ECLI:NL:TADRAMS:2026:32 Raad van Discipline Amsterdam 25-911/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:32 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-911/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening van de eigen advocaat is kennelijk ongegrond. Het is de voorzitter niet gebleken dat de kwaliteit van dienstverlening van verweerder ondermaats is geweest. Naar het oordeel van de voorzitter is door verweerder gemotiveerd betwist dat hij klager onder druk zou hebben gezet en hem zou hebben opgedragen om ter zitting te zwijgen. Dit volgt ook niet uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting. Hieruit blijkt dat ter zitting ook door klager het woord is gevoerd en dat door verweerder (uitgebreid) verweer is aangedragen. Daarbij heeft klager, blijkens het proces-verbaal, ter zitting desgevraagd naar voren gebracht dat de zitting ook buiten aanwezigheid van een tolk, mocht doorgaan. Het besluit om de zitting voort te zetten, is hierop door de rechtbank genomen. Ook ten aanzien van dit onderdeel kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-911/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen
van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam
(hierna: de deken) van 30 december 2025 met kenmerk 2511927/ER/FS, , digitaal door
de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen
1 tot en met 4. Ook heeft de raad kennisgenomen van de door klager op 12 januari 2026,
14 januari 2026 en op 15 januari 2026 nagezonden stukken en de toelichting hierop
van klager.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Eind 2022 heeft klager zich tot verweerder gewend voor bijstand in een asielprocedure.
Verweerder is klager hierna gaan bijgestaan. Verweerder heeft namens klager beroep
in de procedure ingediend.
1.2 Op 26 september 2023 heeft een zitting bij de rechtbank Amsterdam (hierna:
de rechtbank) plaatsgevonden.
1.3 In het proces-verbaal van de zitting staat, voor zover relevant:
[rechter]: opent het onderzoek.
Hoe is uw Nederlands?
[klager]: klein beetje.
[rechter]: er is een tolk geregeld. Die is niet gekomen.
[verweerder]: net gevraagd. [Klager] wil dat de zitting doorgaat
[rechter] : dan gaan we dat doen. geen reden om het niet door te laten gaan. Laten
we afspreken dat als u het niet begrijpt, u dat aangeeft. En [verweerder] kan u helpen
als u iets wil vertellen.
Stelt de rechtbank voor.
We hebben het vandaag over de afwijzing van de asielaanvraag en over de oplegging
van het inreisverbod.
[klager]: alles ongelijk.
[rechter]: ik weet dat u zegt dat het onjuist Is. Dat u zegt dat u die vrouw niet
hebt verkracht.
[klager]: Zij praat slecht over mij.
[verweerder]: hij wil alles vertellen. Maar ik denk dat het niet handig is. We komen
er later op terug. Ik zal alles naar voren brengen.
[rechter]: er zijn 2 punten waar we het vandaag over gaan hebben. Over de 1F tegenwerping.
de verkrachting in Turkije, en de vraag of u een gevaar bent voor de openbare orde.
Ik heb vragen voor zowel u, [verweerder] en de IND. We behandelen eerst het eerste
onderwerp en dan het andere.
Er is geen tolk. Het wordt wat lastiger om met u rechtsreeks te praten. [Verweerder]
heeft aangegeven dat te doen.
Mijn aanvankelijke gedachte was om [klager] het woord te geven in het begin zodat
hij kan vertellen over de veroordeling in Turkije, omdat hij het er niet mee eens
is. Dat is lastig. Dus ik geef u nu het woord. Kunt u dat nu uitleggen?
[verweerder] legt het aan [klager] uit.
(…)
[rechter]: [klager], wilt u nog iets zeggen?
[klager]: alles gezegd.
(…)”
1.4 Op 1 november 2021 heeft de rechter het door verweerder ingediende beroep
gegrond verklaard.
1.5 De IND heeft hiertegen hoger beroep ingesteld. Verweerder heeft namens klager
een verweerschrift ingediend en incidenteel hoger beroep ingesteld.
1.6 Op 30 september 2024 heeft verweerder klager verzocht zich tot een andere
advocaat te wenden en heeft hij de zaak neergelegd.
1.7 Op 13 augustus 2025 heeft klager een klacht over verweerder ingediend bij
de deken.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij:
a) klager onder druk heeft gezet, bijvoorbeeld door hem op te dragen te zwijgen
tijdens de zitting. Als klager daarmee niet akkoord ging, zou verweerder de zaak neerleggen;
b) niet heeft ingegrepen toen bij de mondelinge behandeling van de zaak van klager
bleek dat de tolk niet aanwezig was, waardoor klager de zitting niet heeft kunnen
volgen. Daarmee is zijn recht op hoor en wederhoor geschonden.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
Klachtonderdelen a) en b)
4.2 De voorzitter ziet in de inhoud van de klachtonderdelen aanleiding voor een
gezamenlijke beoordeling.
4.3 Naar het oordeel van de voorzitter is door verweerder gemotiveerd betwist
dat hij klager onder druk zou hebben gezet en hem zou hebben opgedragen om ter zitting
te zwijgen. Dit volgt ook niet uit de inhoud van het proces-verbaal van de zitting.
Hieruit blijkt dat ter zitting ook door klager het woord is gevoerd en dat door verweerder
(uitgebreid) verweer is aangedragen. Daarnaast heeft verweerder naar voren gebracht
dat hij tijdig een tolk voor klager had aangevraagd, maar dat deze tolk niet ter zitting
is verschenen. De afwezigheid van de tolk kan verweerder echter niet worden verweten.
Daarbij heeft klager, blijkens het proces-verbaal, ter zitting desgevraagd naar voren
gebracht dat de zitting ook buiten aanwezigheid van een tolk, mocht doorgaan. Het
besluit om de zitting voort te zetten, is hierop door de rechtbank genomen. Ook ten
aanzien van dit onderdeel kan verweerder geen tuchtrechtelijk verwijt worden gemaakt.
4.4 Gelet op het voorgaande is het de voorzitter niet gebleken dat de kwaliteit
van dienstverlening van verweerder ondermaats is geweest. De voorzitter is daarom
van oordeel dat de klachtonderdelen a) en b), bij gebrek aan feitelijke grondslag,
kennelijk ongegrond zijn.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klachtonderdelen a) en b) met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet,
kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. M.V. Ulrici, voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026