ECLI:NL:TADRAMS:2026:30 Raad van Discipline Amsterdam 26-013/A/A
| ECLI: | ECLI:NL:TADRAMS:2026:30 |
|---|---|
| Datum uitspraak: | 09-02-2026 |
| Datum publicatie: | 20-02-2026 |
| Zaaknummer(s): | 26-013/A/A |
| Onderwerp: | Grenzen van het tuchtrecht, subonderwerp: De advocaat privé |
| Beslissingen: | Voorzittersbeslissing |
| Inhoudsindicatie: | Voorzittersbeslissing; klacht over een advocaat in andere hoedanigheid (redacteur juridisch tijdschrift). Niet gebleken is dat verweerder met zijn nevenwerkzaamheden als redacteur het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. |
Beslissing van de voorzitter van de Raad van Discipline in het ressort Amsterdam
van 9 februari 2026
in de zaak 26-013/A/A
naar aanleiding van de klacht van:
klager
over:
verweerder
De plaatsvervangend voorzitter van de raad van discipline (hierna ook: de voorzitter) heeft kennisgenomen van de brief van de deken van de Orde van Advocaten in het arrondissement Amsterdam (hierna: de deken) van 8 januari 2026 met kenmerk 2511841/JS/BF, door de raad ontvangen op 8 januari 2026, en van de op de inventarislijst genoemde bijlagen 00 tot en met 04.
1 FEITEN
Voor de beoordeling van de klacht gaat de voorzitter, gelet op het klachtdossier,
uit van de volgende feiten.
1.1 Verweerder heeft naast zijn werk als advocaat ook een aanstelling bij een
universiteit en is redacteur bij het Nederlands Juristenblad (hierna: het NJB).
1.2 Klager heeft een artikel geschreven in reactie op een in het NJB geplaatst
artikel. Het artikel van klager is niet in het NJB geplaatst.
1.3 Op 13 augustus 2025 heeft klager bij de deken een klacht ingediend over verweerder.
2 KLACHT
2.1 De klacht houdt, zakelijk weergegeven, in dat verweerder tuchtrechtelijk
verwijtbaar heeft gehandeld als bedoeld in artikel 46 Advocatenwet. Klager verwijt
verweerder dat hij als redactielid van het NJB klager podium heeft onthouden door
zijn artikel niet te plaatsen. Hiermee heeft verweerder zich in een nevenfunctie bezondigd
aan netwerkcorruptie en censuur, waarmee verweerder zijn onafhankelijkheid, deskundigheid
en integriteit op het spel heeft gezet.
3 VERWEER
3.1 Verweerder heeft tegen de klacht verweer gevoerd. De voorzitter zal hierna,
waar nodig, op het verweer ingaan.
4 BEOORDELING
4.1 Het tuchtrecht is bedoeld om te waarborgen dat advocaten hun beroep behoorlijk
uitoefenen. Het tuchtrecht kan ook volledig gelden wanneer een advocaat optreedt in
een andere hoedanigheid dan die van advocaat, terwijl er wel voldoende aanknopingspunten
zijn tussen (i) de gedraging waarvan hem een verwijt wordt gemaakt en (ii) de uitoefening
van het beroep van advocaat. Zijn die aanknopingspunten er niet, of niet voldoende,
dan beoordeelt de tuchtrechter slechts of de advocaat het vertrouwen in de advocatuur
heeft geschaad.
4.2 Zoals uit het hiervoor beschreven toetsingskader blijkt, is het advocatentuchtrecht
ook van toepassing indien een advocaat handelt in een andere hoedanigheid. Van een
niet-ontvankelijkheid van de klacht, zoals door verweerder (primair) bepleit, is dan
ook geen sprake.
4.3 De klacht heeft betrekking op verweerders (neven)werkzaamheden als redacteur
bij het NJB. De voorzitter heeft geen aanknopingspunten kunnen vaststellen tussen
verweerders hoedanigheid als advocaat en zijn werkzaamheden als redacteur van het
NJB. Dat betekent dat de voorzitter haar toets beperkt tot de vraag of verweerder
als redacteur het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad. Daarvan is de voorzitter
niet gebleken. Ter toelichting geldt het volgende.
4.4 Verweerder heeft onderbouwd toegelicht dat door hem en andere leden aan klager
is meegedeeld dat het NJB een platform is voor verschillende meningen en dat klager
desgewenst een reactie op het gepubliceerde stuk mocht insturen. Dat heeft klager
gedaan, maar zijn stuk is niet geplaatst. Net als alle andere bijdragen wordt zo’n
reactie beoordeeld door de voltallige redactie van het NJB. De uitkomst daarvan was
dat het stuk van klager niet publicabel was. Dat verweerder, als onderdeel van deze
redactie, hiermee het vertrouwen in de advocatuur heeft geschaad is niet gebleken.
Voor zover klager heeft gesteld dat bij de beslissing om zijn reactie niet te plaatsen
sprake zou zijn van netwerkcorruptie en censuur, mist dit verwijt feitelijke grondslag.
Ook al hetgeen klager verder heeft gesteld, brengt de voorzitter niet tot een ander
oordeel.
4.5 Op grond van het voorgaande zal de voorzitter de klacht, met toepassing van
artikel 46j Advocatenwet, daarom kennelijk ongegrond verklaren.
BESLISSING
De voorzitter verklaart:
- de klacht, met toepassing van artikel 46j Advocatenwet, kennelijk ongegrond.
Aldus beslist door mr. W. Aardenburg, plaatsvervangend voorzitter, bijgestaan door mr. N. Borgers-Abu Ghazaleh als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 februari 2026.
Griffier Voorzitter
Verzonden op: 9 februari 2026