ECLI:NL:TADRAMS:2026:34 Raad van Discipline Amsterdam 25-907/A/A

ECLI: ECLI:NL:TADRAMS:2026:34
Datum uitspraak: 09-02-2026
Datum publicatie: 20-02-2026
Zaaknummer(s): 25-907/A/A
Onderwerp: Wat een behoorlijk advocaat betaamt t.o. de wederpartij, subonderwerp: Vrijheid van handelen
Beslissingen: Voorzittersbeslissing
Inhoudsindicatie: Voorzittersbeslissing. Klacht over de advocaat van de wederpartij is in beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond. Door verweerster is terecht aangevoerd dat zij als advocaat van de wederpartij van klaagster de door haar cliënte verstrekte gegevens heeft uitgewerkt in de brief van 2 april 2025 aan klaagster. Verweerster mocht daarbij uitgaan van de juistheid van deze door haar cliënte verstrekte gegevens. Dat er voor verweerster aanleiding bestond om aan de inhoud hiervan in redelijkheid te twijfelen en daarom te controleren, heeft klaagster niet onderbouwd en dit is de voorzitter ook niet gebleken. Het stond klaagster daarnaast vrij om inhoudelijk op de brief van verweerster reageren en het niet eens te zijn met de door verweerster namens haar cliënte uitgewerkte gegevens en sommatie.

Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort  Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-907/A/A

naar aanleiding van de klacht van:

klaagster

over:

verweerster


De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 29 december 2025 met kenmerk 2484863/EvR/AP, digitaal door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 1 tot en met 4. 

1    FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier, uit van de volgende feiten.
1.1    Klaagster heeft een geschil met een kapperszaak. Verweerster staat de kapperszaak bij als advocaat. 
1.2    Eind 2024 heeft klaagster een adviesgesprek gevoerd met de kapperszaak, waarna zij daar een kappersbehandeling heeft ondergaan. 
1.3    Op 19 december 2024 heeft klaagster een brief aan de kapperszaak gestuurd waarin zij klaagt over de behandeling en haar geld terug wenst te ontvangen. Hierop heeft de kapperszaak bij brief van 27 december 2024 gereageerd.  
1.4    Op 4 februari 2025 heeft klaagster de kapperszaak opnieuw benaderd en tevens diverse instanties aangeschreven met negatieve uitlatingen over de kapperszaak. 
1.5    Op 2 april 2025 heeft verweerster een brief aan klaagster gestuurd en daarin geschreven, voor zover relevant: 
“(…) 
Gelet op het voorgaande verzoek ik u dringend – en zo nodig sommeer ik u – cliënte met rust te laten en per ommegaande het doen van lasterlijke uitingen richting derden, in welke vorm dan ook, te staken en gestaakt te houden. Ik ontvang daartoe graag binnen 7 dagen na heden, te weten: uiterlijk woensdag 9 april 2025 uw schriftelijke bevestiging, waarbij u tevens toezegt alle instanties die u de afgelopen tijd heeft benaderd, een rectificatie te sturen waarin u verklaart dat de door u gedane uitingen onterecht zijn en u uw klachten intrekt. Een afschrift van de verzonden rectificaties zie ik graag binnen gelijke termijn tegemoet.
(…)”
1.6    Op 4 april 2025 heeft klaagster een klacht over verweerster ingediend bij de deken. 

2    KLACHT
2.1    De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerster tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerster klachtwaardig te hebben gehandeld door: 
a) niet na te gaan of de informatie die verweerster van haar cliënte heeft gekregen correct is en onjuiste danwel onvolledige feiten in de brief van 2 april jl. op te nemen;
b) in de brief van 2 april 2025 aan klaagster namens haar cliënte ongefundeerde beschuldigingen te uiten. Daarnaast voldoet de sommatiebrief volgens klaagster niet aan de criteria van laster zoals opgesomd in artikel 262 Wetboek van Strafrecht. 

3    VERWEER
3.1    Verweerster heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna, waar nodig, op het verweer ingaan.

4    BEOORDELING
4.1    Deze zaak betreft een klacht over de advocaat van de wederpartij. Voor alle advocaten geldt dat zij partijdig zijn en in principe alleen de belangen van hun eigen cliënt hoeven te behartigen. Zij hebben veel vrijheid om te doen wat in het belang van hun cliënt nodig is, maar die vrijheid is wel begrensd. Advocaten mogen de belangen van de wederpartij niet onnodig of op een ontoelaatbare manier schaden. Zij mogen zich bijvoorbeeld niet onnodig kwetsend uitlaten over de wederpartij. Ook mogen advocaten niet bewust onjuiste informatie verschaffen. Daarbij geldt dat advocaten er in beginsel van mogen uitgaan dat de informatie die zij van hun cliënt hebben gekregen juist is. Slechts in uitzonderingsgevallen zijn advocaten gehouden de juistheid van die informatie te controleren.  Tot slot hoeven advocaten in het algemeen niet af te wegen of het voordeel dat zij voor hun cliënt willen bereiken, opweegt tegen het nadeel dat zij aan de wederpartij toebrengen.
Klachtonderdelen a) en b) 
4.2    De voorzitter ziet in de inhoud van de klachtonderdelen aanleiding voor een gezamenlijke beoordeling. 
4.3    Naar het oordeel van de voorzitter is door verweerster terecht aangevoerd dat zij als advocaat van de wederpartij van klaagster de door haar cliënte verstrekte gegevens heeft uitgewerkt in de brief van 2 april 2025 aan klaagster. Verweerster mocht daarbij uitgaan van de juistheid van deze door haar cliënte verstrekte gegevens. Dat er voor verweerster aanleiding bestond om aan de inhoud hiervan in redelijkheid te twijfelen en daarom te controleren, heeft klaagster niet onderbouwd en dit is de voorzitter ook niet gebleken. Het stond klaagster daarnaast vrij om inhoudelijk op de brief van verweerster reageren en het niet eens te zijn met de door verweerster namens haar cliënte uitgewerkte gegevens en sommatie. Zoals ook door verweerster is aangevoerd, bepalen de standpunten van partijen het verdere inhoudelijke debat. Dat debat is afhankelijk van de door beide partijen gestelde en eventueel te bewijzen feiten en de juridische context in het achterliggende geschil. Het klachtonderzoek bij de deken leent zich hier niet voor. 
4.4    De voorzitter is gelet op het voorgaande van oordeel dat verweerster heeft gehandeld binnen de aan haar als advocaat van de wederpartij toekomende vrijheid. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen. De klacht is gelet op het voorgaande in beide klachtonderdelen kennelijk ongegrond. 

BESLISSING
De voorzitter verklaart: 
de klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.

Aldus beslist door mr. C.S. Schoorl, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026. 


Griffier         Voorzitter


Verzonden op: 9 februari 2026