ECLI:NL:TADRAMS:2026:31 Raad van Discipline Amsterdam 25-912/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:31 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 25-912/A/A |
| Onderwerp: | Zorg voor de cliënt, subonderwerp: Kwaliteit van de dienstverlening |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing. Klacht over de kwaliteit van dienstverlening is kennelijk ongegrond. Verweerder heeft geprobeerd aan zijn zorgplicht te voldoen, nadat hij had begrepen dat er mogelijk fatale termijnen liepen die nog gered konden worden. Klaagster stelt dat het door verweerder gelegde contact met de Belastingdienst prematuur was, maar daarvan was volgens verweerder geen sprake en dit is de voorzitter ook niet gebleken. Als 23 april 2025 de laatste dag van een lopende bezwaartermijn zou zijn geweest, had verweerder mogelijk verwijtbaar gehandeld als hij niet meteen op die dag bezwaar had ingediend. Een advocaat mag zich daarbij niet enkel op interpretaties van niet professionele anderen verlaten, maar dient zelf vast te stellen of er mogelijk termijnen lopen. Het is de voorzitter niet gebleken dat de kwaliteit van dienstverlening ondermaats is geweest. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 25-912/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klaagster
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter)
heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement
Amsterdam (hierna: de deken) van 30 december 2025 met kenmerk 2490116/EvR/BF, digitaal
door de raad ontvangen op dezelfde datum, en van de op de inventarislijst genoemde
bijlagen 1 tot en met 4.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Op 11 februari 2025 heeft de Uitvoeringsorganisatie Herstel Toeslagen (verder:
UHT) van de Dienst Toeslagen klaagster het volgende bericht:
“De beoordeling van uw situatie door UHT is klaar. Wij hopen dat u door de uitslag
duidelijkheid hebt gekregen. Wilt u ons bellen? Wij hebben u een aantal keren gebeld,
maar hebben u nog niet gesproken. Wij willen u graag vertellen hoe het nu verder gaat.
Bijvoorbeeld als u nog schulden hebt. Of welke mogelijkheden voor hulp er nog voor
u zijn.”
1.2 Op 19 februari 2025 heeft de Raad voor Rechtsbijstand (hierna: RvR) een e-mail
aan klaagster gestuurd met als onderwerp:
“Bevestiging aanmelding kosteloze rechtsbijstand”
In het e-mailbericht staat, voor zover relevant:
“Bedankt voor uw aanvraag die u verstuurd heeft per post. (…) Wij streven ernaar
binnen 3 weken telefonisch contact met u op te nemen om de aanvraag te bespreken.”
1.3 Op 23 april 2025 heeft de RvR klaagster en verweerder aan elkaar gekoppeld
inzake een herbeoordeling van de kinderopvangtoeslagzaak van klaagster.
1.4 Bij e-mailbericht van 23 april 2025 om 10:44 uur heeft een medewerker van
de RvR als bijlage de door klaagster ondertekende aanvraag rechtsbijstand herstelregelingen
kinderopvangtoeslagen (hierna: KOT) aan verweerder gestuurd en daarbij geschreven,
voor zover relevant:
“Zoals zojuist besproken met (…) zend ik u hierbij de aanvraag rechtsbijstand voor
de KOT van [klaagster] uit Amsterdam.”
Op dit formulier is met de hand genoteerd:
“ter info: Ik heb een bezwaar ingediend, echter is deze nooit in behandeling genomen,
gezien mijn zaakbehandelaar uit dienst is getreden, zonder mijn weten. Datum voor
31-12-2024 niet gehaald. Januari gebeld, om opnieuw in te dienen.”
1.5 Op 23 april 2025 om 10:52 heeft een medewerker van de RvR aan klaagster geschreven:
“Ik heb inmiddels contact gehad met de secretaresse van [verweerder] (…). Zij willen
met u een afspraak maken om te kijken wat zij voor u kunnen betekenen. U mag, zoals
gisteren ook besproken, uiteraard zelf ook contact opnemen met het advocatenkantoor
voor het inplannen van een afspraak (…).”
1.6 Op 23 april 2025 is er telefonisch contact geweest tussen (het kantoor van)
verweerder en de Servicedienst van de UHT.
1.7 Op 24 april 2025 is er telefonisch contact geweest tussen klaagster en het
kantoor van verweerder.
1.8 Op 24 april 2025 heeft verweerder in een e-mailbericht aan klaagster geschreven,
voor zover relevant:
“Zoals zojuist telefonisch besproken, ontvangt u bijgaand een machtigingsformulier.
Wilt u zo vriendelijk zijn dit formulier te ondertekenen en aan mij terug te sturen?
Ook ontvang ik graag een kopie van de beschikking UHT-DCHA d.d. 3 mei 2023, uw correspondentie
met de persoonlijk zaakbehandelaar en een kopie van de ontvangstbevestiging van aanvraag
rechtsbijstand. Na ontvangst daarvan zult u een concept-bezwaarschrift ontvangen.”
1.9 In reactie op voornoemd e-mailbericht heeft klaagster een e-mailbericht aan
verweerder gestuurd met daarin:
“Dank voor uw bericht. Ik wil echter mijn zorgen en gebrek aan vertrouwen uitspreken
over de gang van zaken tot nu toe. U gaf aan dat u een dag voor ons telefoongesprek
al contact heeft gehad met de wederpartij. Dit verbaast mij zeer, aangezien u op dat
moment nog niet met mij had gesproken, laat staan dat u volledig op de hoogte was
van mijn situatie of mijn kant van het verhaal. Voelt als een belangenverstrengeling,
gezien de belastingdienst werkt met privacy gevoelige informatie. Daarnaast is het
voor mij een gemiste kans, gezien ik in februari dit jaar 2025, ben achtergekomen
dat mijn verhaal onjuist in het systeem staat en juist daarom vroeg naar een advocaat,
en dus wilde ik mijn belangen vanaf het begin volledig en juist vertegenwoordigen.
Daarnaast benoemt u dat ik in 2009 bezwaar had moeten maken. Ik wil hierbij benadrukken
dat ik destijds geen enkele reden had om aan te nemen dat de Belastingdienst onjuist
handelde. Zoals zoveel burgers vertrouwde ik op hun integriteit en communicatie. Er
was simpelweg geen aanleiding om bezwaar te maken tegen iets waarvan ik aannam dat
het correct verliep. Ik verwacht van een advocaat dat het aannemelijk is waarom ik
geen bezwaar had ingediend, ipv mijzelf verdedigen waarom niet. Ik heb destijds gehandeld
naar eer en geweten, op basis van vertrouwen in de overheid. Verder benoemt u in uw
e-mail ‘correspondentie’ met mijn zaakbehandelaar, terwijl ik expliciet heb aangegeven
dat ik slechts twee korte telefonische gesprekken met hem heb gehad. Er is dus geen
uitgebreide correspondentie, en laat dat het nou ook mijn bezwaar zijn, het is belangrijk
dat dit juist wordt weergegeven in het dossier. Gezien bovenstaande punten voel ik
mij momenteel onvoldoende gehoord en vertegenwoordigd. Gezien het bovenstaande zie
ik geen basis meer voor verdere samenwerking.”
1.10 Op 27 april 2025 heeft klaagster een klacht tegen verweerder ingediend bij
de deken.
2 KLACHT
a) De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk verwijtbaar
heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klaagster verwijt verweerder
dat hij zonder toestemming, terwijl er nog geen opdracht was gegeven en geen volmacht
was ondertekend, informatie bij de wederpartij, de Belastingdienst, heeft ingewonnen
over de toeslagenzaak van klaagster.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Deze klacht gaat over de kwaliteit van de dienstverlening van de advocaat.
Er is pas sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen als de kwaliteit duidelijk
onder de maat is geweest. De tuchtrechter houdt bij de beoordeling rekening met de
vrijheid die een advocaat heeft bij de wijze waarop hij een zaak behandelt. Ook houdt
de tuchtrechter rekening met de keuzes waar een advocaat bij de behandeling van de
zaak voor kan komen te staan. Die (keuze)vrijheid is niet onbeperkt, maar wordt begrensd
door bepaalde eisen die aan het werk van de advocaat worden gesteld. Als algemene
professionele standaard geldt dat de advocaat te werk moet gaan zoals van een redelijk
bekwame en redelijk handelende beroepsgenoot mag worden verwacht.
4.2 De voorzitter stelt vast dat klaagster en verweerder op 23 april 2025 door
de RvR aan elkaar zijn gekoppeld. Tussen klaagster en verweerder bestaat discussie
over de vraag of verweerder nog dezelfde dag telefonisch contact heeft gezocht met
klaagster. In ieder geval staat vast dat verweerder reeds op 23 april 2023 telefonisch
contact heeft gehad met de RvR en dat door de RvR, eveneens op 23 april 2025, een
door klaagster ondertekende aanvraag rechtsbijstand aan verweerder is gestuurd. Ook
staat vast dat verweerder die dag telefonisch contact heeft gehad met de UHT en dat
klaagster en verweerder elkaar een dag later telefonisch hebben gesproken.
4.3 Verweerder heeft naar het oordeel van de voorzitter terecht aangevoerd dat
een advocaat reeds bij de acceptatie van een zaak verantwoordelijk is voor een goed
verloop van de behandeling van die zaak en er daarom ook zorg voor dient te dragen
dat de termijnen door hem worden bewaakt. Verweerder heeft geprobeerd aan zijn zorgplicht
te voldoen, nadat hij had begrepen dat er mogelijk fatale termijnen liepen die nog
gered konden worden. Klaagster stelt dat het door verweerder gelegde contact met de
Belastingdienst ‘prematuur’ was, maar daarvan was volgens verweerder geen sprake en
dit is de voorzitter ook niet gebleken. Als 23 april 2025 de laatste dag van een lopende
bezwaartermijn zou zijn geweest, had verweerder mogelijk verwijtbaar gehandeld als
hij niet meteen op die dag bezwaar had ingediend. Een advocaat mag zich daarbij niet
enkel op interpretaties van niet professionele anderen verlaten, maar dient zelf vast
te stellen of er mogelijk termijnen lopen. Gelet daarop heeft verweerder direct op
23 april 2025 contact opgenomen met de UHT en is het door klaagster ondertekende formulier
aan hem toegezonden. Verweerder heeft in verband daarmee aangevoerd dat hij in het
gesprek met de UHT geen zaaksinhoudelijke informatie heeft verkregen, maar alleen
de beschikbare data, zoals de datum van aanmelding, de datum van de integrale herbeoordeling
en de datum van de e-mail van de persoonlijk zaakbehandelaar. Klaagster heeft haar
stelling dat verweerder zaaksinhoudelijke informatie bij de UHT zou hebben ingewonnen
(waardoor het intakegesprek van verweerder met klaagster zou zijn beïnvloed) niet
onderbouwd en dit is ook overigens niet aan de voorzitter gebleken.
4.4 Uit het voorgaande volgt dat verweerder heeft gehandeld zoals van hem als
een redelijk bekwaam en redelijk handelend advocaat mocht worden verwacht. Het is
de voorzitter niet gebleken dat de kwaliteit van dienstverlening daarbij ondermaats
is geweest. Er is geen sprake van tuchtrechtelijk verwijtbaar handelen door verweerder.
De klacht is daarom kennelijk ongegrond.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
de klacht, met toepassing van artikel 46j van de Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. J.J. Roos plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. E.E. Wouters als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026