ECLI:NL:TADRAMS:2026:33 Raad van Discipline Amsterdam 25-910/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:33 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-910/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is in alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond. Verweerder heeft zijn advies aan klager uitgelegd. Dat waren geen dreigementen van verweerder, maar een juridisch advies. Dat klager zich hierdoor onder druk gezet heeft gevoeld, is vervelend maar dit betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft gehandeld. Dat verweerder de “beschuldigingen van de IND” namens klager zomaar zou hebben geaccepteerd en niet heeft betwist, is de voorzitter niet gebleken. Het verwijt dat verweerder met de IND zou hebben samengewerkt, in plaats van de belangen van klager te behartigen, mist feitelijke grondslag. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-910/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
(hierna: de deken) van 30 december 2025 met kenmerk 2511929/ER/FS digitaal door de
raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 12 januari 2026,
14 januari 2026 en op 15 januari 2026 nagezonden stukken en de toelichting hierop
van klager.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 In 2016 heeft klager voor het eerst asiel aangevraagd in Nederland.
1.2 In 2021 heeft klager nogmaals een asielaanvraag ingediend.
1.3 Op 8 november 2021 heeft de IND het voornemen uitgebracht om de asielaanvraag
van klager af te wijzen als kennelijk ongegrond. De toenmalig advocate van klager
heeft hiertegen een zienswijze ingediend. Er is toen geen besluit genomen.
1.4 Op 18 februari 2022 heeft de IND aan klager kenbaar gemaakt dat er aanwijzingen
waren dat artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag van toepassing was op het asielverzoek
van klager. Het dossier van klager is hierop overgedragen aan de 1F-unit van de IND.
1.5 De aanwijzingen waaraan de IND refereerde zagen op een uitleveringsverzoek
dat door de Turkse overheid was gedaan aan Nederland ten aanzien van klager. Volgens
dat uitleveringsverzoek is klager op 16 november 2017 veroordeeld tot een gevangenisstraf.
Dat vonnis is op 26 april 2018 onherroepelijk geworden.
1.6 In maart 2022 is verweerder klager gaan bijstaan als advocaat.
1.7 Op 8 juli 2024 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
1.8 Op 13 augustus 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij
de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder klachtwaardig te hebben gehandeld door:
a) zware psychologische druk op klager te hebben uitgeoefend door te dreigen
dat hij niet uit de gevangenis zou komen en naar Turkije zou worden uitgezet als hij
niet zou meewerken. Klager heeft daardoor tegen zijn wil documenten ondertekend en
daarmee afstand gedaan van zijn asielprocedure bij de IND;
b) de beschuldigingen van de ex-vriendin van klager die de IND als drukmiddel
gebruikte, te hebben geaccepteerd en deze niet te hebben betwist;
c) te hebben samengewerkt met de IND in plaats van de belangen van klager te
behartigen.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
Ontvankelijkheid
4.1 De voorzitter stelt bij de beoordeling van de klacht voorop dat een klacht
over een advocaat moet worden ingediend binnen drie jaar nadat de klager op de hoogte
was of redelijkerwijs kon zijn van de feiten waarover wordt geklaagd (artikel 46g
lid 1 onder a Advocatenwet). Het moet gaan om kennis die de klager uit objectieve
bronnen heeft verkregen. Als deze driejaarstermijn is verlopen zonder dat klager een
klacht heeft ingediend, vervalt in principe het recht om te klagen. Dit is anders
als klager pas na de driejaarstermijn over informatie beschikt (en ook daar niet eerder
over kon beschikken), die gaat over de gevolgen van het handelen of nalaten waar de
klacht over gaat. In dat geval vervalt het recht om te klagen één jaar nadat klager
van de informatie kennis heeft genomen (artikel 46g lid 2 Advocatenwet).
4.2 De voorzitter stelt vast dat verweerder klager vanaf maart 2022 als advocaat
is gaan bijstaan en dat klager zijn klacht tegen verweerder op 13 augustus 2022 heeft
ingediend. Voor zover de klacht ziet op de bijstand van verweerder aan klager, zou
deze in zoverre niet-ontvankelijk zijn, nu immers dan sprake is van een overschrijding
van de hiervoor genoemde termijn van drie jaar.
4.3 Nu het de voorzitter, op grond van de inhoud van het klachtdossier echter
onvoldoende duidelijk is wanneer de verwijtbare gedragingen precies zouden hebben
plaatsgevonden en welke klachtonderdelen op grond van artikel 46g lid 1 onder a van
de Advocatenwet daarom (deels) niet-ontvankelijk zouden zijn, zal de voorzitter de
klacht hierna alsnog inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
4.4 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdeel a)
4.5 Naar het oordeel van de voorzitter heeft verweerder in klachtonderdeel a)
gemotiveerd aangevoerd dat hij klager heeft geadviseerd om stukken uit het uitleveringsdossier
aan de IND te sturen, waarna klager hiertoe een toestemmingsverklaring heeft ondertekend.
Het niet overleggen van dit dossier aan de IND zou de procedure enkel doen vertragen
en de kans op een afwijzing van de asielaanvraag vergroten. Verweerder heeft dit in
zijn advies aan klager ook zo aan hem uitgelegd. Dat waren geen dreigementen van verweerder,
maar een juridisch advies. Dat klager zich hierdoor onder druk gezet heeft gevoeld,
is vervelend maar dit betekent niet dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar heeft
gehandeld.
Klachtonderdeel b)
4.6 Ten aanzien van klachtonderdeel b) is door verweerder aangevoerd dat het
voor toepassing van artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag voldoende is als sprake
is van een “ernstige redenen” om te vermoeden dat de aanvrager een ernstig misdrijf
heeft gepleegd. Indien sprake is van een strafrechtelijke veroordeling voor een ernstig
misdrijf, zoals bij klager het geval, dan wordt daarvan in beginsel uitgegaan. Dit
is slechts anders indien kan worden aangetoond dat sprake is geweest van een flagrante
schending van het recht op een eerlijk proces. Verweerder heeft tegen deze achtergrond
aan klager uitgelegd dat de IND in beginsel zou uitgaan van de veroordeling van klager
en dat de nadruk in de processtrategie daarom moest komen te liggen op aanwijzingen
dat klager geen eerlijk proces had gehad. Verweerder heeft klager daarbij tevens in
de gelegenheid gesteld om zijn versie van de gebeurtenissen (ook) aan de IND voor
te leggen, waarbij verweerder de IND-ambtenaar tijdens het gehoor meermaals zou hebben
aangespoord om hem die gelegenheid te bieden. Dat verweerder de “beschuldigingen van
de IND” namens klager zomaar zou hebben geaccepteerd en deze niet heeft betwist, blijkt
hieruit niet en klager heeft dit verwijt ook niet nader onderbouwd met stukken.
Klachtonderdeel c)
4.7 Voor wat betreft het in klachtonderdeel c) gemaakte verwijt dat verweerder
met de IND zou hebben samengewerkt, in plaats van de belangen van klager te behartigen,
is de voorzitter van oordeel dat ook dit verwijt door klager niet nader is onderbouwd
en door verweerder is betwist. Dit klachtonderdeel mist daarom feitelijke grondslag.
Conclusie klachtonderdelen a), b) en c)
4.8 De voorzitter is op grond van het voorgaande van oordeel dat de klacht, voor
zover deze al tijdig is ingediend, in alle klachtonderdelen kennelijk ongegrond is.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klachtonderdelen a) en b), met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk
ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026