, dan had er gestaan: verwijderd.
(…)
21. De vrouw is zeer bevreesd dat de man dat afreageert op [naam kind], net als
zijn vervalste appjes over een abortus.
(…)
32. De man vervalst WhatsAppverkeer.’
2.4 Voor een zitting van 30 september 2024 heeft verweerster namens de ex-partner
een conclusie van antwoord ingediend. Daarin heeft zij over Whatsappberichten tussen
klager en de ex-partner geschreven:
’39. Ook is de vrouw zeer bevreesd voor verder plak- en knip-werk nu vaststaat dat
de man al vervalste Whatsapp berichten in het geding brengt.
(…)
49. … maar ook uit het feit dat de man Whatsappberichten vervalst. Dat is behoorlijk
ernstig en de vrouw voelt zich daardoor bijzonder onveilig.
(…)
164. …Het is de man die tegenwerkt, whatsappberichten vervalst…’
2.5 In een memorie van antwoord in incidenteel appel die namens de ex-partner
is ingediend voor de roldatum 14 oktober 2024 heeft verweerster geschreven:
’12. Ook is de vrouw zeer bevreesd voor verder plak- en knip-werk nu vaststaat dat
de man al vervalste Whatsapp berichten in het geding brengt.
(…)
15. … maar ook uit het feit dat de man Whatsappberichten vervalst.
(…)
56. Ook het verhaal ter zake de geknipte en geplakte Whatsappberichten laat de man
na te onderbouwen, omdat hij dat ook niet kan.
(…)
72. … Het is de man die (weer) filmt, geluidsopnames maakt, whatsappberichten vervalst,
valselijk aangifte doet enzovoorts.’
2.6 Op 11 november 2024 heeft verweerster namens de ex-partner een verweerschrift
ingediend waarin zij heeft geschreven:
‘Vervalsingen en opnames
12. De man neemt alles op, ofwel op beeld of alleen het geluid. De vrouw is verbijsterd
door de gekunstelde productie 7 van de man. Waarom dit foute plak- en knip-werk? Dit
was het whatsappverkeer:
(…)
13. ‘Waarom neemt de man in zijn productie tot tweemaal toe een tekst op dat de
vrouw zou hebben geschreven: Dan haal ik het weg. Het moge duidelijk zijn dat dit
vervalst is. Immers, indien de vrouw het zou hebben verwijderd, dan had er gestaan:
verwijderd.
(…)
18. De man eist thans gesprekken bij de praktijk Gelukkig gescheiden te mogen opnemen
(…). De vrouw verzet zich daar met klem tegen vanwege het feit dat vaststaat dat de
man knipt en plakt in zijn ‘bewijzen’.
(…)
62. De producties 10 en 14 komen uit een periode dat de man aandrong op een abortus,
de vrouw geen dak meer boven haar hoofd dreigde te hebben en totaal radeloos was.
Uit deze periode is ook het door de man vervalste appbericht (…).’
2.7 In een memorie van antwoord in incidenteel appel die namens de ex-partner is
ingediend voor de roldatum 19 november 2024 heeft verweerster geschreven:
’36. Bizar, terwijl de voorwaarden van de vrouw, nota bene overeengekomen, zeer
reëel zijn, onder meer gelet op het vervalsing van de whatsappberichten (…).’
2.8 Op 21 november 2024 heeft een zitting plaatsgevonden in het hoger beroep
tegen twee vonnissen in kort geding over een zorgregeling voor de kinderen.
2.9 Op 21 november 2024 om 15:33 uur heeft verweerster haar cliënte gemaild over
het verloop van de zitting bij het gerechtshof en de zorgregeling die is afgesproken.
2.10 Op 22 november 2024 om 07:38 uur heeft verweerster haar cliënte gemaild
met daarin dezelfde tekst als in haar e-mail van 21 november 2024 en een aanvulling
over de opdracht die klager aan een deurwaarder heeft gegeven om een kort geding vonnis
te laten betekenen. Deze e-mail heeft de ex-partner dezelfde dag doorgestuurd aan
de hulpverlening.
2.11 Op 27 november 2024 heeft Veilig Thuis een dubbele anonieme melding ontvangen
over incidenten met de kinderen bij klager thuis.
2.12 Op 9 december 2024 om 08:43 uur heeft verweerster mr. Van der B. gemaild
over een incident op 5 december 2024:
‘Ik liet u afgelopen donderdag duidelijk weten dat er sprake was van een incident
bij de opvang en dat het helemaal uit de hand liep. Helaas heeft u tot op heden geen
contact met mij hierover opgenomen. Ik ga ervan uit dat uw client u wel al heeft bericht.
Uw client was met zijn acties rond zijn voordeur in Haarlem al continue over de
grenzen heen gegaan en ook u heeft mij nimmer willen bevestigen dat hij niet meer
laat filmen, filmt en dat de overdracht bij de garagedeur is, maar wat afgelopen donderdag
is gebeurd, is echt ronduit verschrikkelijk, maar ook zo onverwacht dat cliënte tot
schorsing van de regeling per direct moet overgaan. Ik verwijs u naar bijgaand document.
Uw client blijft maar kiezen voor verbaal, maar nu ook non-verbaal, geweld in bijzijn
van de kinderen. Hij heeft afgelopen donderdag iets in scène gezet wat zijn weerga
niet kent. Het tart alle verbeelding. Cliënte hoopt dat uw client per direct hulp
zoekt. Het is nog maar de vraag of de opvang de kinderen nog toelaat. Graag treed
ik met u in overleg hoe wij de komende periode de zorg/omgangsregeling kunnen regelen.’
2.13 Op 10 december 2024 om 13:15 uur heeft verweerster de ex-partner het proces-verbaal
van de zitting van 21 november 2024 gemaild:
‘Bijgaand het zojuist ontvangen proces-verbaal.
De zitting was op donderdag 21/11 en diezelfde middag weigerde [klager] dat de overdracht
van de kinderen niet bij de voordeur zou plaatsvinden, maar zie in het PV:’
Dezelfde dag om 15:23 uur heeft verweerster het proces-verbaal van 21 november 2024
opnieuw aan de ex-partner gemaild:
‘Bijgaand het zojuist ontvangen proces-verbaal.
De zitting was op donderdag 21/11 en op 23/11 weigert [klager] dat de overdracht
van de kinderen bij de garagedeur zou plaatsvinden. Jij stond bij de garagedeur, maar
je auto aan de overkant, omdat het bij het kruis te krap was, maar zie in het PV:’
2.14 Op 11 december 2024 heeft de ex-partner aan klager en de hulpverlening gemaild:
‘In het belang van de kinderen, maar ook mijn eigen veiligheid, kan er voorlopig
geen overdracht tussen ons zijn. Niemand uit mijn netwerk durft meer. (…) Er is nu
rust nodig.
(…)
De advocaat van [klager] is gevraagd in overleg te treden over een plan, wij wachten
daarop. (…)’
2.15 Op 12 december 2024 heeft de ex-partner de hulpverlening gemaild. Daarin
heeft zij opgemerkt dat een overdracht van de kinderen zonder haar aanwezigheid en
zonder de aanwezigheid van klager de enige optie is.
2.16 Op 13 december 2024 om 10:02 uur heeft verweerster mr. Van der B. gemaild:
‘Ik neem aan dat client alle mailberichten van cliënte naar u heeft doorgestuurd.
Ik denk dat het echt even van belang is dat wij overleg hebben.
Er is thans alleen een overdracht mogelijk zonder aanwezigheid van uw client én
mijn cliënte. Een andere mogelijkheid is er niet, te meer daar wij niet overleggen.
(…)’
2.17 Op 13 december 2024 om 14:29 uur heeft verweerster mr. Van der B. geappt
over de door Veilig Thuis ontvangen anonieme meldingen over twee situaties met de
kinderen.
2.18 Op 13 december 2024 om 17:17 uur heeft de ex-partner de hulpverlening gemaild
dat zij de melding bij Veilig Thuis niet kan en mag negeren. De ex-partner heeft voorgesteld
om de kinderen de volgende dag om 10:00 uur bij klager te brengen en om 16:30 uur
weer op te halen.
2.19 Op 17 december 2024 heeft het gerechtshof arrest gewezen in het hoger beroep
tegen een kort geding vonnis van 14 oktober 2024 over de zorgregeling voor de kinderen.
Daarin heeft het hof onder het kopje ‘Overige vakanties en feestdagen’ overwogen:
‘Partijen zullen rekening ermee moeten houden dat, (…), het voor de hand ligt in tijd
beperkte (maar dan wel frequente) vakantieregelingen te treffen, van bijvoorbeeld
een week aaneengesloten. Voor de periode tot de beslissing in de bodemprocedure zou
onder de begeleiding van JBRA hier naartoe gewerkt kunnen worden. JBRA kan in de komende
periode beoordelen wat, binnen deze kaders, passend en haalbaar is voor de kinderen.’
2.20 Op 3 januari 2025 heeft de ex-partner aan de hulpverlening gemaild:
‘(…) Op vrijdag 13 december 2024 komt de melding van VT binnen. Ik schrik daar zeer
van en acht het in het belang van de kinderen dat ze niet naar [klager] gaan.
(…)
Ondertussen probeert [verweerster] mij te bewegen de kinderen wel te laten brengen,
maar niet te laten slapen, zodat er hopelijk geen gegil en gekrijs komt.’
2.21 Op 18 maart 2025 heeft tussen de ex-partner en De Jeugd- en Gezinsbeschermers
(hierna: DJGB) een gesprek plaatsgevonden. Naar aanleiding van dat gesprek heeft de
ex-partner op 24 maart 2025 een e-mail aan DJGB gestuurd met drie bijlagen, waaronder
twee de e-mails van verweerster van 10 december 2024.
2.22 Op 8 april 2025 heeft DJGB klager en de ex-partner gemaild over de vakantieregeling
voor de meivakantie. De DJGB vermeldt in de e-mail dat de kinderen van 24 mei 2024
tot en met 4 mei 2024, tien aaneengesloten dagen, bij klager zullen verblijven.
2.23 Op 9 april 2025 heeft de ex-partner DJGB gemaild dat zij niet akkoord is
met het besluit over de meivakantie en dat zij daardoor is overvallen.
2.24 Op 9 april 2025 heeft DJGB de ex-partner gemaild met klager in cc:
‘Wij hebben elkaar vanochtend gesproken. Jij belde om aan te geven dat je niet zal
meewerken aan hetgeen er gemaild is en dat wij dan een SA (Schriftelijke Aanwijzing)
zouden moeten aanvragen om ervoor te zorgen dat jij zou meewerken. Je geeft aan dat
dat het advies van jouw advocaat is (geweest). (…)’
2.25 Op 15 april 2025 heeft verweerster een e-mail gestuurd aan DJGB:
‘Cliënte maakt zich grote zorgen over de wijze waarop een en ander thans verloopt
en ik deel die zorgen. Om die reden heeft cliënte mij verzocht u te berichten.
(…)
10. U doet iets met de dreigende mail van [klager] (…) waaruit blijkt dat het doel
van [klager] is om de kinderen bij cliënte uit huis te laten plaatsen;
11. U doet niets met de mishandeling op 16 januari 2025, terwijl cliënte duidelijk
aangeeft dat de aangifte van [klager] door hemzelf is geformuleerd (…);
(…)
13. [Klager] doet geen enkele handreiking, echt helemaal niets, maar weigert de
school te bevestigen, (…). Op welk punt is [klager] dan welwillend?
(…)
Kortom:
1. Er is thans een noodzaak voor een schriftelijke aanwijzing dat [klager] akkoord
moet gaan met de school en opvang in (…). Haal die angel er svp uit! (…)
2. Er is thans geen enkele noodzaak een vakantieregeling van 10 dagen in een schoolvakantie
week op te leggen, nog afgezien dat u niet bij machte bent dat (met of zonder schriftelijke
aanwijzing) op te leggen (…)’.
2.26 Op 14 mei 2025 heeft verweerster mr. Van der B. gemaild. Daarin heeft verweerster
opgenomen:
‘Uw client heeft DJGB dus helaas zeer bewust op het verkeerde been willen zetten
en handelt zeer tegen het belang van de beide jonge kinderen.
3 KLACHT
3.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerster volgende:
a) verweerster heeft klager sinds juli 2024 in meerdere juridische stukken onterecht
en zonder onderbouwing beschuldigd van het vervalsen van WhatsAppberichten;
b) verweerster heeft haar cliënte aangestuurd om geen omgang (meer) met de kinderen
te laten plaatsvinden. Verweerster heeft haar cliënte geadviseerd om de kinderen in
het weekend van 12 december 2024 niet bij klager te laten overnachten. Door dit advies
heeft verweerster haar cliënte aangestuurd om zich niet te houden aan het vonnis van
de rechtbank, de veiligheidsafspraken en de aanwijzingen van de Gecertificeerde Instelling;
c) - verweerster heeft haar cliënte geadviseerd zich niet te houden aan het besluit
van DJGB van april 2025 over de omgang van klager met de kinderen in de meivakantie
en om haar een schriftelijke aanwijzing te laten opleggen;
- verweerster heeft klager in haar e-mail van 15 april 2025 aan DJGB onterecht beschuldigd
en gesteld dat er noodzaak zou zijn om klager een schriftelijke aanwijzing te geven;
- verweerster kan geen professionele afstand meer houden ten opzichte van haar cliënte
doordat zij actief deel uitmaakt van de strijd tussen partijen en doordat zij, zonder
overleg met haar cliënte, contact opneemt met DJBG over de ondertoezichtstelling;
d) verweerster heeft meegeholpen met het vervalsen van de e-mails van haar cliënte.
De e-mails van verweerster die als bijlagen bij de email van 24 maart 2025 aan DJGB
zijn gevoegd, zouden dezelfde e-mails moeten zijn die in 2024 door de ex-partner zijn
gestuurd naar de jeugdbescherming en de betrokken hulpverlener. Het is in deze e-mails
echter zichtbaar dat dit niet dezelfde bestanden zijn als de bestanden die in 2024
zijn gestuurd, omdat in beide e-mails tekstuele aanpassingen zijn gedaan. Verweerster
heeft tevergeefs geprobeerd DJGB ervan te overtuigen dat de e-mails van haar cliënte
niet vervalst waren en zij heeft meegewerkt aan de leugens van haar cliënte en daar
zelfs een uitleg voor verzonnen.
3.2 De raad zal hierna op de klachtonderdelen ingaan.
4 VERWEER
4.1 Verweerster voert verweer tegen de klachtonderdelen en betwist dat zij tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld. In dat verband merkt verweerster op dat haar cliënte
haar een screenshot van het WhatsAppgesprek heeft getoond en dat het bewijs van klager
van dat gesprek een Word-document is.
Verder voert verweerster aan dat zij zich juist enorm heeft ingezet om de omgang
in het weekend van 12 december 2024 voor een deel wel te laten doorgaan, ondanks dat
zij geen contact met de advocaat van klager kon krijgen.
Daarnaast voert verweerster aan dat de Gecertificeerde Instelling ‘ineens’ met een
vakantieregeling kwam waarbij de kinderen tien nachten aaneengesloten bij klager zouden
verblijven, terwijl het gerechtshof in het arrest van 17 december 2024 en in het proces-verbaal
van 21 november 2024 duidelijk heeft aangegeven dat moest worden toegewerkt naar een
week. Over de schriftelijke aanwijzing merkt verweerster op dat zij haar cliënte heeft
geadviseerd dat zij de Gecertificeerde Instelling een schriftelijke aanwijzing kan
sturen als zij niet akkoord gaat met een dwingend voorstel van de Gecertificeerde
Instelling.
Ook voert verweerster aan dat zij zich in haar e-mail van 10 december 2024 13:15
uur heeft vergist in de datum van de overdracht en dat zij dat heeft gerectificeerd
in haar e-mail van 10 december 2024 15:23 uur. Verder merkt verweerster op dat zij
haar cliënte in haar e-mail van 21 november 2024 heeft geïnformeerd over de zorgregeling
voor de overdracht op 23 november 2024 en dat zij de tekst in haar e-mail van 22 november
2024 iets heeft aangepast. Verweerster erkent dat deze vergissingen niet handig zijn,
maar dat dit kan gebeuren in een dossier met een omvang zoals het dossier van haar
cliënte.
Tot slot merkt verweerster op dat het haar juist leek zelf contact op te nemen met
DJGB, omdat het ging om haar eigen e-mails en zij als enige kan bekrachtigen of ontkennen
dat haar cliënte de e-mails heeft aangepast.
4.2 De raad zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.
5 BEOORDELING
Toetsingskader
5.1 Deze zaak gaat over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt
dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven
te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt
nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij
niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet
onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste
informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan
dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen
zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren. Tot slot hoeven
advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt
willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
5.2 In familierechtkwesties moet de advocaat er bovendien voor waken dat de verhoudingen
tussen partijen niet escaleren. Van de advocaat mag een zekere terughoudendheid worden
verwacht in het doen van uitlatingen over de wederpartij die deze naar verwachting
als kwetsend zal ervaren, en in het starten van procedures. De advocaat moet daarbij
in iedere zaak afwegen:
- het belang van zijn cliënt bij het voeren van de procedure,
- het belang van de wederpartij én dat van de kinderen bij het voorkomen daarvan,
- het verloop van het geschil tot dan toe en
- de kans op succes van de procedure.
Klachtonderdeel a)
5.3 De raad stelt op grond van de overgelegde stukken vast dat verweerster in
diverse processtukken heeft vermeld dat klager WhatsAppgesprekken tussen hem en zijn
ex-partner heeft vervalst, zie de in 2.3 tot en met 2.7 genoemde processtukken. De
raad kan echter niet vaststellen dat sprake is van onterechte beschuldigingen en dus
van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster. De standpunten van klager
en verweerster zijn op dit punt tegenstrijdig en deze klachtprocedure biedt geen ruimte
voor de mogelijkheid van bewijsgaring en bewijslevering zoals in de reguliere rechtspraak.
Verweerster heeft de context geschetst waarin zij de beschuldigingen aan het adres
van klager heeft geuit en verweerster heeft daarbij toegelicht dat zij voor wat betreft
de WhatsAppgesprekken is afgegaan op de informatie die zij daarover van haar cliënte
heeft gekregen. Van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerster deze informatie
had moeten verifiëren is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel a) is dan ook ongegrond.
Klachtonderdeel b)
5.4 De raad stelt op grond van de overgelegde e-mails van 11 en 12 december 2024
van de ex-partner aan de hulpverlening (zie 2.14 en 2.15) vast dat het de ex-partner
van klager is geweest die de omgang tussen klager en de kinderen in het weekend van
12 december 2024 om haar moverende redenen niet wilde laten doorgaan. Het kan verweerster
niet worden verweten dat haar cliënte had besloten om zich niet aan de zorgregeling
te willen houden. Verweerster heeft op 13 december 2024 juist contact met de advocaat
van klager gezocht om tot een oplossing te komen (zie 2.16). Van het door verweerster
aansturen van haar cliënte om de omgang niet te laten plaatsvinden of van het adviseren
van de ex-partner om zich niet te houden aan de gemaakte afspraken over de omgang
is dan ook geen sprake. Omdat van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen van verweerster
geen sprake is, is klachtonderdeel b) eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel c)
5.5 Klachtonderdeel c) valt uiteen in drie onderdelen. Deze onderdelen komen
in de kern neer op het verwijt dat verweerster onvoldoende professionele afstand houdt
ten opzichte van haar cliënte in het geschil met klager over de zorgregeling. Het
gaat klager hierbij vooral om het contact dat verweerster heeft gezocht met de hulpverlening,
zoals de DJGB.
5.6 De raad leidt uit de e-mail van de ex-partner van 9 april 2025 af dat zij
werd overvallen door het besluit van DJGB dat de kinderen tijdens de meivakantie tien
aaneengesloten dagen bij klager zouden verblijven. Het is begrijpelijk dat verweerster
namens haar cliënte tegen dat besluit is ingegaan, omdat het gerechtshof in het arrest
van 17 december 2024 (zie 2.19) heeft overwogen dat zou moeten worden toegewerkt naar
een vakantieregeling van bijvoorbeeld een week aaneengesloten. Het stond verweerster
in dit geval dan ook vrij om zo namens haar cliënte te handelen.
Ten aanzien van de mogelijkheid van het laten opleggen van een schriftelijke aanwijzing
heeft verweerster de uitleg die klager op dit punt geeft aan de e-mail van DJGB van
9 april 2025 (zie 2.24) betwist en toegelicht dat zij haar cliënte alleen heeft gezegd
dat de Gecertificeerde Instelling een schriftelijke aanwijzing kan sturen als zij
niet akkoord gaat met het besluit van de DJGB over de meivakantie. De raad kan, mede
gelet op deze betwisting, niet vaststellen wat DJGB en de ex-partner precies hebben
besproken tijdens hun telefonisch contact op 9 april 2025. In zoverre is klachtonderdeel
c) dan ook ongegrond.
5.7 De raad stelt vast dat de e-mail van verweerster aan DJGB van 15 april 2025
stevig van toon is en aan duidelijkheid niets te wensen overlaat. Binnen de context
van de discussie die tussen partijen speelde over de zorgregeling is het echter begrijpelijk
dat verweerster zich ten opzichte van DJGB in niet mis te verstane bewoordingen heeft
uitgedrukt en een stevige toon heeft gebruikt. Van onheuse of onterechte formuleringen
is de raad daarbij niet gebleken. Het is de taak van verweerster om voor de belangen
van haar cliënte op te komen en om het standpunt van haar cliënte duidelijk naar voren
te brengen. Verweerster heeft in haar e-mail de beschikbare informatie gekwalificeerd
op een wijze die in het belang van haar cliënte is en uit deze e-mail kan niet worden
afgeleid dat zij onvoldoende professionele distantie ten opzichte van haar cliënte
en de zaak heeft gehouden. De omstandigheid dat klager het hartgrondig oneens is met
de toon en de inhoud van de e-mail van verweerster betekent niet dat verweerster de
grenzen van de haar toekomende vrijheid heeft overschreden of dat zij escalerend heeft
gehandeld. Tot slot kan de raad, bij gebrek aan een feitelijke onderbouwing, niet
vaststellen dat verweerster zonder overleg met haar cliënte contact met DJGB heeft
opgenomen. In zoverre is klachtonderdeel c) eveneens ongegrond.
Klachtonderdeel d)
5.8 De raad kan op grond van de overgelegde stukken niet vaststellen dat verweerster
ten aanzien van haar e-mails van 21 en 22 november 2024 en van 10 december 2024, die
door haar cliënte aan DJGB zijn doorgestuurd, op enigerlei wijze tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld. Verweerster heeft toegelicht hoe een en ander heeft kunnen gebeuren
en de raad kan verweerster daarin volgen. Het is onhandig van verweerster dat de tekst
van de betreffende e-mails niet overeenkomt en dat haar cliënte deze e-mails heeft
doorgestuurd aan DJGB, maar niet klachtwaardig. Van een doelbewuste actie van verweerster
om de tekst van de betreffende e-mails aan te passen of om haar cliënte daarmee te
helpen is de raad niet gebleken. Klachtonderdeel d) is dan ook ongegrond.
BESLISSING
De raad van discipline verklaart de klacht in alle onderdelen ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos, voorzitter, mrs. N.M.K. Damen en J. Schulp, leden,
bijgestaan door mr. A.E. van Oost als griffier en uitgesproken in het openbaar op
9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026