ECLI:NL:TADRAMS:2026:35 Raad van Discipline Amsterdam 25-905/A/A 25-908/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:35 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): |
|
| Onderwerp: |
|
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht niet-ontvankelijk vanwege een niet-verschoonbare termijn overschrijding (artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet). |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaken 25-905/A/A en 25-908/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerster 1
en
verweerster 2
samen: verweersters
gemachtigde: verweerster 1
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 29 december 2025 met kenmerken EvR/AS 2505978 en 2505977, door de raad ontvangen op 29 december 2025, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 03. Ook heeft de voorzitter kennisgenomen van de door klager nagezonden stukken van 19 januari 2026 (gefrankeerd op 26 januari 2026).
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 De rechtbank Midden-Nederland heeft klager bij vonnis van 4 juni 2019 veroordeeld
tot een gevangenisstraf van 15 jaar met aftrek van de tijd die hij in voorarrest heeft
doorgebracht. Verder is aan klager de TBS-maatregel met dwangverpleging opgelegd.
1.2 Op 12 juni 2019 heeft klager zelf hoger beroep ingesteld van dit vonnis.
Klager kan zich niet verenigen met de bewezenverklaring en de hoogte van de opgelegde
straf. Verweersters hebben klager bijstand verleend in de hogerberoepsprocedure en
namens hem op 26 juni 2019 bij de strafgriffie van de rechtbank Midden-Nederland een
appelschriftuur ingediend.
1.3 Gedurende de hogerberoepsprocedure hebben verweersters hun bijstand aan klager
beëindigd. In juli 2020 is uitspraak gedaan in hoger beroep.
1.4 Op 7 juli 2025 (ontvangen 14 juli 2025) heeft klager bij de deken een klacht
ingediend over verweersters.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweersters tuchtrechtelijk
verwijtbaar hebben gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweersters dat zij klachtwaardig hebben gehandeld door in en omstreeks het jaar
2019 onrechtmatige daden te plegen in verband met hun juridische bijstand aan klager
in de hogerberoepsprocedure. Klager stelt dat verweersters hem in het kader van dit
hoger beroep niet goed hebben bijgestaan. Hoewel klager bevestigt dat de feitelijke
gedragingen meer dan drie jaar geleden plaatsvonden, blijft hij van mening dat zijn
klacht ontvankelijk is. Er zijn namelijk ook onrechtmatige daden gepleegd rondom het
instellen van hoger beroep, als gevolg waarvan klager tot aan de dag van vandaag ernstige
schade lijdt. Klager stelt dat hij forse schade heeft geleden als gevolg van de onrechtmatige
daden van verweersters. Klager houdt verweersters hiervoor aansprakelijk.
3 VERWEER
3.1 Verweersters hebben tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Een klacht over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat
de klager op de hoogte was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt
geklaagd (artikel 46g lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de
klager uit objectieve bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen
zonder dat klager een klacht heeft ingediend, vervalt in beginsel het recht om te
klagen. Dit is anders als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt
(en ook daar niet eerder over kon beschikken) die gaat over de gevolgen van het handelen
of nalaten waarover de klacht gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één
jaar nadat klager van die informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
De achterliggende gedachte van deze regel is dat een advocaat niet tot in lengte van
dagen rekening hoeft te houden met tuchtklachten over zijn doen en laten in het verleden.
4.2 De klacht heeft betrekking op de bijstand van verweersters bij het instellen
van hoger beroep in juni 2019 en hun bijstand in hoger beroep in 2020. Het vermeende
klachtwaardig handelen dateert dus van ruim vijf jaar terug. Dat klager pas op een
later moment kennis heeft genomen van dit handelen, is niet gesteld en blijkt ook
niet uit het klachtdossier. Dat klager tot op de dag van vandaag schade lijdt door
dit handelen, zoals klager zegt, is voor de aanvang van de driejaarstermijn niet relevant.
De uitzondering uit het tweede lid is niet van toepassing. Dit betekent dat de klacht
na het verstrijken van de driejaarstermijn en dus te laat is ingediend. Van bijzondere
omstandigheden op grond waarvan de termijnoverschrijding verschoonbaar zou kunnen
zijn, is de voorzitter niet gebleken.
4.3 Gelet op het voorgaande zal de voorzitter de klacht over verweersters, met
toepassing van artikel 46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk verklaren.
Aan een inhoudelijke beoordeling van de klacht komt de voorzitter niet toe.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht in de zaken 25-905/A/A en 25-908/A/A, met toepassing van artikel
46g, lid 1 onder a Advocatenwet, niet-ontvankelijk.
Aldus beslist door mr. K.M. van Hassel, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026